Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/2.3.3.2
2.3.3.2 Positieve versus theoretische conceptie
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258546:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Voetnoten
Voetnoten
E.G. Nourse, Normal price as a market concept, Quarterly Journal of Economics 33(4), p. 633. De normale prijs kan worden aangeduid als een bijzonder vorm van de marktwaarde. De normale prijs moet aan bepaalde technische specificaties voldoen; de marktwaarde moet met andere woorden geobjectiveerd worden.
F.H. Knight, The concept of normal price in value and distribution, Quarterly Journal of Economics Volume 32(1), p. 71.
F.H. Knight, The concept of normal price in value and distribution, Quarterly Journal of Economics Volume 32(1), p. 71.
Zie hoofdstuk 10.
Memorie van Toelichting, Goedkeuring van het Verdrag van Brussel van 15 december 1950 nopens de waarde van goederen in douanezaken met bijbehorend Protocol, nr. 3, p. 3.
Zie hoofdstuk 3.
Artikelen 71 respectievelijk 72 DWU. Zie hoofdstuk 10.
Artikel 74 DWU. Zie hoofdstuk 6.
Indien de douanewaarde wordt bepaald aan de hand van de werkelijke waarde zijn de positieve en theoretische conceptie in hoofdzaak de twee concepties op basis waarvan de douanewaarde kan worden vastgesteld. De positieve conceptie onderscheidt zich van de theoretische conceptie doordat de positieve conceptie de douanewaarde op een gesubjectiveerde wijze vaststelt, terwijl de douanewaarde op basis van de theoretische conceptie op een geobjectiveerde wijze wordt vastgesteld.
De positieve conceptie gaat uit van de prijs die partijen onderling hebben afgesproken. Hier dient het subjectieve karakter van de positieve conceptie zich aan. Een objectivering vindt desalniettemin plaats indien de afgesproken koopprijs is beïnvloed door bijzondere betrekkingen tussen de koper en de verkoper. In een dergelijk geval wordt de douanewaarde gesteld op een prijs die gelijk is aan een prijs die tot stand zou zijn gekomen indien bijzondere betrekkingen geen invloed zouden hebben gehad op de prijs. De theoretische conceptie neemt een geobjectiveerde wijze van waarderen met zich. De douanewaarde wordt namelijk bepaald aan de hand van de objectieve marktwaarde of ook wel de ‘normale’ prijs van het goed bij het in het vrije verkeer brengen, waarbij de douanewaarde wordt bepaald aan de hand van de prijs waartegen het goed onder bepaalde omstandigheden gekocht zou kunnen worden.1 Factoren die mogelijk inbreuk maken op het bepalen van de douanewaarde op basis van de werkelijk waarde, moeten afzonderlijk van elkaar in kaart worden gebracht en vervolgens afgewogen om te komen tot een ‘normale’ prijs. Ondanks het objectieve karakter van de theoretische conceptie, is het uitgangspunt dat ook voor de theoretische conceptie, de douanewaarde wordt bepaald op basis van de transactiewaarde die ten grondslag ligt aan de verkoop tussen de koper en verkoper.
Aan beide concepties – de positieve en theoretische – kleven voor- en nadelen. De beoordeling of een prijs afwijkt van de ‘normale prijs’ is bij de theoretische conceptie vaak arbitrair. Daarnaast wordt ervan uitgegaan dat de factoren waar de aanpassingen op berusten, en zijn bedoeld om te komen tot een ‘normale prijs’, perfect zijn. Echter, met enige stelligheid kan worden betoogd dat deze aanpassingen van nature imperfect zijn.2 Daarnaast kan worden gewezen op de verkoop van goederen binnen concernverband of het overbrengen van eigen goederen naar een ander douanegebied. Op een dergelijk moment is geen (onafhankelijke) transactieprijs beschikbaar en moet de ‘normale prijs’ worden bepaald aan de hand van vergelijkbare prijzen. Dit veronderstelt dat op dat moment een ‘normale prijs’ op de markt voor handen is, wat illusionair gedachtegoed betreft.3 Het voordeel van de theoretische conceptie is dat een gelijk speelveld wordt gecreëerd, omdat de douanewaarde op basis van een geobjectiveerde waarde wordt bepaald. Aan de andere kant heeft de positieve conceptie als groot voordeel dat het in de basis een eenvoudig systeem betreft. De waarde wordt immers bepaald aan de hand van de prijs die partijen onderling overeenkomen. Echter, de positieve conceptie is nadelig, omdat het met zich brengt dat aanvullende wettelijke bepalingen nodig zijn om te komen tot een prijs die geschikt is als douanewaarde. De onderling overeengekomen prijs moet namelijk worden aangepast, omdat bepaalde prijselementen deel uitmaken van de onderling overeengekomen prijs, terwijl zij geen onderdeel moeten uitmaken van de douanewaarde. Handelsgebruiken brengen namelijk met zich dat in onderling overeengekomen prijsafspraken nevenovereenkomsten zijn begrepen waarin afspraken zijn gemaakt over bijvoorbeeld te betalen royalty- of licentierechten, commissies en transport- en verzekeringskosten, terwijl deze prijscomponenten slechts onder voorwaarden onderdeel uitmaken van de douanewaarde.4 Daarnaast kunnen bijzondere betrekkingen tussen partijen invloed uitoefenen op de overeengekomen prijs, met als gevolg dat de prijs moet worden aangepast naar de prijs die tot stand zou zijn gekomen indien het goed onder voorwaarden van vrije mededinging zou zijn verkocht. Tot slot zou de positieve conceptie in de praktijk aanleiding kunnen geven tot het vaststellen van de douanewaarde op een partijdige en sterk op protectionisme gerichte wijze.5 Dat laatste is de reden dat de BWD was gebaseerd op een theoretische in plaats van positieve conceptie.6
Aangenomen wordt dat onder de BWD werd uitgegaan dat de douanewaarde overeenkomstig de theoretische conceptie wordt vastgesteld, waar de GATT Valuation Code, thans de CVA, de douanewaarde overeenkomstig de positieve conceptie vaststelt. Zoals Sherman & Glashoff aangeven, wordt dit onderscheid in werkelijkheid minder strikt toegepast.7 Onder de BWD werd de douanewaarde namelijk in beginsel bepaald aan de hand van de tussen partijen afgesproken prijs en daarmee meer aansluiting vindt bij de positieve dan theoretische conceptie. Ondanks dat de CVA uitgaat van de werkelijk tussen partijen afgesproken prijs, kent de CVA ook karaktereigenschappen die passen bij de theoretische conceptie. De prijs wordt namelijk op bepaalde punten geobjectiveerd. Daarvoor kan worden gewezen op de situatie dat partijen zijn verbonden,8 het al dan niet in aanmerking nemen van bepaalde prijselementen9 en het vaststellen van de douanewaarde overeenkomstig alternatieve waarderingsmethoden indien niet aan de voorwaarde voor toepassing van de transactiewaarde van de ingevoerde goederen wordt voldaan.10
De voor- en nadelen tegen elkaar afgewogen lijkt de positieve conceptie in mijn optiek, gelet op de invulling van het begrip waarde en de elementen uit het toetsingskader, een passendere benaderingswijze om de douanewaarde vast te stellen. Met de positieve conceptie wordt beoogd om met de douanewaarde de economische waarde van de ingevoerde goederen tot uitdrukking te brengen. De economische waarde wordt, afgaande op de neoklassieke theorie, het best bereikt indien wordt uitgegaan van de prijs waartegen een goed gekocht is. De positieve conceptie sluit daar beter bij aan dan de theoretische, omdat de transactiewaarde van de ingevoerde goederen (lees: de verkoopprijs die tussen partijen tot stand is gekomen) bij de positieve conceptie de preferentie en primaire waarderingsmethode betreft. Een en ander is ook billijker, omdat wanneer wordt aangesloten bij de verkoopprijs de vaststelling van de douanewaarde minder concurrentieverstorend is. De vaststelling van een lagere prijs dan de ‘normale prijs’ kan bij de positieve conceptie bijvoorbeeld nog steeds dienen als grondslag voor de douanewaarde als de prijs lager kon worden vastgesteld door onder andere behaalde schaalvoordelen of synergievoordelen bij verkopen binnen een concern. Het is daarnaast, ten tweede, een rechtvaardiger en neutralere benaderingswijze, omdat het beter in staat is om de vaststelling van de douanewaarde op arbitraire en fictieve waardes te voorkomen (onderdeel 3.2.2.3 en 3.2.3). De positieve conceptie is tot slot, ten derde, eenvoudiger toepasbaar, omdat niet voor elke invoertransactie een normale waarde vastgesteld hoeft te worden, maar aangesloten kan worden bij de verkoopprijs die aan de invoertransactie ten grondslag ligt. Dit is een beter met de handelspraktijk verenigbaar systeem, omdat in beginsel de waarde kan worden aangehouden die is opgenomen op andere handelsdocumenten die aan een invoertransactie ten grondslag ligt.