Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/1.1.1
1.1.1 De toestand van rechteloosheid in het internationale auteursrecht
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS461641:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de geschiedenis van het auteursrecht De Beaufort 1909, alsook Darras 1887; Ladas 1938, p. 12 e.v.; Doek 1963; Khadjavi-Goutard 1977, p. 1 e.v.; Ulmer 1980, p. 50 e.v.; Stewart 1989, p. 13 e.v.; Striknholm 1990, p. 3 e.v.; Seignette 1994, p. 7 e.v.
Darras 1887, p. 169; Stewart 1989, p. 15.
Stewart 1989, p. 16.
Zo beklaagde Luther zich in 1525 over de nadrukpraktijken, sprekend over straatrovers en dieven, zie Kok 1905, p. 16-17.
Vgl. Darras 1887, p. 173.
Darras 1887, p. 173 e.v.
Darras 1887, p. 170-190.
Darras 1887, p. 174-175.
Darras 1887, p. 178; uitvoerig: Briggs 1906, p. 82 e.v. Vgl. ook Foelix 1844, p. 761.
Darras 1887, p. 176-178.
Vgl. De Beaufort 1909, p. 4 e.v.; Van den Velden 1835; Romberg 1859, Tome II, p. 192-196; Van de Kasteele 1885, p. 36-49; Lyon-Caen & Delalain 1889, Tome I, p. 457; Kok 1905, p. 17 e.v. Het eerste privilege in de lage landen schijnt in 1516 te zijn verleend (De Beaufort 1909, p. 4).
Illustratief is de opmerking in 1660 van de gedupeerde Vondel: 'Tegens deze ongeschicktheit, en moetwillige boosheit schieten my geen wapens dan mijn gedult over?' (zie Van Lennep 1864, p. 144).
Darras 1887, p. 140 e.v.; Ladas 1938, p. 16-17. Bekend is de opmerking van Voltaire dat de Hollandse boekverkopers jaarlijks een miljoen verdienen omdat de Fransen vlug van geest zijn (zie De Beaufort 1909, p. 32).
Ladas 1938, p. 19.
De Beaufort 1909, p. 31 en p. 39 e.v.
Vgl. Briggs 1906, p. 57 e.v.; Ladas 1938, p. 31-33.
Ladas 1938, p. 21 en 33. Beschermd werden ook vreemde auteurs die woonachtig (`resident') waren in de Verenigde Staten.
Zo werd onder de vigeur van art. 6 van de auteurswet van 25 januari 1817 (Stb. 1817, 5) de vrijheid aangenomen om 'in de Nederlanden na te drukken de werken, die in een vreemd land uitkomen', zulks behoudens verdrag (aldus Rb. Amsterdam 12 januari 1848, Regtsgeleerd bijblad 1848, Deel X, p. 560). De auteurswet van 28 juni 1881 (Stb. 1881, 124) bracht daarin geen wezenlijke verandering (art. 27). Zie onder meer Van den Velden 1835, p. 167-170; Pataille & Huguet 1865, p. 270-276; Van de Kasteele 1885, p. 157; Darras 1887, p. 349; Bureau de l'Union, DdA 1891, p. 1-6; Veegens 1895, p. 176; De Beaufort 1909, p. 315; Peremans & Wijnstroom 1930, p. 115.
Kortheidshalve wordt in het vervolg van deze studie over de bescherming van vreemde auteurs gesproken, en niet over de bescherming van werken van vreemde auteurs.
Ratisbonne, Lermina & Pouillet 1889, p. 156-157. Laatstgenoemd systeem werd soms ook wel het 'territorialiteitsbeginsel' genoemd omdat er wordt scherpgesteld op de plaats van publicatie (vgl. Darras 1887, p. 566; Wauwermans 1894, p. 391; Bureau de l'Union, DdA 1895, p. 163 lk.; Röthlisberger 1906, p. 27; Bureau de l'Union, DdA 1910, p. 60). Die term kan echter tot verwarring aanleiding geven (vgl. bijvoorbeeld Briggs 1906, p. 186 e.v.).
Briggs 1906, p. 187.
Vgl. Röthlisberger 1906, p. 126. Volgens het Hof van Justitie van de EG geldt dat thans nog steeds, zie HvJ EG 30 juni 2005, nr. C-28/04, Jur. 2005, p. 1-5781 (Tod's/Heyraud), r.o. 24-26.
Steun voor deze zienswijze vindt men ook in het Tod's-arrest van het Hof van Justitie van de EG, zie noot 22 van dit hoofdstuk 1. Overigens is de eigenaardigheid niet exclusief, vgl. bijvoorbeeld art. 311 WvK (oud) dat de Nederlandse nationaliteit toekende aan zekere schepen (zie Kosters/Dubbink 1962, p. 542).
Zie alinea 44 hiervoor. De Nederlandse auteurswet van 25 januari 1817 wond er bijvoorbeeld geen doekjes om: zo werd ronduit geëist dat het werk 'gedrukt zij op eene nederlandsche drukkerij' en dat het 'eenen nederlandschen uitgever hebbe' (art. 6).
Klostermann 1867, p. 5-6.
Vgl. De Beaufort 1909, p. 53.
Briggs 1906, p. 34-56, die ook meldt dat de Nederlandse koning de internationale nadruk zelfs subsidieerde (Briggs 1906, p. 36 en p. 50).
Briggs 1906, p. 36-38.
Van den Velden 1835, p. 167-170.
42. Ontstaan van het auteursrecht. Het auteursrecht is, net als de andere intellectuele-eigendomsrechten, een relatief jong recht. Zijn wortels gaan terug tot de uitvinding van de boekdrukkunst in Europa in de vijftiende eeuw.1 Verschillende belangen convergeerden: zo hadden drukkers en uitgevers een belang bij bescherming van de vaak forse investeringen die met een publicatie waren gemoeid; vorsten en andere machthebbers zochten naar middelen om onwelgevallige werken te censureren — een streven dat vaak werd ingegeven door de wens om verspreiding van nieuwe religieuze ideeën (reformatie) tegen te gaan.2 En auteurs traden, onder invloed van de geest van renaissance en humanisme, geleidelijk uit hun middeleeuwse anonimiteit, en werden zich steeds meer bewust van hun auteurschap.
43. Privilegestelsel. In deze omstandigheden begonnen machthebbers privileges tegen nadruk toe te kennen, in het begin alleen aan drukkers en uitgevers, later ook aan auteurs. Deze privileges hielden doorgaans het exclusieve recht in om voor een bepaalde periode een werk te reproduceren en te verspreiden binnen het territoir van de machthebber die het privilege had verleend. Nadruk werd doorgaans bestraft met sancties als confiscatie, boete en soms schadevergoeding.3 In de praktijk liet de daadwerkelijke bescherming evenwel vaak te wensen over: nadruk en plagiaat waren meer regel dan uitzondering.4
44. Toekenning van privileges. Een algemene regel over de toekenning van privileges valt niet te geven. Zij werden op individuele basis, bij wijze van gunst, door de machthebber verleend. Niettemin kunnen in dit verband wel enkele hoofdlijnen worden ontwaard.5 Zo waren privileges vaak niet slechts voorbehouden aan de eigen onderdanen: zij werden ook wel aan vreemdelingen verleend, maar meestal ging het dan alleen om werken die de vreemde auteur had laten produceren in het land van de desbetreffende machthebber.6 Werken die voor het eerst in het buitenland waren gepubliceerd, kwamen meestal niet in aanmerking voor bescherming krachtens privilege en waren bijgevolg vogelvrij.7 Darras meldt dat de toenmalige praktijk kon worden samengevat in de volgende vuistregel: "Depuis qu'un livre a été une fois publié ou imprimé hors du royaume, aucun ne peut obtenir un privilège particulier pour l'imprimer en ce royaume."8 Achter dit uitgangspunt scholen politiek-economische belangen: op deze manier werd immers met name de eigen industrie, dat wil zeggen de eigen uitgevers en drukkers, bevoordeeld.9 Zo werd aan het werk als het ware een 'nationaliteit' toegekend: het droeg de nationaliteit van het land waar het voor het eerst was gepubliceerd10
45. Privilegestelsel in Nederland. Ook in onze contreien bestond een privilege-stelsel.11 De bescherming tegen nadruk stelde te onzent in de praktijk echter niet veel voor.12 Vooral in de zeventiende eeuw beleefden Nederlandse uitgevers en drukkers gouden tijden, met name dankzij Franse auteurs. Nederland was enerzijds een toevluchtsoord wegens zijn relatief grote vrijheid van drukpers, anderzijds was het een notoir centrum van nadruk.13
46. Wettelijk auteursrecht. Het systeem van privileges hield in de meeste landen tot in de achttiende eeuw stand. Allengs nam de druk toe om de rechten van de auteur bij wet te erkennen en te beschermen. De eerste auteurswet werd in Engeland in 1710 van kracht, later gevolgd door auteursrechtelijke regelingen in Denemarken en in enkele Amerikaanse staten. In Frankrijk bracht de Franse Revolutie wettelijke erkenning van het auteursrecht. In haar kielzog vond het auteursrecht in de eerste helft van de negentiende eeuw ook wettelijke verankering in grote delen van continentaal Europa.14 Ook — ofschoon betrekkelijk laat — in Nederland.15
47. Beperking bescherming nationale wetten; twee systemen. In deze nationale auteurswetten weerklonk in grote lijnen de toon die reeds in het tijdperk der privileges was gezet: nationale belangen dicteerden een beperking van de bescherming. In dat verband zijn twee hoofdlijnen zichtbaar.16 In sommige landen was de bescherming krachtens de auteurswet beperkt tot werken van nationale auteurs. Zo voorzag bijvoorbeeld de Amerikaanse auteurswet alleen in bescherming in de Verenigde Staten van — waar dan ook gepubliceerde — werken van nationale auteurs17 In de meeste nationale auteurswetten werd echter bepaald dat zij alleen van toepassing waren op nationale werken, dat wil zeggen op werken die voor het eerst in eigen land waren gepubliceerd ('werken van eigen bodem'), zulks ongeacht de nationaliteit van de auteur. Zo werd bijvoorbeeld in Nederland het vreemde werk niet beschermd, ook al was de auteur een Nederlander.18 De bescherming werd dus beperkt ofwel tot (werken van) nationale auteurs ofwel tot nationale werken.19 Men sprak in dit verband wel over le système de la nationalité de l'auteur' en le système de la nationalité de l'izeuvre'.20 Ook de combinatie van deze beperkingen kwam voor; de bescherming was dan beperkt tot nationale werken van nationale auteurs.
48. Dominant systeem: beperking tot werken. De beperking tot werken van eigen bodem voerde evenwel de boventoon. Zij lag immers het meest voor de hand, "for, while it is undoubtedly of advantage to a State to secure the publication of as many works as possible within its dominions, the publication of works abroad by its subjects or persones domiciled in it results in no gain whatever to its literature. As long as the country obtains the work, the nationality of the author matters little."21
In de praktijk was een onderscheid op dit punt overigens meer theoretisch van aard, omdat — zeker in die tijd — auteurs hun werken doorgaans voor het eerst in hun eigen land publiceerden.22 Een beperking tot werken van eigen bodem betekende in feite dus een beperking tot werken van eigen auteurs, en vice versa. Om deze reden wordt in de onderhavige studie de discriminatie van vreemde werken tot het vreemdelingenrecht gerekend, hoewel het vreemdelingenrecht strikt genomen alleen betrekking heeft op personen, en niet op zaken. Dit is een historisch gegroeide eigenaardigheid in het internationale auteursrecht.23
49. Toestand van rechteloosheid. De bescherming krachtens de nationale auteurswet was dus beperkt tot nationale werken en/of nationale auteurs. Het vreemde werk of de vreemde auteur bleef in een curieuze toestand achter: een toestand van volledige rechteloosheid. Dat is een toestand die wij tegenwoordig niet meer kennen. Vroeger lag dat anders. Ooit, in lang vervlogen tijden, was volledige rechteloosheid zeer gebruikelijk in het privaatrecht. Maar in de loop der tijd is dit verschijnsel in het privaatrecht uitgestorven, tegenwoordig komt deze toestand in het privaatrecht niet meer voor. In de negentiende eeuw was volledige rechteloosheid in het privaatrecht echter nog niet uitgestorven: het was toen weliswaar niet meer gebruikelijk, maar het was ook geen onbekend verschijnsel. Op sommige terreinen werd deze toestand van volledige rechteloosheid in stand gehouden, zoals in het auteursrecht. Daaraan lagen, zoals al eerder aan de orde kwam, nationale politiek-economische belangen ten grondslag.24 Zo constateerde Klostermann:
" Während längst dem Ausländer gestattet wurde, sein Eigenthum und seine Forderungsrechte im Inlande zu verfoIgen, galt für das im Auslande erworbene geistige Eigenthum des Schriftstellers, Künstlers und Erfinders fast vollständige Rechtlosigkeit. Der Grund dieser Erscheinung liegt offenbar darin, dass die Gegenseitigkeit der Verkehrsbeziehungen auf dem Gebiete des geistigen Eigenthumes nicht so offen zu Tage lag, als auf andern Verkehrsgebieten. Das Eigenthum und die Schuldforderungen des Auslandes zu schützen, lehrte das eigene handgreifliche Interesse des inländischen Handels, weil ohne diese Bedingung ein Verkehr mit dem Auslande nicht möglich war. Die Literatur einer fremden Nation unentgeltlich auszubeuten gilt aber noch heute in den Augen gewisser Staatsmänner und Nationalökonomen für angemessen und erlaubt." 25
50. Piraterij. Men drukte naar believen na, en dat werd in de negentiende eeuw steeds gemakkelijker en aantrekkelijker. Enerzijds kon men, door het voortschrijden der techniek, steeds sneller en goedkoper drukken en verspreiden. Anderzijds ontstond een groter publiek, doordat het onderwijs verbeterde en doordat de pers steeds belangrijker werd, waardoor meer ruchtbaarheid werd gegeven aan auteurs en hun werken.26 In sommige landen werd de internationale nadruk een zeer lucratieve aangelegenheid. In bijvoorbeeld Nederland en België ontstond een bloeiende tak van industrie.27 Met de auteur van het nagedrukte werk werd vrijwel geen rekening gehouden, en in die attitude scheen men niet veel kwaads te zien.28 Zo vond Van der Velden het anno 1835 "billijk" en "overeenkomstig met de belangen van de inlandsche nijverheid" dat de bescherming krachtens de Nederlandse auteurswet van 1817 was beperkt tot nationale werken.29