Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/1.1.3
1.1.3 Levering bij voorbaat als spilfiguur
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS474373:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Hof Amsterdam 21 december 2000, JOR 2001/46, m.nt. T.H.D. Struycken en HR 14 december 2001, JOR 2002/70, m.nt. H.L.E. Verhagen (Sisal II).
Vgl. art. 3:229 BW (pandrecht op vergoedingsvorderingen) en art. 3:246 lid 5 BW (pandrecht op het geïnde). Vgl. ook HR 17 februari 1995, NJ 1996/471, m.nt. W.M. Kleijn (Mulder q.q./CLBN), r.o. 3.3.3; en HR 23 april 1999, JOR 1999/109, m.nt H.L.E. Verhagen, NJ 2000/158, m.nt. W.M. Kleijn (Van Gorp q.q./Rabobank), r.o. 3.4. Zie echter ook HR 14 augustus 2015, JOR 2015/252, m.nt. A. Steneker (Glencore/Nationale Borg-Maatschappij), r.o. 3.7.4.
Vgl. art. 3:213 BW.
Zie bijvoorbeeld voor het Amerikaanse recht art. 9-315(a) UCC.
Vgl. UNCITRAL Secured Transactions, p. 23, onder (c).
Vgl. UNCITRAL Secured Transactions, p. 20, onder (b), p. 32-33 en p. 78; McCormack 2004, p. 15-16 en McCormack 2011, p. 60 e.v. Vgl. ook HR 3 februari 2012, JOR 2012/200, m.nt. B.A. Schuijling, NJ 2012/261, m.nt. F.M.J. Verstijlen (Dix q.q./ING), r.o. 4.9.2-4.9.3.
3. De reden dat de levering bij voorbaat een spilfiguur is voor het kredietverkeer houdt mede verband met het gegeven dat in het Nederlandse recht een figuur ontbreekt waarmee een zekerheidsrecht gevestigd kan worden op een ‘algemeenheid van goederen’ als zodanig, zoals een (deel van een) onderneming. Dergelijke figuren, zoals (vooralsnog) de Belgische inpandgeving van de handelszaak, de Franse nantissement de fonds de commerce, of de Anglo-Amerikaanse floating charge of floating lien, zijn het Nederlandse recht vreemd. Naar Nederlands recht kan echter een vergelijkbaar resultaat worden bereikt door de vestiging van zekerheid op alle huidige en toekomstige goederen van een zekerheidsgever.1
Daarnaast is het Nederlandse recht niet bijzonder toegeeflijk als de zekerheidsgerechtigde zijn aanspraken wil ‘verlengen’ naar de toekomstige vruchten of opbrengsten van het in onderpand gegeven goed. Wetgever en rechter blijken terughoudend in het aanvaarden en toepassen van regels van zaaksvervanging bij pand en hypotheek.2 De regeling van het vruchtgebruik kent daarentegen wél een uitgebreide regeling van zaaksvervanging: het vruchtgebruik strekt zich ook uit over al hetgeen in de plaats treedt van de aan het beperkte recht onderworpen goederen of daaraan ontleende voordelen.3 In andere rechtsstelsels wordt soms op veel ruimere schaal aangenomen dat het zekerheidsrecht zich uitstrekt over de opbrengsten van het onderpand.4 De beoefenaar van het Nederlandse recht zal ook hier moeten terugvallen op de figuur van de levering bij voorbaat.
De mogelijkheid om zekerheid op toekomstige goederen te verschaffen wordt thans internationaal beschouwd als een fundamenteel principe van een modern zekerhedenrecht.5 Dat schuldenaren tevens de waarde van hun toekomstige goederen kunnen inzetten ter verkrijging van krediet, kan leiden tot een vergroting van de hoeveelheid beschikbaar krediet. De mogelijkheid om in het heden toekomstige vermogensbestanddelen effectief in onderpand te geven, zonder de noodzaak van latere aanvullende documentatie of handelingen van partijen, draagt eraan bij dat zekerheids- rechten op een eenvoudige en efficiënte wijze kunnen worden gevestigd. Een dergelijk mechanisme kan bijdragen aan een vlot functionerend kredietverkeer en aan het beperken van de transactiekosten en de kosten van het krediet.6