type: APcoll:
Rb. Limburg, 21-12-2022, nr. C/03/274769 / HA ZA 20-116
ECLI:NL:RBLIM:2025:11828
- Instantie
Rechtbank Limburg
- Datum
21-12-2022
- Zaaknummer
C/03/274769 / HA ZA 20-116
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBLIM:2025:11828, Uitspraak, Rechtbank Limburg, 16‑04‑2025; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2022:10514
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2021:9585
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2023:6463
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2020:8220
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2022:5060
ECLI:NL:RBLIM:2023:6463, Uitspraak, Rechtbank Limburg, 01‑11‑2023; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2022:10514
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2021:9585
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2022:5060
Einduitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2025:11828
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2020:8220
ECLI:NL:RBLIM:2022:10514, Uitspraak, Rechtbank Limburg, 21‑12‑2022; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Einduitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2023:6463
Einduitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2025:11828
ECLI:NL:RBLIM:2022:5060, Uitspraak, Rechtbank Limburg, 29‑06‑2022; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Einduitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2025:11828
Einduitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2023:6463
ECLI:NL:RBLIM:2021:9585, Uitspraak, Rechtbank Limburg, 01‑12‑2021; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Einduitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2025:11828
Einduitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2023:6463
ECLI:NL:RBLIM:2020:8220, Uitspraak, Rechtbank Limburg, 21‑10‑2020; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Einduitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2023:6463
Einduitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2025:11828
Uitspraak 16‑04‑2025
Inhoudsindicatie
Civiel recht. Bodemzaak. Eindvonnis. Verzet ongegrond. Ontslaat deskundige.
Partij(en)
RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/274769 / HA ZA 20-116
Vonnis in verzet van 16 april 2025
in de zaak van
[oorspronkelijk gedaagde, thans opposant] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
oorspronkelijk gedaagde, thans opposant,
hierna te noemen: [oorspronkelijk gedaagde, thans opposant] ,
advocaat: mr. R.G.P. Voragen, thans geschorst voor onbepaalde tijd,
tegen
[oorspronkelijk eiser, thans geopposeerde] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
oorspronkelijk eiser, thans geopposeerde,
hierna te noemen: [oorspronkelijk eiser, thans geopposeerde] ,
advocaat: mr. B.M.M. Hepkema.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis van 1 november 2023,
- de brief van deskundige Zevenbergen van 17 april 2024,- de conclusie na (niet uitgevoerd) deskundigenbericht van [oorspronkelijk eiser, thans geopposeerde] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
Schorsing en hervatting
2.1.
Uit verkregen informatie is bekend geworden dat mr. Voragen is geschorst met ingang van 2 april 2024, waardoor het geding van rechtswege vanaf die datum is geschorst.
2.2.
Artikel 226 lid 1 Rv bepaalt dat in zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen, het geding van rechtswege wordt geschorst doordat de gestelde advocaat overlijdt of doordat hij zijn hoedanigheid van advocaat verliest; art. 225 lid 3 Rv bepaalt dat alle proceshandelingen, verricht nadat de schorsing is ingetreden, nietig zijn. Artikel 228 lid 1 Rv ziet op de hervatting van het geding, in welk geval artikel 228 lid 2 Rv bepaalt dat partijen opnieuw advocaat dienen te stellen.
2.3.
[oorspronkelijk eiser, thans geopposeerde] heeft bij brief van 11 juni 2024 aangegeven dat hij wenst dat het geding ingevolge artikel 228 Rv wordt hervat. [oorspronkelijk eiser, thans geopposeerde] heeft [oorspronkelijk gedaagde, thans opposant] bij exploot van
3 juli 2024 op de hoogte gesteld van de schorsing van het geding en de schorsingsoorzaak met daarbij de aanzegging dat het geding wordt hervat in de stand waarin het geding zich bij de schorsing bevond en dat door [oorspronkelijk gedaagde, thans opposant] een andere advocaat moet worden gesteld. [oorspronkelijk gedaagde, thans opposant] heeft geen nieuwe advocaat gesteld. Gelet op het vorenstaande is de zaak hervat en verwezen naar de rol van 20 november 2024 voor voortprocederen in de stand waarin de zaak zich bevond op 2 april 2024.
De verdere beoordeling
2.4.
Deze zaak gaat over de vraag of partijen een overeenkomst met een terugkoopoptie voor een bedrag van € 25.000,00 met betrekking tot perceel [kadasternummer] op 12 augustus 2003 zijn overeengekomen. De rechtbank heeft eerder overwogen dat nu [oorspronkelijk eiser, thans geopposeerde] een onderhandse akte als bewijsmiddel wil gebruiken, op hem de bewijslast en daarmee het bewijsrisico van de betwiste handtekening rust. Gelet op het vorenstaande is [oorspronkelijk eiser, thans geopposeerde] bij vonnis opgedragen overeenkomstig zijn stelling te bewijzen dat de handtekeningen op de overeenkomst van 12 augustus 2003 en bij het op 12 augustus 2003 gewijzigde bedrag op de volmacht van 14 juli 2003 van [oorspronkelijk gedaagde, thans opposant] afkomstig zijn.
2.5.
Bij vonnis van 21 december 2022 is een deskundigenbericht bevolen teneinde de handtekening onder de overeenkomst van 12 december 2003 en in de volmacht met kenmerk 0030376/MHA/12376 van 12 augustus 2003 te onderzoeken. Tot deskundige is eerder benoemd de heer [naam deskundige] (hierna: [naam deskundige] ), verbonden aan The Maastricht Forensic Institute. [naam deskundige] heeft laten weten dat hij zijn activiteiten als gerechtelijk deskundige in civiele zaken in Nederland heeft beëindigd en naar het buitenland is verhuisd. Daarbij hadden partijen nog geen onderzoeksmateriaal aan [naam deskundige] doen toekomen, zodat hij nog geen onderzoek had kunnen doen.
2.6.
Vervolgens is bij vonnis van 1 november 2023 [naam deskundige] op zijn verzoek ontslagen als deskundige en de heer P.L. Zevenbergen (hierna: Zevenbergen), forensisch schriftexpert, verbonden aan Justiniana forensisch schriftexperts, tot deskundige benoemd. Zevenbergen heeft bij brief van 17 april 2024 aan de rechtbank bericht dat hij ondanks veel schriftelijke en telefonische pogingen geen referentiemateriaal van [oorspronkelijk gedaagde, thans opposant] heeft mogen ontvangen. Bij de notaris zou één vergelijkingshandtekening beschikbaar kunnen zijn, maar met één vergelijkingshandtekening kan volgens Zevenbergen geen uitsluitsel worden gegeven over de authenticiteit van de betwiste handtekening. Gelet op het vorenstaande heeft Zevenbergen de aan hem verstrekte opdracht teruggeven aan de rechtbank. Hij zal dan ook als deskundige worden ontslagen. Omdat Zevenbergen inmiddels kosten heeft gemaakt, heeft hij een gespecificeerde declaratie opgesteld en aan de rechtbank overgelegd ter hoogte van een bedrag van € 229,90.
2.7.
[oorspronkelijk eiser, thans geopposeerde] heeft er in zijn conclusie na (niet uitgevoerd) deskundigenbericht onweersproken en terecht op gewezen dat [oorspronkelijk gedaagde, thans opposant] heeft geweigerd haar medewerking te verlenen aan het door de rechtbank bevolen deskundigenonderzoek. Ondanks het gegeven dat [oorspronkelijk gedaagde, thans opposant] door de deskundigen in staat is gesteld haar handtekening over te leggen, heeft zij dat, ondanks herhaaldelijk verzoek, niet gedaan noch heeft zij andere voor het onderzoek voldoende geschikte documenten overgelegd. Hoewel dit op haar weg lag, heeft [oorspronkelijk gedaagde, thans opposant] niet uitgelegd waarom zij, ondanks haar toezeggingen, niet alsnog andere documenten met daarop eerder geplaatste handtekeningen heeft overgelegd. Op een gewichtige reden voor haar gebrek aan medewerking heeft [oorspronkelijk gedaagde, thans opposant] zich niet beroepen. De rechtbank is van oordeel dat het derhalve, gelet op het bepaalde in artikel 198 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), op haar weg had gelegen om wel mee te werken aan het onderzoek. Nu [oorspronkelijk gedaagde, thans opposant] geen medewerking heeft verleend aan het door de rechtbank gelaste deskundigenonderzoek, staat het de rechtbank vrij om met toepassing van artikel 198 lid 3 Rv de gevolgtrekkingen te maken die zij geraden acht. De rechtbank acht het standpunt van [oorspronkelijk gedaagde, thans opposant] dat de handtekening onder de overeenkomst niet van haar is, niet langer geloofwaardig nu zij niet heeft meegewerkt aan het deskundigenonderzoek. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het standpunt van [oorspronkelijk eiser, thans geopposeerde] , dat hij op 12 augustus 2003 een overeenkomst met [oorspronkelijk gedaagde, thans opposant] heeft gesloten en die door haar is ondertekend, waarin partijen zijn overeengekomen dat [oorspronkelijk gedaagde, thans opposant] op eerste afroep van [oorspronkelijk eiser, thans geopposeerde] gehouden is het perceel [kadasternummer] aan [oorspronkelijk eiser, thans geopposeerde] te leveren voor een prijs van € 25.000,00 exclusief kosten, voor waar aannemen.
2.8.
Op grond van wat hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat het verzet ongegrond is. De vordering van [oorspronkelijk gedaagde, thans opposant] wordt dan ook worden afgewezen.
2.9.
Nu [oorspronkelijk gedaagde, thans opposant] in het ongelijk is gesteld zal zij worden veroordeeld om de proceskosten (inclusief nakosten) te betalen (vgl. Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1942). De proceskosten omvatten ook de kosten voor deskundige Zevenbergen ter hoogte van € 229,90. De rechtbank verwijst hiervoor naar de door deskundige Zevenbergen overgelegde factuur van 17 april 2024.
2.10.
De rechtbank zal voorts bepalen dat het restant van het eerder door [oorspronkelijk eiser, thans geopposeerde] betaalde voorschot op de kosten van de deskundige, te weten een bedrag van € 4.111,58, door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak terug aan [oorspronkelijk eiser, thans geopposeerde] zal worden overgemaakt.
2.11.
[oorspronkelijk gedaagde, thans opposant] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [oorspronkelijk eiser, thans geopposeerde] worden begroot op:
- kosten deskundige - salaris advocaat | € € | 229,90 1.842,00 | (3 punten × € 614,00) |
- nakosten | € | 178,00 | (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
Totaal | € | 2.249,90 |
3. De beslissing
De rechtbank
3.1.
verklaart het verzet ongegrond en wijst de vorderingen af,
3.2.
ontslaat als deskundige:
de heer P.L. Zevenbergen,
Justiniana forensische schriftexperts,
Correspondentieadres: Burgemeester Toornstralaan 2, 8051 NG Hattem,
Telefoon: 06 45430155 / 06 51289363
e-mailadres: jus@schriftexperts.nl
3.3.
bepaalt dat het restant van het eerder door [oorspronkelijk eiser, thans geopposeerde] betaalde voorschot op de kosten van de deskundige, te weten een bedrag van € 4.111,58, door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak terug aan [oorspronkelijk eiser, thans geopposeerde] zal worden overgemaakt,
3.4.
veroordeelt [oorspronkelijk gedaagde, thans opposant] in de proceskosten van € 2.249,90, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [oorspronkelijk gedaagde, thans opposant] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.E. Elzinga en in het openbaar uitgesproken op
16 april 2025.
AP
Uitspraak 01‑11‑2023
Inhoudsindicatie
Wegens pensionering heeft deskundige verzocht om zijn ontslag en met instemming van partijen is vervangen door een andere.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
zaaknummer / rolnummer: C/03/274769 / HA ZA 20-116
Vonnis van 1 november 2023
in de zaak van
[eiser, thans geopposeerde] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
oorspronkelijk eiser, thans geopposeerde,
advocaat mr. B.M.M. Hepkema,
tegen
[gedaagde, thans opposant] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
oorspronkelijk gedaagde, thans opposant,
advocaat mr. R.G.P. Voragen.
Partijen zullen hierna [gedaagde, thans opposant] en [eiser, thans geopposeerde] genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het vonnis van 21 december 2022,
- -
de brief van deskundige W. de Jong van 14 juli 2023,
- -
de reactie van [gedaagde, thans opposant] naar aanleiding van de brief van deskundige W. de Jong, ter griffie ontvangen op 24 juli 2023,
- -
de reactie van [eiser, thans geopposeerde] naar aanleiding van de brief van
deskundige W. de Jong, ter griffie ontvangen op 2 augustus 2023.
1.2.
Vervolgens heeft de rechtbank bij brief van 4 september 2023 partijen ervan in kennis gesteld dat zij voornemens is deskundige W. de Jong naar aanleiding van zijn verzoek te ontslaan en de heer P.L. Zevenbergen in zijn plaats als deskundige te benoemen. De rechtbank heeft partijen daarbij verzocht uiterlijk binnen veertien dagen te reageren.
1.3.
[eiser, thans geopposeerde] heeft bij brief van 13 september 2023, ter griffie ontvangen op
13 september 2023, laten weten in te stemmen met de door de rechtbank voorgedragen deskundige en offerte. [gedaagde, thans opposant] heeft niet gereageerd.
1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De beoordeling
2.1.
Bij vonnis van 21 december 2022 is een deskundigenbericht bevolen teneinde de handtekening onder de overeenkomst van 12 augustus 2003 en de in de volmacht met kenmerk 20030376/MHA/12376 van 12 augustus 2003 te onderzoeken. Tot deskundige is benoemd de heer W. de Jong, verbonden aan The Maastricht Forensic Institute. Daarbij is hem onder meer opgedragen om uiterlijk drie maanden, nadat hij door de griffier is bericht dat hij zijn werkzaamheden kan aanvangen, zijn schriftelijk en ondertekend rapport ter griffie in drievoud in te leveren.
2.2.
Bij brief van 14 juli 2023 heeft de heer De Jong bericht dat hij zijn activiteiten als gerechtelijk deskundige in civiele zaken in Nederland heeft beëindigd en inmiddels naar Hamburg (Duitsland) is verhuisd. Het adres van het TMFI in Maastricht is alleen nog een tijdelijk postadres dat is gekozen om lopende zaken uit het jaar 2022 af te kunnen handelen. Daarbij dient te worden opgemerkt dat partijen tot nu toe nog geen onderzoeksmateriaal aan de heer De Jong hebben doen toekomen, zodat hij nog geen onderzoek heeft kunnen doen. De heer De Jong verzoekt gelet op het vorenstaande een andere deskundige te benoemen.
2.3.
Uit het vorenstaande volgt dat de heer De Jong niet meer beschikbaar is om als deskundige op te treden. Hij zal dan ook als deskundige worden ontslagen.
2.4.
De heer P.L. Zevenbergen, forensisch schriftexpert, heeft zich desverzocht bereid verklaard om als deskundige te worden benoemd en vrij te staan in de procedure. Nu partijen geen bezwaren tegen zijn benoeming kenbaar hebben gemaakt, kan tot diens benoeming worden overgegaan.
2.5.
Het deskundigenonderzoek dient plaats te vinden zoals bij vonnis van
21 december 2022 (zie rov. 3.2. tot en met rov. 3.14.) door de rechtbank is beslist. Door [eiser, thans geopposeerde] is op 17 januari 2023 ten behoeve van het deskundigenonderzoek een voorschot gedeponeerd van € 4.341,48. Dit bedrag zal worden aangewend voor het deskundigenonderzoek dat door de heer Zevenbergen zal worden uitgevoerd.
3. De beslissing
De rechtbank
3.1.
ontslaat als deskundige:
de heer W. de Jong, Gerechtelijk deskundige NRGD,
The Maastricht Forensic Institute,
correspondentieadres: postbus 616, 6200 MD Maastricht,
telefoon: 085 1051410
e-mailadres: info@tmfi.nl,
3.2.
benoemt tot deskundige:
de heer P.L. Zevenbergen,
Justiniana forensisch schriftexperts,
correspondentieadres: Burgemeester Toornstralaan 2, 8051 NG Hattem,
telefoon: 06 45430155 / 06 51289363,
e-mailadres: jus@schriftexperts.nl
3.3.
bepaalt dat het voorschot binnen de daarvoor bepaalde termijn is ontvangen,
3.4.
bepaalt dat de zaak op de parkeerrol zal komen van 3 april 2024,
3.5.
draagt de griffier op de zaak op een eerdere rol te plaatsen na ontvangst ter griffie van het deskundigenbericht voor conclusie na deskundigenbericht aan de zijde van [gedaagde, thans opposant] , op een termijn van vier weken,
3.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.E. Elzinga en in het openbaar uitgesproken op 1 november 2023.1.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 01‑11‑2023
Uitspraak 21‑12‑2022
Inhoudsindicatie
Benoeming deskundige.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
zaaknummer / rolnummer: C/03/274769 / HA ZA 20-116
Vonnis van 21 december 2022
in de zaak van
[oorspronkelijke eiser, thans geopposeerde] ,
wonende te Brunssum,
oorspronkelijk eiser, thans geopposeerde,
advocaat mr. B.M.M. Hepkema,
tegen
[oorspronkelijke gedaagde, thans opposant] ,
wonend te [woonplaats 2] ,
oorspronkelijk gedaagde, thans opposant,
advocaat mr. R.G.P. Voragen.
Partijen zullen hierna [oorspronkelijke gedaagde, thans opposant] en [oorspronkelijke eiser, thans geopposeerde] genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 29 juni 2022,
- -
de akte inhoudende uitlaten deskundige van 29 juni 2022 van [oorspronkelijke eiser, thans geopposeerde] ,
- -
de akte uitlating van 13 juli 2022 van [oorspronkelijke gedaagde, thans opposant] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
2.1.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 29 juni 2022 de zaak naar de rol verwezen teneinde beide partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de persoon van de deskundige (r.o. 3.8.), de aan de deskundige te stellen vragen (r.o. 3.9.) en de offerte van de beoogd deskundige (r.o. 3.12.).
De persoon van de deskundige
2.2.
[oorspronkelijke eiser, thans geopposeerde] heeft naar voren gebracht dat zijn voorkeur uitgaat naar drie deskundigen in plaats van één deskundige. Hij verwijst hierbij naar het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 16 mei 2022. Ten aanzien van de aangedragen deskundige de heer De Jong en het bedrijf waaraan hij verbonden is, heeft [oorspronkelijke eiser, thans geopposeerde] geen bezwaar.
2.3.
[oorspronkelijke gedaagde, thans opposant] heeft zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd ten aanzien van het aantal deskundigen. [oorspronkelijke gedaagde, thans opposant] heeft geen bezwaar geuit over de persoon van de naar voren gebrachte deskundige. Verder heeft [oorspronkelijke gedaagde, thans opposant] aangegeven dat het aan de deskundige te betalen bedrag nu al vrij fors is, bij drie deskundigen worden die kosten nog veel hoger.
2.4.
De stelling van [oorspronkelijke eiser, thans geopposeerde] dat drie deskundigen dienen te worden benoemd, zal niet worden gevolgd. De rechtbank overweegt daartoe dat zij bij vonnis van 29 juni 2022 heeft geoordeeld dat één deskundige zal worden benoemd. In hetgeen [oorspronkelijke eiser, thans geopposeerde] bij akte naar voren heeft gebracht, ziet de rechtbank, zonder nadere onderbouwing die niet is verstrekt, mede in het licht van fors oplopende kosten, geen reden van haar eerdere overwegingen af te wijken.
De aan de deskundige te stellen vragen
2.5.
[oorspronkelijke eiser, thans geopposeerde] heeft zich ten aanzien van de te stellen vragen aangesloten bij de vragen van de rechtbank. [oorspronkelijke gedaagde, thans opposant] heeft bij akte nog de vraag naar voren gebracht of het voor de deskundige mogelijk is een vergelijking te maken als er geen sprake is van een origineel geschrift. Verder heeft [oorspronkelijke gedaagde, thans opposant] geen opmerkingen ten aanzien van de door de rechtbank gestelde vragen geplaatst.
2.6.
De rechtbank acht de door [oorspronkelijke gedaagde, thans opposant] naar voren gebrachte vraag van aanvullende waarde en zal deze dan ook hierna toevoegen aan de aan de deskundige te stellen vragen.
2.7.
De rechtbank zal daarbij, zoals in r.o. 3.10, van haar vonnis van 29 juni 2022 overwogen, aan de deskundige verzoeken om als vergelijkingsmateriaal te gebruiken de handtekening die [oorspronkelijke gedaagde, thans opposant] op 14 juli 2003 heeft gezet rechts onderaan de volmacht met kenmerk [kenmerk] (productie 13 van [oorspronkelijke eiser, thans geopposeerde] ) en die zij ter mondelinge behandeling van 16 mei 2022 als haar handtekening heeft erkend. Tevens zal de rechtbank, zoals door [oorspronkelijke eiser, thans geopposeerde] bij akte naar voren is gebracht, de deskundige verzoeken de kleurenkopie van het door [oorspronkelijke gedaagde, thans opposant] ter mondelinge behandeling overgelegde identiteitsbewijs, voor zover nodig, te gebruiken als vergelijkingsmateriaal.
De offerte van de beoogd deskundige
2.8.
Ten aanzien van de door de deskundige ingeschatte kosten hebben zowel [oorspronkelijke eiser, thans geopposeerde] als [oorspronkelijke gedaagde, thans opposant] geen bezwaar naar voren gebracht.
2.9.
De deskundige heeft een inzichtelijke begroting van de geschatte kosten overgelegd die de rechtbank reëel voorkomt. De rechtbank volgt derhalve de kostenbegroting en stelt deze vast op een bedrag van € 4.341,48 incl. btw.
2.10.
Nu beide partijen geen bezwaar hebben tegen de heer De Jong, zal de rechtbank hem in staat stellen als deskundige het onderzoek te verrichten. De rechtbank merkt daarbij op dat de heer De Jong, gelet op de aard van de werkzaamheden, daarbij de Leidraad deskundigen in civiele zaken dient te volgen.
2.11.
De rechtbank zal derhalve de onder de beslissing vermelde deskundige benoemen en de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige vaststellen op het in de beslissing vermelde bedrag.
2.12.
In de vorige beslissing is al aangekondigd door welke partij het voorschot op de kosten van de deskundige moet worden gedeponeerd.
2.13.
De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.
2.14.
Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige doet toekomen, dient zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij te verstrekken.
2.15.
De rechtbank ziet geen aanleiding om tussentijds hoger beroep van deze tussenbeslissing toe te staan. Zij wijst partijen op het arrest van 22 januari 2010 (LJN BK1639), waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat de beslissing over de partij die het voorschot moet betalen, moet worden aangemerkt als een beslissing in het kader van de voortgang en de instructie van de zaak waartegen geen appel mogelijk is.
3. De beslissing
De rechtbank
3.1.
benoemt tot deskundige:
W. de Jong, Gerechtelijk deskundige NRGD
The Maastricht Forensic Institute
correspondentieadres: Postbus 616, 6200 MD Maastricht
telefoon: 085 1051410
e-mailadres: info@tmfi.nl
3.2.
beveelt een onderzoek door de deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:
- 1.
Kunt u vaststellen of de handtekening onder de overeenkomst van 12 augustus 2003 (productie 2 bij exploot van dagvaarding van [oorspronkelijke eiser, thans geopposeerde] ) van [oorspronkelijke gedaagde, thans opposant] afkomstig is?
- 2.
Kunt u vaststellen of de handtekening in de volmacht getekend te [plaats] met kenmerk [kenmerk] (productie 13 van [oorspronkelijke eiser, thans geopposeerde] ) aan de linkerzijde van de kantlijn onder ‘voor akkoord’ met vermelding van de datum 12.08.2003 van [oorspronkelijke gedaagde, thans opposant] afkomstig is?
- 3.
Met welke mate van waarschijnlijkheid kunt u aangeven of deze handtekeningen, ieder afzonderlijk te beoordelen, wel of niet van [oorspronkelijke gedaagde, thans opposant] afkomstig zijn?
- 4.
Op grond van welke onderzoeksbevindingen bent u tot uw conclusie gekomen?
- 5.
Is het voor u mogelijk vast te stellen dat de handtekening van [oorspronkelijke gedaagde, thans opposant] afkomstig is als er geen sprake is van een origineel van [oorspronkelijke gedaagde, thans opposant] afkomstig geschrift?
- 6.
Welke andere feiten of omstandigheden, voortvloeiend uit het onderzoek, kunnen van belang zijn voor een goed begrip van de zaak?
3.3.
verzoekt de deskundige om als vergelijkingsmateriaal te gebruiken de handtekening die [oorspronkelijke gedaagde, thans opposant] op 14 juli 2003 heeft gezet rechts onderaan de volmacht met kenmerk [kenmerk] (productie 13 van [oorspronkelijke eiser, thans geopposeerde] ) en die zij ter mondelinge behandeling van 16 mei 2022 als haar handtekening heeft erkend,
3.4.
verzoekt de deskundige om de kleurenkopie van het door [oorspronkelijke gedaagde, thans opposant] ter mondelinge behandeling overgelegde identiteitsbewijs, voor zover nodig, te gebruiken als vergelijkingsmateriaal,
het voorschot
3.5.
stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige vast op het door de deskundige begrote bedrag van € 4.341,48,
3.6.
bepaalt dat [oorspronkelijke eiser, thans geopposeerde] het voorschot dient over te maken binnen twee weken na de datum van de nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak,
3.7.
draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,
het onderzoek
3.8.
bepaalt dat [oorspronkelijke eiser, thans geopposeerde] zijn procesdossier in afschrift aan de deskundige dient te doen toekomen,
3.9.
bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen,
3.10.
wijst de deskundige er op dat:
- -
de deskundige voor aanvang van het onderzoek dient kennis te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie),
- -
de deskundige het onderzoek pas na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot dient aan te vangen,
- -
de deskundige het onderzoek onmiddellijk dient te staken en contact dient op te nemen met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,
3.11.
bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige dienen te verstrekken indien deze daarom verzoekt, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid dienen te geven tot het verrichten van het onderzoek,
het schriftelijk rapport
3.12.
draagt de deskundige op om uiterlijk drie maanden na het schriftelijk bericht van de griffier omtrent de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend bericht in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie,
3.13.
wijst de deskundige er op dat:
- -
uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd,
- -
de deskundige een concept van het rapport aan partijen moet toezenden, opdat partijen de gelegenheid krijgen binnen vier weken daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden,
3.14.
bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,
overige bepalingen
3.15.
bepaalt dat de zaak op de parkeerrol zal komen van 4 oktober 2023,
3.16.
draagt de griffier op de zaak op een eerdere rol te plaatsen:
- -
indien het voorschot niet binnen de daarvoor bepaalde (eventueel verlengde) termijn is ontvangen: voor akte uitlating voortprocederen aan beide zijden op een termijn van twee weken of
- -
na ontvangst ter griffie van het deskundigenbericht: voor conclusie na deskundigenbericht aan de zijde van [oorspronkelijke gedaagde, thans opposant] op een termijn van vier weken.
3.17.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.E. Elzinga en in het openbaar uitgesproken op
21 december 2022.1.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 21‑12‑2022
type: AP
Uitspraak 29‑06‑2022
Inhoudsindicatie
Civiel recht. Onderzoek gelast naar echtheid van handtekeningen.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
zaaknummer / rolnummer: C/03/274769 / HA ZA 20-116
Vonnis van 29 juni 2022
in de zaak van
[eiser, thans geopposeerde] ,
wonend te [woonplaats 1] ,
oorspronkelijk eiser, thans geopposeerde,
advocaat mr. B.M.M. Hepkema,
tegen
[gedaagde, thans opposant] ,
wonend te [woonplaats 2] ,
oorspronkelijk gedaagde, thans opposant,
advocaat mr. R.G.P. Voragen,
Partijen zullen hierna [gedaagde, thans opposant] en [eiser, thans geopposeerde] genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het vonnis van 1 december 2021,
- -
de akte van [gedaagde, thans opposant] met de daarbij gevoegde productie,
- -
de akte van [eiser, thans geopposeerde] met de daarbij gevoegde producties 12 en 13,
- -
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 16 mei 2022.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
In aanvulling op het vonnis van 1 december 2021 stelt de rechtbank de volgende feiten vast.
2.2.
[gedaagde, thans opposant] is op 4 augustus 2001 in Polen gehuwd met de heer [naam] (hierna: [naam] ). Haar achternaam is daardoor veranderd in ‘ [naam] ’.
2.3.
Op 14 juli 2003 heeft [gedaagde, thans opposant] bij notaris [naam notaris 1] te [vestigingsplaats] een ‘volmacht tot aanvaarding van registergoed’ getekend (productie 13 van [eiser, thans geopposeerde] ). De handtekening rechts onder op deze volmacht is van [gedaagde, thans opposant] .
2.4.
Het huwelijk tussen [gedaagde, thans opposant] en [naam] heeft geduurd tot 12 maart 2013.
[gedaagde, thans opposant] is ook daarna de achternaam van haar voormalige echtgenoot blijven gebruiken.
2.5.
In een bericht van notaris [naam notaris 2] van 17 januari 2022 staat, voor zover thans van belang, geciteerd het volgende vermeld:
‘Naar aanleiding van uw verzoek van vrijdag 14 januari jongstleden en rechtsoverweging 4.2.3 van het vonnis van de Rechtbank Limburg van 1 december 2021 en de inhoud van de akte van levering van 18 november 2020 verklaar ik hierbij dat een bedrag van € 24.914,85 nog steeds op mijn kwaliteitsrekening wordt aangehouden ten behoeve van de verkoper, [gedaagde, thans opposant] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] .
Ten overvloede verwijs ik naar hetgeen in de akte van levering is opgenomen
onder het kopje “Kwijting”.
KWIJTING
Koper heeft de koopprijs en de aankoopkosten van Verkoper voldaan door:
a. verrekening met de proceskosten ad duizend vijfhonderdvijfentachtig euro
en vijftien eurocent (€1.585,15);
het restant ad vierentwintigduizend negenhonderd veertien euro en
vijfentachtig cent (€24.914,85) door overboeking op een kwaliteitsrekening
van mij notaris.
Koper is voor de betaling van de koopprijs gekwiteerd door en namens de
Verkoper mede omdat ik notaris deze koopsom en de aankoopkosten na deze
levering van het registergoed en correcte inschrijving van deze akte in de
Openbare Registers uitsluitend voor Verkoper onder mij zal houden tot het
moment dat Verkoper mij notaris schriftelijk om uitbetaling van die koopsom zal
verzoeken.’
3. De beoordeling
3.1.
[eiser, thans geopposeerde] stelt dat hij op 12 augustus 2003 een overeenkomst met [gedaagde, thans opposant] heeft gesloten, waarin partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde, thans opposant] op eerste afroep van [eiser, thans geopposeerde] gehouden is het perceel [kadasternummer] aan [eiser, thans geopposeerde] te leveren voor een prijs van
€ 25.000,00 exclusief kosten (productie 2 van [eiser, thans geopposeerde] ). Dit blijkt zowel uit die overeenkomst, als uit de ‘volmacht tot aanvaarding van registergoed’ die door [gedaagde, thans opposant] is ondertekend op 14 juli 2003 (productie 13 van [eiser, thans geopposeerde] ), en waarin [gedaagde, thans opposant] op 12 augustus 2003 haar handtekening aan de linkerzijde van de kantlijn heeft gezet voor akkoord met de wijziging van het in die volmacht vermelde bedrag van €15.000,00 naar € 25.000,00.
3.2.
[gedaagde, thans opposant] betwist dat zij op 12 augustus 2003 een overeenkomst met [eiser, thans geopposeerde] heeft gesloten. Zij heeft voormelde – door [eiser, thans geopposeerde] slechts in kopie overgelegde – overeenkomst niet ondertekend. Voorts heeft zij ook niet op 12 augustus 2003 met haar handtekening geaccordeerd dat het bedrag in de volmacht van 14 juli 2003 van € 15.000,00 naar € 25.000,00 is gewijzigd. De handtekening die bij de volmacht aan de linkerzijde van de kantlijn bij ‘voor akkoord’ is gezet en waar 12.08.2003 bij is geschreven, is niet van haar.
3.3.
De vraag of partijen een overeenkomst met een terugkoopoptie voor een bedrag van € 25.000,00 met betrekking tot perceel [kadasternummer] op 12 augustus 2003 zijn overeengekomen, moet worden beantwoord aan de hand van de bepalingen over aanbod en aanvaarding. De overeenkomst met een terugkoopoptie voor een bedrag van € 25.000,00 kan worden aangenomen, indien dit door partijen is overeengekomen.
3.4.
Het gaat bij dit geschilpunt over de vraag of een onderhands stuk, dat als akte wordt tegengeworpen aan een persoon wiens handtekening volgens degene die zich op dat stuk beroept, daarop is gesteld, als akte bewijskracht heeft tegenover die persoon. Daarvoor is ingevolge art. 156 lid 1 Rv vereist dat het stuk is bestemd om tot bewijs te dienen en is ondertekend door de partij tegen wie het als bewijsmiddel wordt gebruikt. Uit art. 159 lid 2 Rv blijkt dat een onderhandse akte bewijskracht mist indien de ondertekening door de partij tegen wie die akte dwingend bewijs zou opleveren, stellig ontkent dat de onder het stuk aanwezige handtekening van hem afkomstig is, zolang niet bewezen is van wie die handtekening afkomstig is. Dat is hier het geval. Nu het hier gaat om een onderhandse akte, die [eiser, thans geopposeerde] als bewijsmiddel wil gebruiken, rust op hem de bewijslast en daarmee het bewijsrisico van de echtheid van de betwiste handtekening.
3.5.
Gelet op het vorenstaande dient [eiser, thans geopposeerde] overeenkomstig zijn stelling te bewijzen dat de handtekeningen op de overeenkomst van 12 augustus 2003 en bij het op
12 augustus 2003 gewijzigde bedrag op de volmacht van 14 juli 2003 van [gedaagde, thans opposant] afkomstig zijn.
3.6.
De rechtbank ziet, zoals ook namens [eiser, thans geopposeerde] is voorgesteld, aanleiding om een deskundigenbericht te gelasten omtrent zowel de echtheid van de handtekening op de betreffende overeenkomst en de handtekening die bij het gewijzigde bedrag is geplaatst op de volmacht van 14 juli 2003 aan de linkerzijde van de kantlijn onder ‘voor akkoord’.
3.7.
De deskundige dient indien mogelijk te beschikken over de originele overeenkomst. [eiser, thans geopposeerde] heeft ter mondelinge behandeling echter verklaard dat hij niet in staat is de originele overeenkomst over te leggen. Gelet hierop dient de deskundige het onderzoek te verrichten aan de hand van een kopie van de betreffende overeenkomst. De gevolgen hiervan voor het onderzoek komen voor risico van [eiser, thans geopposeerde] , nu hij de bewijslast en daarmee het bewijsrisico draagt.
3.8.
De rechtbank is voorlopig van oordeel dat kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige. De rechtbank stelt partijen voor als deskundige te benoemen
W. de Jong, verbonden aan The Maastricht Forensic Institute te Maastricht. Deze deskundige staat geregistreerd in het Landelijk Register voor Gerechtelijk Deskundigen. De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen zich er over uit te laten of zij kunnen instemmen met deze persoon. De deskundige heeft de rechtbank laten weten dat het hem vrijstaat om deze zaak in behandeling te nemen.
3.9.
De rechtbank is voornemens de volgende vragen aan de deskundige te stellen:
- 1.
Kunt u vaststellen of de handtekening onder de overeenkomst van 12 augustus 2003 (productie 2 bij exploot van dagvaarding van [eiser, thans geopposeerde] ) van [gedaagde, thans opposant] afkomstig is?
- 2.
Kunt u vaststellen of de handtekening in de volmacht getekend te [vestigingsplaats] met kenmerk 20030376/MHA/12376 (productie 13 van [eiser, thans geopposeerde] ) aan de linkerzijde van de kantlijn onder ‘voor akkoord’ met vermelding van de datum 12.08.2003 van [gedaagde, thans opposant] afkomstig is?
- 3.
Met welke mate van waarschijnlijkheid kunt u aangeven of deze handtekeningen, ieder afzonderlijk te beoordelen, wel of niet van [gedaagde, thans opposant] afkomstig zijn?
- 4.
Op grond van welke onderzoeksbevindingen bent u tot uw conclusie gekomen?
- 5.
Welke andere feiten of omstandigheden, voortvloeiend uit het onderzoek, kunnen van belang zijn voor een goed begrip van de zaak?
3.10.
De rechtbank is voornemens aan de deskundige voor te stellen om als vergelijkingsmateriaal te gebruiken de handtekening die [gedaagde, thans opposant] op 14 juli 2003 heeft gezet rechts onderaan de volmacht met kenmerk 20030376/MHA/12376 (productie 13 van [eiser, thans geopposeerde] ) en die zij ter mondelinge behandeling van 16 mei 2022 als haar handtekening heeft erkend.
3.11.
De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen zich bij akte over de vraagstelling en het door de deskundige te gebruiken vergelijkingsmateriaal uit te laten.
3.12.
De rechtbank heeft een offerte opgevraagd bij de beoogd deskundige. Deze heeft op 16 juni 2022 laten weten dat de kosten van het forensisch schriftonderzoek in deze zaak op circa € 4.341,48 incl. btw worden geschat. De offerte zal de rechtbank ter goedkeuring aan partijen voorleggen, waarna zij bij akte kunnen reageren.
3.13.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat het voorschot door de eisende partij dient te worden betaald. Het voorschot dient derhalve door [eiser, thans geopposeerde] te worden betaald nu ook hij de bewijslast draagt.
3.14.
In afwachting van de aktewisseling houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan.
4. De beslissing
De rechtbank
4.1.
verwijst de zaak naar de rol van 13 juli 2022 voor akte uitlating partijen over de persoon van de deskundige (r.o. 3.8.), de vragen aan de deskundige (r.o. 3.9.) en de offerte van de beoogd deskundige (r.o. 3.12.),
4.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.E. Elzinga en in het openbaar uitgesproken op
29 juni 2022.1.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 29‑06‑2022
type: APcoll:
Uitspraak 01‑12‑2021
Inhoudsindicatie
Vonnis in verzet, termen aanwezig voortzetting mondelinge behandeling, verzoek tot verstrekken informatie.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
zaaknummer / rolnummer: C/03/274769 / HA ZA 20-116
Vonnis in verzet van 1 december 2021
in de zaak van
[eiser, gedaagde in het verzet] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
eiser,
gedaagde in het verzet,
advocaat mr. B.M.M. Hepkema te Maastricht,
tegen
[gedaagde, eiseres in het verzet] ,
wonende in [woonplaats 2] ,
gedaagde,
eiseres in het verzet,
advocaat mr. R.G.P. Voragen te Heerlen.
Partijen zullen hierna worden aangeduid als [eiser, gedaagde in het verzet] , respectievelijk [gedaagde, eiseres in het verzet] .
1. De procedure
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- - het door deze rechtbank op 15 januari 2015 tussen [eiser, gedaagde in het verzet] en [gedaagde, eiseres in het verzet] bij verstek gewezen vonnis onder zaaknummer / rolnummer C/03/183107 / HA ZA 13/321,
- de verzetdagvaarding (aan te merken als de conclusie van antwoord),
- -
het door deze rechtbank op 21 oktober 2020 gewezen vonnis in verzet waarbij [gedaagde, eiseres in het verzet] ontvankelijk is verklaard in haar verzet
- -
de conclusie van eis in oppositie van [gedaagde, eiseres in het verzet]
- -
de dagbepaling mondelinge behandeling
- -
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling gehouden op 22 september 2021
- -
de akte van [gedaagde, eiseres in het verzet] van 27 oktober 2021 met 3 producties
- -
de akte van [eiser, gedaagde in het verzet] van 27 oktober 2021 met 3 producties
- -
de akte van [gedaagde, eiseres in het verzet] van 3 november 2021.
1.2.
De behandelend rechter heeft de zaak aangehouden om te beslissen of een voortzetting van de mondelinge behandeling zal worden gelast. Vervolgens heeft de rechtbank vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
Bij akte van levering van 8 augustus 2003, verleden voor [naam notaris 1] te Brunssum, heeft [eiser, gedaagde in het verzet] aan [gedaagde, eiseres in het verzet] , bij die transactie vertegenwoordigd door [naam gevolmachtigde] als haar schriftelijk gevolmachtigde, geleverd het opslagterrein, gelegen aan de [adres] te [plaats] , kadastraal bekend [kadasternummer] , groot 21 are. De koopprijs bedroeg € 25.000,-- en is ‘tussen partijen verrekend door middel van rechtstreekse betaling door koper aan verkoper’, aldus die akte. Uit de akte blijkt voorts dat op dit perceel een voorkeursrecht van de gemeente Brunssum van toepassing is. Deze akte is op 11 augustus 2003 in de kadastrale registers ingeschreven.
2.2.
Op 1 juli 2013 heeft [eiser, gedaagde in het verzet] conservatoir beslag laten leggen op voormeld perceel, uit kracht van grosse van een op 27 juni 2013 door de Voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht gegeven beschikking.
2.3.
Op 15 januari 2014 heeft de rechtbank Limburg, locatie Maastricht in een bij verstek tegen [gedaagde, eiseres in het verzet] gewezen vonnis met zaaknummer/rolnummer C/03/183107/ HA ZA 13-321:
2.3.1.
voor recht verklaard dat de overeenkomst van 12 augustus 2003 valt aan te merken als een koopovereenkomst ex artikel 7:1 BW,
2.3.2.
bepaald dat dit vonnis ex artikel 3:300 lid 2 BW, na het verstrijken van 14 dagen te rekenen vanaf de betekening van dit vonnis aan [gedaagde, eiseres in het verzet] , in de plaats treedt van het deel van de notariële leveringsakte dat de verklaring van [gedaagde, eiseres in het verzet] behelst, inhoudende de overeenstemming over de eigendomsovergang door levering aan [eiser, gedaagde in het verzet] van het registergoed, kadastraal aangeduid als “ [kadasternummer] ”, met inbegrip van de handtekening van [gedaagde, eiseres in het verzet] onder de notariële leveringsakte,
2.3.3.
[gedaagde, eiseres in het verzet] veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van [eiser, gedaagde in het verzet] tot op heden begroot op € 1.585,16,
2.3.4.
voor recht verklaard dat [eiser, gedaagde in het verzet] de door hem te betalen koopprijs ex artikel 6:127 BW bevoegdelijk mag verrekenen met de in dit vonnis toegewezen proceskosten, en
2.3.5.
het vonnis wat betreft de onder 2.3.2 en 2.3.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.4.
Bij akte van levering verleden op 18 november 2020 voor [naam notaris 2] te Maastricht, heeft [eiser, gedaagde in het verzet] het perceel gelegen aan de [adres] te [plaats] , kadastraal bekend als [kadasternummer] , groot 3 are en 31 centiare, geleverd gekregen voor een koopprijs van € 25.000,-- te vermeerderen met de aankoopkosten van [gedaagde, eiseres in het verzet] , begroot op € 1.500,--. [eiser, gedaagde in het verzet] heeft met de koopprijs verrekend een bedrag van € 1.585,15 wegens proceskosten en het restant van € 24.914, 85 overgeboekt op een kwaliteitsrekening van de notaris, aldus de akte. Deze akte is op 18 november 2020 in de kadastrale registers ingeschreven.
3. Het geschil
3.1.
[eiser, gedaagde in het verzet] heeft bij exploot van 25 juli 2013 gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
Primair:
- 1.
voor recht verklaart dat de overeenkomst van 12 augustus 2003 valt aan te merken als een koopovereenkomst ex artikel 7:1 BW,
- 2.
voor recht verklaart dat onderhavig vonnis ex artikel 3:300 lid 2 BW na het verstrijken van veertien dagen te rekenen vanaf de betekening van dit vonnis aan [gedaagde, eiseres in het verzet] , in de plaats treedt van de gehele notariële akte, dan wel van dat deel van de notariële leveringsakte waarvoor de medewerking van [gedaagde, eiseres in het verzet] vereist is in het kader van de levering van het registergoed, kadastraal aangeduid als ‘ [kadasternummer] ’,
Subsidiair:
3. voor recht verklaart dat de betekening van de inleidende dagvaarding heeft te gelden als een aanvaarding in de zin van artikel 6:219 lid 3 BW juncto artikel 6:217 lid 1 BW en dat dientengevolge op een door de rechtbank te bepalen datum een koopovereenkomst ex artikel 7:1 BW tussen partijen tot stand is gekomen, welke betrekking heeft op de koop van het perceel dat kadastraal is aangeduid als ‘ [kadasternummer] ”,
4. voor recht verklaart dat onderhavig vonnis ex artikel 3:300 lid 2 BW na het verstrijken van veertien dagen te rekenen vanaf de betekening van dit vonnis aan [gedaagde, eiseres in het verzet] , in de plaats treedt van de gehele notariële akte, dan wel van dat deel van de notariële leveringsakte waarvoor de medewerking van [gedaagde, eiseres in het verzet] vereist is in het kader van de levering van het registergoed, kadastraal aangeduid als ‘ [kadasternummer] ’,
Primair en subsidiair:
5. [gedaagde, eiseres in het verzet] veroordeelt in de kosten van deze procedure, alsmede de gemaakte beslagkosten (daaronder mede begrepen griffierecht, deurwaarderskosten en griffierecht),
6. voor recht verklaart dat de door [eiser, gedaagde in het verzet] te betalen koopprijs ex artikel 6:127 BW bevoegdelijk mag worden verrekend met de in dit vonnis toe te wijzen proceskosten, ingeval van een toewijzend vonnis.
3.2.
[gedaagde, eiseres in het verzet] betwist dat zij met [eiser, gedaagde in het verzet] de door hem gestelde koopoptie of koopovereenkomst van 12 augustus 2003 is overeengekomen. Zij betwist dat de handtekening die op dit document staat van haar is. Zowel haar voornaam als haar achternaam zijn onjuist geschreven. Subsidiair stelt zij dat haar toenmalig echtgenoot [naam] het document niet heeft getekend.
4. De beoordeling
4.1.
De rechtbank acht termen aanwezig om eerst de mondelinge behandeling voort te zetten voordat tot inhoudelijke beoordeling wordt overgegaan. De rechtbank verzoekt partijen hun verhinderdata in de periode januari tot en met mei 2022 op te geven en voorts de hierna genoemde informatie te verstrekken.
4.2.
De rechtbank verzoekt [eiser, gedaagde in het verzet] :
4.2.1.
de notariële volmacht ten behoeve van de vertegenwoordiging van [gedaagde, eiseres in het verzet] door [naam gevolmachtigde] bij het passeren van de leveringsakte van 8 augustus 2003 in gewaarmerkte kopie over te leggen,
4.2.2.
onderbouwd met stukken kenbaar te maken vanaf welke bankrekening van [gedaagde, eiseres in het verzet] de koopsom destijds aan [eiser, gedaagde in het verzet] is betaald en op welke bankrekening van [eiser, gedaagde in het verzet] die koopsom toen is gestort,
4.2.3.
over te leggen een verklaring van notaris Thissen waaruit blijkt of het restant van de koopsom nog steeds op zijn kwaliteitsrekening staat.
4.3.
De rechtbank verzoekt [gedaagde, eiseres in het verzet] :
4.3.1.
kenbaar te maken wat de datum van ontbinding is van haar huwelijk met de heer [naam] ,
4.3.2.
onderbouwd met stukken kenbaar te maken wat op dit moment haar officiële achternaam is volgens Pools namenrecht,
4.3.3.
onderbouwd met stukken haar NAW-gegevens kenbaar te maken,
4.3.4.
de notariële volmacht ten behoeve van haar vertegenwoordiging door [naam gevolmachtigde] bij het passeren van de leveringsakte van 8 augustus 2003 in gewaarmerkte kopie over te leggen.
4.4.
In afwachting van de voortzetting van de mondelinge behandeling zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.
5. De beslissing
De rechtbank
5.1.
beveelt in het kader van een voortzetting van de mondelinge behandeling een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen het nader onderbouwen van hun stellingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. W.E. Elzinga in het gerechtsgebouw te Maastricht op een nader te bepalen tijdstip,
5.2.
bepaalt dat de partijen dan in persoon aanwezig moeten zijn,
5.3.
verwijst de zaak naar de rol van 15 december 2021 voor opgave verhinderdata door beide partijen in de periode januari tot en met mei 2022,
5.4.
bepaalt dat de in de overwegingen 4.2 en 4.3 opgevraagde informatie uiterlijk tien dagen voor de dag van de mondelinge behandeling aan de rechtbank en de wederpartij moet zijn toegestuurd,
5.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.E. Elzinga en in het openbaar uitgesproken op 1 december 2021.1.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 01‑12‑2021
type: WE
Uitspraak 21‑10‑2020
Inhoudsindicatie
Rb oordeelt verzet ontvankelijk; hecht inleidende dagv. en daarbij gevoegde stukken aan tussenvonnis, omdat oorspronkelijk eiser -naar onbetwist als vaststaand door rb wordt aangenomen- volgens ged. weigert die stukken aan ged. ter beschikking te stellen
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
zaaknummer: C/03/274769 / HA ZA 20-116
Vonnis in verzet van 21 oktober 2020 (bij vervroeging)
in de zaak van
[oorspronkelijk eiser, thans geopposeerde] ,
wonend te [woonplaats 1] ,
oorspronkelijk eiser, thans geopposeerde,
advocaat mr. B.M.M. Hepkema;
tegen:
[oorspronkelijke gedaagde, thans opposante] ,
in deze procedure woonplaats kiezend te [woonplaats 2] ,
oorspronkelijk gedaagde, thans opposante,
advocaat mr. R.G.P. Voragen.
Partijen zullen hierna [oorspronkelijk eiser, thans geopposeerde] en [oorspronkelijke gedaagde, thans opposante] genoemd worden.
1. Het verdere verloop van de procedure
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de rolbeslissing van 13 mei 2020;
- -
de conclusie van repliek (lees: de conclusie van antwoord in oppositie);
- -
de conclusie van repliek in oppositie.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Ten aanzien van de ontvankelijkheid
2.1.
Het verstekvonnis van 15 januari 2014 waartegen het verzet zich richt, is op 17 januari 2014 betekend aan het parket van het Openbaar Ministerie te Maastricht.
2.2.
Op 13 februari 2020 heeft [oorspronkelijke gedaagde, thans opposante] de verzetdagvaarding aan [oorspronkelijk eiser, thans geopposeerde] doen betekenen.
3. Het geschil
Ten aanzien van de ontvankelijkheid
3.1.
[oorspronkelijke gedaagde, thans opposante] stelt in de verzetdagvaarding dat zij eerst recent bekend is geraakt met het verstekvonnis.
3.2.
[oorspronkelijk eiser, thans geopposeerde] stelt dat [oorspronkelijke gedaagde, thans opposante] niet-ontvankelijk is in haar verzet, omdat zij dit te laat heeft ingesteld. [oorspronkelijk eiser, thans geopposeerde] stelt dat de verzettermijn van artikel 143 lid 2 Rv op 29 januari 2015 is aangevangen, toen zijn advocaat het verstekvonnis heeft gezonden aan de toenmalige advocaat van [oorspronkelijke gedaagde, thans opposante] , mr. Loonen. Voorts verwijst [oorspronkelijk eiser, thans geopposeerde] naar de toezending van het verstekvonnis per e-mail op 13 november 2019 aan mr. Baltus, de toenmalige advocaat van [oorspronkelijke gedaagde, thans opposante] . Hieruit blijkt dat [oorspronkelijke gedaagde, thans opposante] tot tweemaal toe op de hoogte is gesteld van de inhoud van het vonnis. Ook binnen vier weken na 13 november 2019 is de verzetdagvaarding niet uitgebracht.
4. De beoordeling
Ten aanzien van de ontvankelijkheid
4.1.
Allereerst dient te worden beoordeeld of [oorspronkelijke gedaagde, thans opposante] ontvankelijk is in haar verzet tegen het verstekvonnis van 15 januari 2014.
4.2.
Uitgangspunt is het bepaalde in artikel 143 lid 2 Rv. Het verzet moet worden gedaan binnen vier weken (acht weken indien gedaagde buiten Nederland een bekende woon- of verblijfplaats heeft): 1) nadat het vonnis aan gedaagde in persoon is betekend, of 2) na het plegen door gedaagde van enige daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis, of 3) de aangevangen tenuitvoerlegging daarvan, aan hem bekend is.
4.3.
Vast staat dat het vonnis niet aan [oorspronkelijke gedaagde, thans opposante] in persoon is betekend, maar enkel op 17 januari 2014 aan het parket van het Openbaar Ministerie te Maastricht. De verzettermijn is dus niet op die datum aangevangen.
4.4.
Voor aanvang van de verzettermijn op de tweede en derde grondslag moet vastgesteld kunnen worden dat de veroordeelde enige daad heeft gepleegd “waaruit ondubbelzinnig voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging aan hem bekend is”. Dit betekent dat de veroordeelde zelf een handeling moet hebben verricht waaruit ondubbelzinnig valt op te maken dat hij over voldoende gegevens met betrekking tot de inhoud van zijn veroordeling beschikt om zich daartegen tijdig en adequaat te kunnen verzetten. Het is daarvoor niet voldoende dat vaststaat dat de veroordeelde in persoon de beschikking heeft gekregen over het verstekvonnis, bijvoorbeeld doordat dit hem door (de advocaat of de gemachtigde van) de wederpartij is toegezonden. Het moet gaan om een daad, een gedraging van de veroordeelde zelf, zie HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:BJ0652.
4.5.
In het licht van voormelde uitgangspunten is het feit dat het veroordelend vonnis aan de advocaat van [oorspronkelijke gedaagde, thans opposante] is gezonden onvoldoende, omdat daaruit niet volgt dat [oorspronkelijke gedaagde, thans opposante] zelf kennis heeft genomen van de inhoud van het vonnis.
4.6.
Dat het verstekvonnis op 13 november 2019 per e-mail is verzonden heeft ook niet tot gevolg gehad dat vanaf dat moment de verzettermijn is gaan lopen. Allereerst staat niet vast aan wie die e-mail is gericht, aan [oorspronkelijke gedaagde, thans opposante] of haar (toenmalige) raadsman, terwijl ook indien die e-mail zou zijn gericht aan [oorspronkelijke gedaagde, thans opposante] zelf, dit nog niet met zich mee brengt dat zij kennis heeft genomen van de inhoud van die e-mail.
4.7.
Onvoldoende is immers de omstandigheid dat de veroordeelde het verstekvonnis in ontvangst heeft genomen, ook al heeft de veroordeelde voor ontvangst getekend, dan wel een automatische ontvangstbevestiging gezonden. Het in ontvangst nemen van het vonnis impliceert namelijk geen kennisneming van de inhoud ervan. Bekendheid met het vonnis moet ondubbelzinnig uit de naar buiten gerichte daad volgen, HR 23 september 2005, ECLI:NL:HR: AT4071.
4.8.
Omdat niet is gebleken wanneer de verzettermijn is aangevangen, kan niet worden geoordeeld dat [oorspronkelijke gedaagde, thans opposante] te laat verzet heeft ingesteld. Zij is dan ook ontvankelijk in haar verzet en de vordering moet ten gronde worden beoordeeld.
Ten aanzien van de vordering ten gronde
4.9.
[oorspronkelijke gedaagde, thans opposante] stelt in haar verzetdagvaarding dat zij de inleidende dagvaarding niet heeft ontvangen en dat zij deze ook niet van [oorspronkelijk eiser, thans geopposeerde] krijgt, zodat zij niet kan reageren op de inhoud daarvan. Zij stelt daardoor in haar verdediging te zijn geschaad. Verder stelt zij de inhoud van de overeenkomst van 12 augustus 2003 (waar in het verstekvonnis melding van wordt gemaakt) niet te kennen en het bestaan daarvan te betwisten.
4.10.
[oorspronkelijk eiser, thans geopposeerde] heeft in zijn conclusie van antwoord in oppositie niet gereageerd op het verweer van [oorspronkelijke gedaagde, thans opposante] , dat zij de inleidende dagvaarding en de daarbij gevoegde stukken niet heeft ontvangen, noch heeft hij die stukken bij conclusie van antwoord in oppositie in het geding gebracht of gesteld dat hij deze stukken op andere wijze aan [oorspronkelijke gedaagde, thans opposante] heeft doen toekomen.
4.11.
De rechtbank merkt op dat de raadsman van [oorspronkelijke gedaagde, thans opposante] ter griffie van de rechtbank inzage had kunnen vragen van de inleidende dagvaarding. De rechtbank, die ambtshalve over deze stukken beschikt, zal gelet op de op dit moment geldende covid-19 regels, de inleidende dagvaarding met producties aan dit vonnis hechten zodat geen personenverplaatsingen nodig zijn om hiervan kennis te nemen. De rechtbank zal in het dictum gelasten dat [oorspronkelijke gedaagde, thans opposante] de gebruikelijke termijn zal worden gegund om daarop bij conclusie van eis in oppositie, aan te merken als conclusie van antwoord, inhoudelijk te reageren. Daarna zal in beginsel een comparitie na antwoord worden gelast. Beide partijen wordt daarom verzocht om verhinderdata op te geven voor het eerste halfjaar van 2021.
4.12.
In afwachting van voormelde proceshandelingen houdt de rechtbank nu iedere verdere beslissing aan.
5. De beslissing
De rechtbank
Ten aanzien van de ontvankelijkheid
5.1.
verklaart [oorspronkelijke gedaagde, thans opposante] ontvankelijk in haar verzet;
Ten aanzien van de vordering ten gronde
5.2.
verwijst de zaak naar de rol van 2 december 2020 voor conclusie van eis in oppositie, aan te merken als conclusie van antwoord aan de zijde van [oorspronkelijke gedaagde, thans opposante] ,
5.3.
verwijst de zaak tevens naar de rol van 2 december 2020 om beide partijen in te gelegenheid te stellen om verhinderdata op te geven in de eerste zes maanden van 2021 met betrekking tot de door de rechtbank voorgenomen datumbepaling voor comparitie na antwoord,
5.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.E. Elzinga, rechter, en in het openbaar uitgesproken.1.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 21‑10‑2020
type: MT