Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes
Einde inhoudsopgave
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/10.6:10.6 Afsluiting
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/10.6
10.6 Afsluiting
Documentgegevens:
mr. L.S.A. Trapman, datum 19-02-2024
- Datum
19-02-2024
- Auteur
mr. L.S.A. Trapman
- JCDI
JCDI:ADS949716:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Allereerst kwam in dit hoofdstuk de vraag aan de orde of de wetgever zou moeten voorzien in een waarborg voor een democratische vaststelling van de kandidatenlijst. Een wettelijke regeling daaromtrent is te kwalificeren als een democratische versterkingsmaatregel, die een einde maakt aan de huidige situatie waarin het oordeel over de interne kandidaatstellingsprocedure van politieke partijen aan de kiezer is. Verschillende uitgangspunten voor vrije en eerlijke verkiezingen nopen tot het creëren van zo een wettelijke waarborg. Ik gaf ten eerste aan dat het algemeen kiesrecht daarvoor een basis biedt, nu dat uitgangspunt immers vereist dat burgers (in de hoedanigheid van partijleden) hun passieve kiesrecht kunnen uitoefenen en dus hun invloed op de kandidatenlijst moeten kunnen laten gelden. Ook het gelijke kiesrecht biedt een grondslag. Een regeling omtrent intern democratische kandidaatstelling zorgt ervoor dat het passieve kiesrecht, tot op zekere hoogte, voor iedere kiezer gelijkelijk gewaarborgd is, waarbij het niet uitmaakt bij welke partij de kiezer zich heeft aangesloten. Voor de vormgeving van de regeling putte ik vervolgens inspiratie uit het Duitse recht. Daarbij bleek dat een waarborg voor intern democratische kandidaatstelling alleen zin heeft als partijen leden hebben, in welk kader een (opnieuw aan het Duitse recht ontleend) verbod op een Aufnahmesperre moet worden ingevoerd.
Vervolgens besteedde ik aandacht aan de recentste poging om het kiesstelsel te wijzigen. De invoering van het Burgerforum Kiesstelsel zou de introductie van een onderscheid tussen een lijststem en een persoonsstem betekenen. Hier pleitte een aantal uitgangspunten juist tegen een dergelijke wijziging. Het uitgangspunt van effectiviteit betekent dat gewaakt moet worden voor een situatie waarin de evenwichtige samenstelling van Kamerfracties in gevaar komt. Daarnaast vereist het uitgangspunt van vertrouwen dat de verkiezingsprocedure helder van opzet moet zijn. Onder het Burgerforum Kiesstelsel zou de kiezer echter het zicht op zijn stem kwijtraken. Ten slotte wees ik op het gelijke kiesrecht, meer in het bijzonder de gelijkwaardigheid van stemmen. Onder het Burgerforum Kiesstelsel zal het aantal (persoons)stemmen dat genoeg is voor een Kamerzetel, per lijst verschillen. Op dit voorstel is zoveel fundamentele kritiek mogelijk dat het aanbeveling verdient om het stelsel niet in te voeren. Voor zover sprake is van een gebrekkige band tussen kiezer en gekozene ligt het niet voor de hand om een versterking van die band met een herziening van het kiesstelsel te bewerkstelligen. De politieke partijen hebben hier zelf een verantwoordelijkheid.
De paragrafen 4 en 5 behandelden twee aspecten van de kandidaatstellingsprocedure die problematisch zijn in het licht van het vrije kiesrecht. In paragraaf 4 kwam het fenomeen ‘lijstduwer’ aan de orde. Het gebruiken van lijstduwers is te kwalificeren als ongeoorloofde beïnvloeding van kiezers in de fase van de kandidaatstelling. Partijen geven kiezers daarmee immers een verkeerde voorstelling van zaken en gebruiken de kandidatenlijst in feite als campagnemiddel. Wanneer de wetgever het fenomeen zou willen uitbannen, loopt hij echter al snel tegen grenzen op: het formele karakter van de kandidaatstellingsprocedure en het vrije mandaat van Kamerleden staan hieraan in de weg. Wat rest is een moreel appel op partijen om niet van lijstduwers gebruik te maken. Paragraaf 5, ten slotte, besteedde aandacht aan de mogelijkheid tot regionale differentiatie in kandidatenlijsten, die een gevolg is van het feit dat Nederland is onderverdeeld in kieskringen. Ik kwam tot de conclusie dat de kieskringen moeten worden afgeschaft. Zij hebben in de praktijk nog maar weinig toegevoegde waarde, terwijl zij bezwaren oproepen in het licht van de vrije meningsvorming van kiezers. Zij zijn niet op de hoogte van kandidaten die in andere kieskringen op een lijst staan en aan wier verkiezing hun stem dus, zonder dat zij dat weten, kan meewerken. Daarnaast weten kiezers niet dat bepaalde kandidaten niet in alle kieskringen op de lijst staan en dus minder kans maken om verkozen te worden.