Hof 's-Hertogenbosch, 16-01-2020, nr. 20-000000-19
ECLI:NL:GHSHE:2020:222
- Instantie
Hof 's-Hertogenbosch
- Datum
16-01-2020
- Zaaknummer
20-000000-19
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHSHE:2020:222, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 16‑01‑2020; (Hoger beroep, Raadkamer, Beschikking)
ECLI:NL:GHSHE:2019:3169, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 01‑08‑2019; (Hoger beroep, Raadkamer, Beschikking)
ECLI:NL:GHSHE:2019:2368, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 27‑06‑2019; (Hoger beroep, Raadkamer, Beschikking)
- Wetingang
art. 80 Wetboek van Strafvordering; art. 66 Wetboek van Strafvordering; art. 5 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden; Penitentiaire beginselenwet
art. 69 Wetboek van Strafvordering; art. 80 Wetboek van Strafvordering; art. 75 Wetboek van Strafvordering; art. 5 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
art. 66 Wetboek van Strafvordering
- Vindplaatsen
NbSr 2019/239 met annotatie van Janssen, G.P.C.
Uitspraak 16‑01‑2020
Inhoudsindicatie
Verlengingsvordering van de advocaat-generaal. Verweer dat medische voorzieningen in de P.I. ontoereikend zijn gemotiveerd verworpen.
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling strafrecht
Parketnummer 1e aanleg : [arrondissementsparketnummer]
Parketnummer : [ressortsparketnummer]
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft gezien de vordering van de advocaat-generaal van [datum] strekkende tot verlenging van de geldigheidsduur van het bevel tot gevangenhouding van
[voornamen & achternaam verdachte]
geboren te [geboorteplaats, -datum & -land]
thans gedetineerd in de [detentieplaats] .
Dit bevel is op grond van artikel 66, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, van kracht tot [datum] .
Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. C.G.J.E. Lut.
Het hof overweegt als volgt.
Verdachte is op [datum] door de meervoudige kamer van de [rechtbank] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tweeënveertig maanden met aftrek wegens kort gezegd betrokkenheid bij de productie van synthetische drugs. Tegen dat vonnis is namens verdachte hoger beroep ingesteld.
Het gerechtshof is na onderzoek gebleken dat de verdenking, bezwaren en gronden die tot het laatstelijk verleende bevel tot gevangenhouding van verdachte hebben geleid, ook thans nog bestaan. De vordering van de advocaat-generaal zal dus worden toegewezen, met dien verstande dat de voorlopige hechtenis ook komt te berusten op de grond dat in het bestreden vonnis van de [rechtbank] van [datum] een vrijheidsbenemende straf is opgelegd voor de duur van tweeënveertig maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan de tenuitvoerlegging langer duurt dan de periode van het op grond van artikel 66, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering verlengde bevel tot gevangenhouding.
Het hof heeft kennis genomen van het vonnis. Niet is gesteld noch anderszins is gebleken dat het om een feitelijk of juridisch evident onjuist vonnis gaat. Dat betekent dat de vrijheidsbeneming van verdachte is komen te vallen onder artikel 5, eerste lid onder a van het EVRM. Dat heeft onder meer tot gevolg dat het recht van de verdachte om in beginsel zijn berechting in vrijheid af te wachten niet zonder meer van toepassing is aangezien een bevoegde rechter uitspraak heeft gedaan en die uitspraak niet feitelijk of juridisch evident onjuist is. Een beroep op artikel 67a, derde lid van het Wetboek van Strafvordering kan niet slagen aangezien de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf langer duurt dan de thans door verdachte in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd.
Verdachte heeft voorafgaande aan de behandeling in raadkamer op [datum] een schriftelijk verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis ingediend.
Het hof zal daar niet toe overgaan. Na een veroordelend vonnis door een daartoe bevoegde rechter is het recht om de berechting in vrijheid af te wachten niet zonder meer van toepassing. Schorsing van de voorlopige hechtenis is in een dergelijk geval – na een veroordelend vonnis – in beginsel slechts aan de orde wanneer er sprake is van bijzondere zwaarwichtige, de persoon van de verdachte betreffende omstandigheden op grond waarvan het belang dat de samenleving heeft bij voortzetting van de voorlopige hechtenis moet wijken voor het persoonlijk belang van de verdachte.
In dat kader is onder meer aangevoerd dat verdachte gezondheidsklachten heeft. De raadsvrouw heeft dit verzoek onderbouwd met stukken.
Het hof is van oordeel dat deze gezondheidsklachten van verdachte niet zodanig bijzondere zwaarwichtige, de persoon van de verdachte betreffende omstandigheden op grond waarvan het belang dat de samenleving heeft bij voortzetting van de voorlopige hechtenis moet wijken voor het persoonlijk belang van de verdachte. Het hof is ook anderszins niet van het bestaan ervan gebleken.
In raadkamer heeft de raadsvrouw tevens aangevoerd dat – kort gezegd – de medische voorzieningen binnen het penitentiaire stelsel (vooralsnog) ontoereikend zijn gebleken en dat verdachte vreest voor zijn gezondheid. Naar het hof begrijpt ligt de oorzaak hiervan onder andere bij het feit dat verdachte niet het hem gewenste resultaat heeft kunnen bewerkstelligen van een medische behandeling. Uit de door de raadsvrouw overlegde stukken leidt het hof af dat de medische dienst van de vorige penitentiaire inrichting een medische behandeling aan verdachte heeft geadviseerd. Verdachte stelt dat zijn medische situatie hierdoor niet is verbeterd en wil een andere behandeling. Hierop heeft de medische dienst van de vorige penitentiaire inrichting gemotiveerd gereageerd. Verdachte heeft hierop een bemiddelingsgesprek aangevraagd. Het hof begrijpt dat het uitblijven van een dergelijk bemiddelingsgesprek bij de vorige penitentiaire inrichting mede de oorzaak is voor het uitblijven van de door verdachte gewenste medische behandeling. De raadsvrouw heeft toegelicht dat de penitentiaire procedure met betrekking tot de gezondheidsklachten inmiddels verder in gang is gezet naar de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming. Tevens blijkt uit de stukken die de raadsvrouw heeft overlegd dat een soortgelijk verzoek om andersoortige behandeling reeds aan de huidige penitentiaire inrichting is gericht.
Het hof stelt voorop dat het wettelijk systeem van het penitentiaire stelsel aan verdachte mogelijkheden biedt om – indien nodig – een adequate medische behandeling te verkrijgen. Naar het hof begrijpt heeft dit systeem vooralsnog niet het door verdachte gewenste resultaat kunnen bewerkstelligen. Het hof kan aan de hand van de stukken in het dossier niet beoordelen wat daarvoor de oorzaak is. Die beoordeling is overigens ook niet aan het hof voorbehouden nu het penitentiair stelsel voorziet in de mogelijkheid om de zaak voor te leggen aan de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming. De raadsvrouw heeft toegelicht dat zij die procedure reeds in gang heeft gezet. Het hof deelt de conclusie van de rechter-commissaris – dat het penitentiaire stelsel ontoereikend is – dan ook niet. Feiten of omstandigheden die het hof tot een ander oordeel zouden kunnen of moeten brengen zijn niet aannemelijk geworden.
Het hof wijst af het verzoek.
BESCHIKKENDE:
Verlengt de geldigheidsduur van het bevel tot gevangenhouding van verdachte voor een termijn van honderdtwintig dagen.
Wijst af het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.
Aldus gedaan op 16 januari 2020
door mr. R.A.T.M. Dekkers, voorzitter, mr. F.J.M. Walstock en mr. G.P.M.F. Mols, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. R. van Maaren, griffier.
De advocaat-generaal gelast de tenuitvoerlegging van vorenstaande beschikking en brengt deze ter kennis van verdachte.
’s-Hertogenbosch, 16 januari 2020
De advocaat-generaal,
Gezien d.d.
De Directeur van de [detentieplaats]
Uitspraak 01‑08‑2019
Inhoudsindicatie
Verzoekschrift opheffing c.q. schorsing voorlopige hechtenis voor aanvang van het hoger beroep. Voor wat betreft opheffing: het veroordelend vonnis is een zelfstandige grond voor voorlopige hechtenis zodat reeds daarom het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis vanwege het ontbreken van een grond moet worden afgewezen. Voor wat betreft schorsing: Door het veroordelend vonnis is de vrijheidsbeneming komen te rusten op artikel 5, eerste lid onder a van het EVRM. Dat betekent onder meer dat de verdachte niet zonder meer het recht toekomt zijn berechting in vrijheid af te wachten, nu er sprake is van een veroordeling door een daartoe bevoegde rechterlijke instantie. Bij de vraag of de voorlopige hechtenis dient te worden geschorst is sprake van een nieuwe belangenafweging waarbij gelet op het veroordelend vonnis, waarbij aan verdachte voor ernstige feiten een langdurige gevangenisstraf is opgelegd, er in beginsel sprake moet zijn van bijzondere zwaarwichtige, de persoon van de verdachte betreffende omstandigheden, op grond waarvan het belang dat de samenleving heeft bij voortzetting van de voorlopige hechtenis, dient te wijken voor het persoonlijk belang van de verdachte.
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling strafrecht
Hofnummer: [Ressortsparketnummer]
Parketnummer 1e aanleg: [Arrondissementsparketnummer]
Het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft gezien het verzoekschrift d.d. [datum 2] ingediend namens:
naam | [Achternaam] |
voornamen | [Voornamen] |
geboren | [Geboortedatum, -plaats & -land] |
wonende te | [Woonplaats] |
adres | [Woonplaats] |
thans verblijvende | in [Detentieplaats] |
waarbij primair wordt verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen, subsidiair de voorlopige hechtenis te schorsen.
Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door diens raadsman mr. W.A.J.A. Welten.
Het hof heeft kennis genomen van het dossier.
Uit het dossier blijkt dat verdachte bij vonnis van de [rechtbank] van [datum 1] is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 50 maanden met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Bij dat vonnis is tevens de schorsing van de voorlopige hechtenis opgeheven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen:
‘‘De rechtbank is van oordeel dat gelet op de aard, de ernst en de omvang van de bewezenverklaarde feiten en de strafoplegging, de persoonlijke belangen die verdachte heeft bij het voortduren van de schorsing ondergeschikt zijn aan de strafvorderlijke belangen en het belang dat de samenleving heeft bij het hervatten van de voorlopige hechtenis. De rechtbank wijst het verzoek van de officier van justitie daarom toe en heft de schorsing van de voorlopige hechtenis op.”
Gelet op het bepaalde in artikel 75, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering vormt het vonnis van [datum 1] een zelfstandige grond voor voorlopige hechtenis zodat reeds daarom het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis vanwege het ontbreken van een grond moet worden afgewezen.
Wat betreft het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis overweegt het hof als volgt.
Door het veroordelend vonnis is de vrijheidsbeneming komen te rusten op artikel 5, eerste lid onder a van het EVRM. Dat betekent onder meer dat de verdachte niet zonder meer het recht toekomt zijn berechting in vrijheid af te wachten, nu er sprake is van een veroordeling door een daartoe bevoegde rechterlijke instantie. Bij de vraag of de voorlopige hechtenis dient te worden geschorst is sprake van een nieuwe belangenafweging waarbij gelet op het veroordelend vonnis, waarbij aan verdachte voor ernstige feiten een langdurige gevangenisstraf is opgelegd, er in beginsel sprake moet zijn van bijzondere zwaarwichtige, de persoon van de verdachte betreffende omstandigheden, op grond waarvan het belang dat de samenleving heeft bij voortzetting van de voorlopige hechtenis, dient te wijken voor het persoonlijk belang van de verdachte.
Dergelijke omstandigheden zijn niet aangevoerd, noch is het hof anderszins van het bestaan ervan gebleken.
Een en ander betekent dat het hof ook het subsidiaire verzoek, namelijk het verzoek tot schorsing, zal afwijzen.
Het hof wijst af het verzoek.
BESCHIKKENDE
Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis;
Wijst af het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.
Aldus gedaan op 1 augustus 2019
door mr. R.A.T.M. Dekkers, voorzitter, mr. J.P.F. Rijken en mr. G.P.M.F. Mols, in tegenwoordigheid van mr. R. van Maaren, griffier.
Fiat betekening en tenuitvoerlegging:
's-Hertogenbosch,
De advocaat-generaal,
Gezien d.d.
De directeur van [Detentieplaats]
Uitspraak 27‑06‑2019
Inhoudsindicatie
Vordering gevangenhouding van het openbaar ministerie. De schorsing van het bevel bewaring van verdachte is opgeheven bij vonnis bij de politierechter. Het openbaar ministerie vordert nu de gevangenhouding. Het hof verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering.
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling strafrecht
Parketnummer Hof: [Ressortsparketnummer]
Parketnummer 1e aanleg: [Parketnummer]
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft gezien de vordering van de advocaat-generaal van
[Datum 1] strekkende tot gevangenhouding van
[Voornaam & achternaam]
geboren op [Geboortedatum] te [Geboorteplaats & -land]
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
thans gedetineerd in de [Detentieplaats] .
Het hof heeft gehoord in raadkamer van dit hof de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. E.W.B. van Twist.
Het hof heeft kennis genomen van het dossier.
Uit het dossier blijkt dat tegen verdachte op [Datum 2] een bevel bewaring is uitgevaardigd, welk bevel op dezelfde datum is geschorst. Verdachte is in deze zaak door de politierechter op [Datum 3] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, wegens kort gezegd diefstal met geweld.
Bij dit vonnis is tevens de schorsing van de voorlopige hechtenis opgeheven.
Krachtens artikel 66, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering blijft een bevel gevangenneming of een bevel gevangenhouding dat gegeven is op de terechtzitting, dan wel indien binnen de krachtens het eerste lid bepaalde termijn het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen, van kracht totdat zestig dagen na de dag van de einduitspraak zijn verstreken.
De wet kent een dergelijke bepaling niet voor het bevel bewaring. Derhalve is het hof van oordeel dat verdachte vanaf de dag na het vonnis op [Datum 3] gedetineerd is zonder recht of titel nu de politierechter heeft verzuimd een bevel gevangenhouding af te geven.
De wet kent voor een geval als dit geen expliciete mogelijkheid voor herstel van dit verzuim. Analoge toepassing van de herstelmogelijkheid als voorzien in artikel 66a van het Wetboek van Strafvordering is naar het oordeel van het hof niet aan de orde aangezien in gevallen van vrijheidsbeneming de daartoe strekkende wettelijke bepalingen stipt dienen te worden nageleefd. Het hof zal derhalve het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering gevangenhouding nu deze vordering niet tijdig is ingediend en de onmiddellijke invrijheidstelling van verdachte gelasten.
BESCHIKKENDE
Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering gevangenhouding;
Beveelt de onmiddellijke invrijheidstelling van verdachte.
Aldus gedaan op 27 juni 2019
door mr. R.A.T.M. Dekkers, voorzitter, mr. M.E.F.H. van Erve en mr. G.P.M.F. Mols, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. R. van Maaren, griffier.
Fiat betekening en tenuitvoerlegging:
's-Hertogenbosch,
De advocaat-generaal,
Gezien d.d.
De directeur van de [Detentieplaats]