De rol van Nederlandse werknemers(vertegenwoordigers) bij een grensoverschrijdende juridische fusie
Einde inhoudsopgave
De rol van Nederlandse werknemers(vertegenwoordigers) bij een grensoverschrijdende juridische fusie (VDHI 119) 2013/5.7:5.7 Conclusie
De rol van Nederlandse werknemers(vertegenwoordigers) bij een grensoverschrijdende juridische fusie (VDHI 119) 2013/5.7
5.7 Conclusie
Documentgegevens:
mr. F.G. Laagland, datum 15-07-2013
- Datum
15-07-2013
- Auteur
mr. F.G. Laagland
- JCDI
JCDI:ADS392081:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk werd ingegaan op de implementatie van art. 16 Tiende Richtlijn in Nederland, Duitsland en België. De lidstaten hebben geworsteld met de implementatie van de complexe materie. Sommige bepalingen zijn vanuit de betreffende taalversie van de Tiende Richtlijn in het nationale recht overgenomen zonder aandacht te besteden aan de concrete invulling van de regels binnen de bestaande systematiek. Bij de bepalingen die wel zijn uitgewerkt, valt op dat de implementatie zich laat schetsen als één waarbij de lidstaten de nationale bril hebben opgehouden. De implementatie is veelal geschied vanuit de eigen tradities en ideeën waarbij weinig oog bestond voor de buitenlandse systematiek. Hoewel de techniek van een richtlijn daartoe in de regel mogelijkheden biedt, ligt dat bij de implementatie van de Tiende Richtlijn minder voor de hand. De Tiende Richtlijn heeft betrekking op een fusie waarbij vennootschappen en werknemers uit verschillende lidstaten zijn betrokken. In het verlengde daarvan bevat art. 16 Tiende Richtlijn meerdere transnationale bepalingen die behalve de rechtspositie van nationale vennootschappen en hun werknemers ook die van vennootschappen en hun werknemers uit andere lidstaten reguleren. Daar komt bij dat voor de toepassing van transnationale bepalingen vennootschappen, werknemers en medezeggenschapssystemen uit verschillende lidstaten relevant zijn. Een (te) nationale benadering kent het gevaar dat specifieke ‘exotische’ elementen uit een buitenlands rechtsstelsel ten onrechte buiten beschouwing worden gelaten.
Dit laatste gevaar manifesteert zich vooral bij de invulling van het Europese medezeggenschapsbegrip. Het begrip behelst de kern van het ‘voor en na-beginsel’ en vormt – zoals bleek in hoofdstuk 3 – de rode draad in de toepassing van art. 16 Tiende Richtlijn. De wijze waarop de lidstaten art. 16 Tiende Richtlijn hebben geïmplementeerd, toont aan dat verschillend wordt gedacht over de vraag of de invloed moet resulteren in een ‘echte’ werknemersvertegenwoordiger, de vraag in hoeverre de uitkomst van het medezeggenschapsrecht juridisch afdwingbaar moet zijn en de vraag welk belang toekomt aan concernmedezeggenschap. Een verschillende kijk op het medezeggenschapsbegrip vergroot de kans dat medezeggenschapsvormen uit de ene lidstaat in de andere lidstaat niet worden erkend en de voorafgaand aan de fusie bestaande medezeggenschap niet de bescherming geniet die art. 16 Tiende Richtlijn voorstaat. Een complicerende factor is dat bij een outbound fusie de buitenlandse instantie controleert of de medezeggenschapsregeling correct is toegepast en deze instantie over het algemeen niet bekend is met de medezeggenschapssystematiek uit andere lidstaten.