AB 2023/49
Veilig Thuis handelt niet onrechtmatig met gegeven advies en de monitoring van maatregelen. Geen schending van art. 8 EVRM. Geen onrechtmatige inmenging in behandelingsovereenkomst.
Rb. Den Haag 07-12-2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:12952, m.nt. A.C. Hendriks
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
7 december 2022
- Magistraten
Mr. A.M. Boogers
- Zaaknummer
C/09/618800 / HA ZA 21-887
- Noot
A.C. Hendriks
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS687071:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Gezondheidsrecht / Individuele gezondheidszorg
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Onrechtmatige daad
- Brondocumenten
ECLI:NL:RBDHA:2022:12952, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 07‑12‑2022
- Wetingang
Art. 4.1.1 lid 2 Wmo 2015; art. 8 EVRM; art. 3:296, 6:162 BW; art. 392 Rv
Essentie
Ernstige zorgen over kinderen van eiseres. Veilig Thuis geeft advies en monitort de maatregelen. Niet onrechtmatig. Geen schending van art. 8 EVRM en geen inmenging in behandelingsovereenkomst.
Samenvatting
De rechtbank is van oordeel dat gelet op dit wettelijk kader niet geconcludeerd kan worden dat Veilig Thuis haar bevoegdheden te buiten is gegaan. Veilig Thuis heeft naar aanleiding van de door haar ontvangen melding over het gezin van eiseres onderzoek gedaan (zie artikel 4.4.1 lid 2 sub b Wmo 2015) en vervolgens, nadat zij had geconcludeerd dat het vermoeden van kindermishandeling op basis van de onderzoeksresultaten weerlegd noch bevestigd kon worden, in haar adviezen tot uitdrukking gebracht tot welke stappen de melding volgens haar aanleiding geeft (zie artikel 4.4.1 lid 2 sub c Wmo 2015). Een van die stappen is het afstemmen en coördineren van de zorg die de kinderen ontvangen.
Deze minder vergaande en ingrijpende adviesbevoegdheid heeft zij — anders dan eiseres kennelijk meent — naast de mogelijkheid om de raad voor de kinderbescherming of de politie in te schakelen. Daarbij geldt dat de in sub d neergelegde taak (‘informeren hulpverlenende instantie’), zo volgt uit de wetsgeschiedenis, ook inhoudt dat Veilig Thuis controleert of de ingeschakelde professionele hulp passend is geweest. Dit brengt mee dat Veilig Thuis dus bevoegd was om na een half jaar bij dr. B en de huisarts te informeren of te monitoren of zij actie hebben ondernomen en of dit tot resultaat heeft geleid.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet kan worden gevolgd in haar stelling dat de Wmo 2015 geen grondslag biedt voor ‘het monitoren’.
Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat de term ‘bij wet voorzien’ niet alleen vereist dat de inmenging een wettelijke basis heeft in het nationale recht, maar ook betrekking heeft op de kwaliteit van die wettelijke basis. De wettelijke regeling moet duidelijk, voorzienbaar en voldoende toegankelijk zijn. Daarbij gaat het erom dat de regeling voor de burger kenbaar moet zijn en dat de burger op basis van de regeling met een redelijke mate van zekerheid, al dan niet na raadpleging van een juridisch expert, moet kunnen voorzien wanneer en onder welke voorwaarden inmenging door autoriteiten mogelijk is en zijn gedrag daarop kan afstemmen.
De rechtbank is van oordeel dat, zoals ook al hiervoor is overwogen, de wettelijke basis voor het adviseren en monitoren kan worden gevonden in artikel 4.4.1 lid 2 onder c en d Wmo 2015.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet is komen vast te staan dat sprake is van (onrechtmatige) inmenging in de medische behandelingsovereenkomst door Veilig Thuis. Er bestaat dan ook geen grond voor toewijzing van de onder e gevorderde verklaring voor recht.
Partij(en)
Vonnis van 7 december 2022 in de zaak van:
Eiseres, advocaat mr. C.M. Sent te Amsterdam,
tegen
Regionale Dienst Openbare Gezondheidszorg Hollands Midden, mede handelend onder de naam Veilig Thuis Hollands Midden te Leiden, gedaagde, advocaat mr. J. van Helden en mr. M. de Wijs te Leiden.
Partijen zullen hierna eiseres en Veilig Thuis genoemd worden.
Uitspraak
1. De procedure
1.1.
Het procesdossier bestaat uit:
- —
de dagvaarding van 24 september 2021, met producties 1 tot en met 7;
- —
de conclusie van antwoord, met producties 1 en 2;
- —
het tussenvonnis van 11 mei 2022 waarbij een mondeling behandeling is bevolen;
- —
de tijdens de mondelinge behandeling gedane eiswijziging.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 september 2022. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. Eiseres heeft ook haar eis gewijzigd. De ter plekke op schrift gestelde eiswijziging, die door de rechtbank is toegelaten, is toegevoegd aan het procesdossier. De aantekeningen die de griffier heeft gemaakt zijn toegevoegd aan het griffiedossier.
2. De feiten
2.1.
Eiseres is moeder van kind 1, kind 2, kind 3 en kind 4. De vader van de kinderen, met wie eiseres alleen het gezag over kind 1 deelt, verblijft in verband met zijn baan veelal in land.
2.2.
Eiseres verrichtte proefschriftonderzoek aan de universiteit. Haar promotie-traject bevindt zich in de eindfase.
2.3.
De drie jongste kinderen van het gezin zijn door een gewichts- en groeiachterstand (deels) afhankelijk (geweest) van specialistische voeding. Kind 2 en kind 3 zijn visueel beperkt.
2.4.
Eiseres nam samen met haar moeder de zorg voor de kinderen op zich. De moeder van eiseres (hierna: de oma) is op dag-overlijden 2018 overleden. Hierdoor kwam de volledige zorg (vrijwel) alleen op eiseres te rusten.
2.5.
Op 11 december 2018 is er een anonieme zorgmelding gedaan bij Veilig Thuis. In deze melding werden onder meer zorgen geuit over de gezondheid van de kinderen, de medische voorgeschiedenis van de kinderen, de vele ziekenhuisopnamen die volgens de meldingen niets opleverden en over de rommelige woonsituatie van het gezin van de moeder, waarbij de kinderen geen eigen plek zouden hebben. Naar aanleiding van deze melding heeft Veilig Thuis onderzoek verricht.
2.6.
Op 19 december 2019 heeft Veilig Thuis haar conceptrapportage met eiseres gedeeld. Eiseres heeft daarop gereageerd in juli 2020. Vervolgens heeft in september 2020 een gesprek tussen eiseres en Veilig Thuis plaatsgevonden en is enkele dagen na dat gesprek een aangepaste conceptrapportage aan eiseres toegestuurd. Nadien heeft eiseres Veilig Thuis schriftelijk verzocht om het dossier te vernietigen en af te zien van welke dwingende maatregel dan ook. Bij brief van 14 oktober 2020 heeft Veilig Thuis aan de (advocaat van) eiseres en aan de vader de definitieve eindrapportage toegezonden. Hierin is onder meer het navolgende vermeld:
“5. Risicofactoren
De belangrijkste risicofactoren die Veilig Thuis vanuit de bovenstaande informatie haalt zijn de onderstaande punten:
- —
Moeder heeft de neiging zorgen rondom de kinderen uit te vergroten en anders te presenteren dan de feitelijke situatie
- —
Er is een bovenmatige medische consumptie
- —
Het lijkt of moeder moeite heeft met structureren
- —
Kind 3 is nog steeds bijna volledig afhankelijke van specialistische voeding. Uit bronnen blijkt dat ze steeds beter regulier voedsel kan eten. Het is niet duidelijk waarom het niet lukt om de voeding van kind 3 te normaliseren. Ook kind 2 en kind 4 gebruiken specialistische voeding erbij, ondanks dat ze goed kunnen eten.”
(…)
6 Conclusie
De zorgen die uit het onderzoek van Veilig huis naar voren komen, betreffen een bovenmatige medische consumptie van de kinderen en voedingsproblemen in het gezin. De kinderen hebben daadwerkelijk bepaalde medische aandoeningen. Echter, het lijkt erop dat moeder de medische aandoeningen van de kinderen ernstiger beleeft en presenteert aan de buitenwereld. De visie van Veilig Thuis is dat dit ontstaan kan zijn door haar bezorgdheid, die zich mogelijk ontwikkeld heeft door het meemaken van ernstige trauma's door de aandoeningen van haar kinderen in het verleden.
Daarnaast kan het gedrag van moeder (chaotisch, moeite met structuur en ordening, grote bezorgdheid) een bijdrage hebben geleverd aan het moeilijk doorbreken van de ontstane patronen bij de voedingsproblemen van de kinderen.
Het gevolg van de ongerustheid van moeder rondom de klachten van de kinderen is dat zij zichzelf ook teveel zorgen kunnen gaan maken over hun eigen gezondheid en kunnen opgroeien met het denkbeeld dat zij ernstige aandoeningen hebben. Een risico is hierbij dat zij een verstoorde beleving van lichamelijke klachten ontwikkelen. De vele medische onderzoeken kunnen op zichzelf staand al traumatisch zijn. Veilig Thuis heeft echter niet kunnen onderzoeken in hoeverre de kinderen hier op dit moment daadwerkelijk last van ervaren. Informanten geven aan dat het vrolijke kinderen zijn, die positief in het leven staan en dat moeder een liefdevolle moeder is en dat er veel wordt geknuffeld. Belangrijk is nu wel om de patronen te doorbreken en te werken naar het normaliseren van artsenbezoek en voeding.
Advies
Op basis van de bovenstaande analyse adviseert Veilig Thuis om de afstemming tussen betrokken (medisch) professionals beter vorm te geven, zodat de kinderen zo min mogelijk worden blootgesteld aan bovenmatige medische consumptie. Omdat vader zich grotendeels afzijdig houdt van de opvoeding en oma is overleden, staat moeder alleen voor de zorg coördinatie van de complexe zorg voor de kinderen. Veilig Thuis denkt dat het in het belang van de overbelasting van moeder belangrijk is om haar ondersteuning te bieden op het gebied van zorgregie. Ook is het van belang dat de huidige ondersteuning van moeder thuis bij de eetmomenten kan blijven bestaan.
Met betrekking tot de voeding van de kinderen adviseert Veilig Thuis om in samenwerking met het Ziekenhuis 1 te werken aan normaliseren van het voedingspatroon van de kinderen, vrij van specialistische voeding.
Ook adviseert Veilig Thuis het JGT om de PGB-aanvraag te herzien en hierbij uit te gaan van de huidige geobjectiveerde medische zorgen van de kinderen.
(…)
Conclusie betrokken instanties:
Vanwege de medische problematiek van de kinderen zijn er veel professionals en medisch specialisten bij kind 2, kind 3 en kind 4 betrokken. Betrokken specialisten weten niet altijd van elkaars betrokkenheid. Het coördineren en afstemmen van de benodigde hulpverlening is noodzakelijk. Veilig Thuis adviseert de regie en coördinatie van de zorg niet bij moeder te houden, zoals op dit moment het geval is, maar hier ook een professionele hulpverlener voor in te zetten. Dit voorkomt mogelijke afstemmings- en coördinatieproblemen. Op die manier kan moeder zich meer toeleggen op haar moederrol en voorkomt bij moeder overbelasting.
Benodigde hulpverlening:
Zorg coördinatie
Aanvullend op de betrokken professionals adviseert Veilig Thuis een zorgcoördinator aan te stellen. Deze zorgcoördinator dient per kind en mogelijk ook per medische aandoening met een bepaalde regelmaat een zorgoverleg te organiseren, waar de actuele zorgen en het medische beleid met elkaar gedeeld wordt en afgestemd. Het is van groot belang dat beide ouders, de huisarts, de kinderarts, het Ziekenhuis 1, mw. A, JGT en zo nodig ook school bij deze overleggen aansluit.
De procesmatige coördinatie kan belegd worden bij bijvoorbeeld Basiszorg Kwetsbare Kinderen (BKK). Zij kunnen in overleg met ouders de overleggen plannen, de betrokken professionals uitnodigen en het overleg voorzitten. Ook zou hiervoor iemand vanuit PGB ingehuurd kunnen worden.
De medisch inhoudelijke informatie moet gecoördineerd worden door de coördinerend kinderarts i.s.m. de huisarts. Het Ziekenhuis 1 heeft de coördinerende rol voor het begeleiden en normaliseren van het eten. Het is aan te raden om de procesmatige coördinatie met betrekking tot de medische situatie te beleggen bij een medisch deskundige, zoals de jeugdarts van de Jeugdgezondheidszorg, en deze samen te laten werken met de regiehouder van bijvoorbeeld BKK.
Ondersteuning ouders
Vanwege de kans op overbelasting bij moeder is het advies om haar in de thuissituatie te laten ondersteunen bij het aanbrengen van structuur, plannen en organiseren van het huishouden en de verzorging. Ook is het van belang de ondersteuning bij de voedingen van de kinderen te handhaven. Hierin voorziet momenteel mw. A vanuit het PGB. De onderbouwing van het PGB is grotendeels niet (meer) aan de orde. Deze financiering dient herzien te worden. Mw. A is zowel ondersteunend voor de kinderen (PGB), als voor moeder (financiering WMO). Dit zal het JGT samen met SWT moeten oppakken. Wenselijk is dat dit uitgebreid wordt met een tweede persoon, aangezien mw. A niet zeven dagen per week bij de voedingen en het structureren aanwezig kan zijn.
Omdat moeder de medische aandoeningen soms anders lijkt te beleven dan de buitenwereld, zou psychologische ondersteuning voor moeder mogelijk zinvol kunnen zijn. Dit geeft haar de mogelijkheid om ernstige traumatische ervaringen m.b.t. de ziektes van haar kinderen te verwerken en daardoor minder snel ongerust te zijn bij nieuwe zorgen.
Monitoren
Veilig Thuis zal monitoren of het advies m.b.t zorg afstemming en coördinatie op gang is gekomen. Veilig Thuis zal, toevoeging rechtbank hiervoor een half jaar na afsluiten van het dossier, contact opnemen met de huisarts en dr. B van het Ziekenhuis 2.”
2.7.
Eiseres is eind 2020 een kort geding gestart om — kort gezegd — een einde te maken aan de bemoeienis van Veilig Thuis met het gezin en sluiting en vernietiging van het dossier te bewerkstelligen. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft bij vonnis van 2 februari 2021 de vorderingen van eiseres afgewezen.
2.8.
Eind juni/begin juli 2021 heeft Veilig Thuis afsluitberichten verstuurd aan onder meer de melders, de vader en door haar in het kader van het onderzoek geraadpleegde hulpverleners.
2.9.
In december 2021 heeft Veilig Thuis overeenkomstig haar advies contact opgenomen met de huisarts en dr. B. Deze artsen hebben meegedeeld dat zij door het juridische geschil tussen eiseres en Veilig Thuis geen informatie met Veilig Thuis wilden delen. Veilig Thuis heeft het dossier vervolgens gesloten.
3. Het geschil
3.1
Eiseres vordert — na wijziging van eis — dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
- a.
voor recht verklaart dat de Wet Maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo 2015) geen wettelijke grondslag biedt voor het ingrijpen in de persoonlijke levenssfeer op de zelfstandig door Veilig Thuis genomen wijze;
- b.
voor recht verklaart dat de voorgenomen maatregelen van Veilig Thuis en wat zij noemt “monitoren”, strijdig zijn met het door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) gewaarborgde grondrecht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer en daarom een onrechtmatige daad opleveren, en uit hoofde daarvan ex artikel 3:296 BW Veilig Thuis te verbieden deze maatregelen voort te zetten;
- c.
voor recht verklaart dat Veilig Thuis onrechtmatig handelt in de zin van artikel 6:162 BW door de voorgenomen maatregelen op te leggen onder drieging van verdergaande maatregelen, dan wel voor recht verklaart dat de voorgenomen maatregelen een onrechtmatige daad zouden opleveren en deze maatregelen te verbieden;
- d.
voor recht verklaart dat Veilig Thuis misbruik maakt van recht door te dreigen met nadere maatregelen, wanneer eiseres vrijwillig niet voldoet;
- e.
voor recht verklaart dat Veilig Thuis onrechtmatig handelt door inmenging in de medische behandelovereenkomst zonder wettelijke grondslag of toestemming;
- f.
de zaak verwijst naar de schadestaatprocedure.
3.2.
Daarnaast verzoek eiseres de rechtbank om, indien de rechtbank dit nodig acht, op grond van artikel 392 Rv de volgende prejudiciële vraag aan de Hoge Raad te stellen:
“Biedt de Wmo 2015 voldoende rechtsgrond om te mogen monitoren?”
3.3.
Aan deze vorderingen legt eiseres — samengevat — ten grondslag dat Veilig Thuis onrechtmatig handelt doordat zij met de door haar voorgenomen maatregelen — het aanstellen van een zorgcoördinator en monitoring van de situatie na een half jaar — zonder wettelijke grondslag (en zonder toestemming) inmengt in de persoonlijke levenssfeer, de geneeskundige behandelingsovereenkomst en het ouderlijk gezag. Veilig Thuis is, aldus eiseres , gehouden de schade te vergoeden die zij als gevolg van de dreiging die van de voorgenomen maatregelen uitgaat lijdt (onder andere terugval in inkomsten en (immateriële) schade vanwege het niet kunnen afronden van haar proefschrift). Omdat die schade zich op dit moment niet laat begroten, verzoekt zij om een verwijzing naar de schadestaatprocedure
3.4.
Veilig Thuis concludeert tot afwijzing van de vorderingen.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Inleiding
4.1.
Niet ter discussie staat dat het (verloop van het) door Veilig Thuis uitgevoerde onderzoek een grote (emotionele) impact op eiseres en haar gezin heeft gehad, te meer omdat dit zeer kort na het overlijden van oma plaatsvond. Partijen zijn het er echter over eens dat dit onderzoek op een rechtmatige basis heeft plaatsgevonden. Dit ligt dan ook niet ter beoordeling aan de rechtbank voor. In deze zaak stelt eiseres het (voorgenomen) handelen van Veilig Thuis na afronding van het onderzoeksrapport aan de orde. Bij de toetsing van dat handelen komt het in belangrijke mate aan op de beantwoording van de vraag of er een (voldoende) wettelijke grondslag bestaat voor het door Veilig Thuis adviseren een zorgcoördinator aan te stellen en ‘het monitoren’ van dit advies (zie het slot van 2.6). Volgens eiseres kan die grondslag niet worden gevonden in de Wmo 2015. De rechtbank ziet dat, net als Veilig Thuis, anders.
De Wet maatschappelijke ondersteuning
4.2.
Veilig Thuis fungeert als meldpunt en adviesorganisatie voor (vermoedens van) huiselijk geweld en kindermishandeling. Met de invoering van de Jeugdwet is Veilig Thuis (dat destijds nog werd aangeduid als het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (AMHK)) wettelijk verankerd in de Wmo 2015 en daarmee onder de verantwoordelijkheid van de decentrale overheid gebracht. Dit hing samen met de herziening van Jeugdstelsel, waarmee werd beoogd om door middel van decentralisatie het stelsel eenvoudiger, efficiënter en effectiever te maken en uiteindelijk de eigen kracht van de jongere en van het zorgend en probleemoplossend vermogen van diens gezin en sociale omgeving (netwerk) te versterken. Veilig Thuis wordt als een belangrijk onderdeel van dat stelsel gezien.1.
4.3.
De precieze taken van Veilig Thuis zijn vastgelegd in artikel 4.1.1 lid 2 Wmo 2015. Veilig Thuis heeft onder meer tot taak om naar aanleiding van een melding van huiselijk geweld of kindermishandeling of een vermoeden daarvan, te onderzoeken of daarvan daadwerkelijk sprake is (artikel 4.1.1 lid 2 sub b. Wmo 2015). Ook beoordeelt zij of en zo ja tot welke stappen de melding van huiselijk geweld of kindermishandeling of een vermoeden daarvan aanleiding geeft (sub c.) en stelt zij een instantie die passende professionele hulp kan verlenen bij huiselijk geweld of kindermishandeling in kennis van een melding zoals hiervoor bedoeld, indien het belang van de betrokkene dan wel de ernst van de situatie waarop de melding betrekking heeft daartoe aanleiding geeft (sub d.). In de memorie van toelichting bij de Jeugdwet is over deze onder sub c. en d. vermelde taken het volgende opgenomen:
“c. en d. beoordelen van de melding en informeren hulpverlenende instantie
Op grond van een melding beoordeelt het AMHK of het belang van de betrokkene of de ernst van de situatie aanleiding geeft tot het in kennis stellen van een hulpverlenende instantie. Voor deze beoordeling zal het AMHK gebruik maken van het contact met de melder, maar indien nodig kan ook contact gezocht worden met andere betrokkenen, zoals het vermoedelijke slachtoffer, zijn ouders of de vermoedelijke dader, en kunnen gegevens opgevraagd worden bij andere professionals (zie ook de artikelen 12c) of uit de gemeentelijke basisadministratie (zie ook artikel 12f).
De woorden «in kennis stellen» moeten niet zo worden gelezen dat daarmee de verantwoordelijkheid van het AMHK eindigt. Het doel van deze taak is namelijk dat tijdig en adequaat hulp wordt ingeschakeld en daartoe dient de juiste hulpverlenende instantie in kennis te worden gesteld. Deze instantie zal op haar beurt vanuit haar eigen taak en professionaliteit actie ondernemen. Nadat het initiatief tot de hulpverlenende actie genomen is, draagt het AMHK namelijk nog wel de verantwoordelijkheid om na verloop van tijd te controleren tot welk resultaat de ingeschakelde hulp leidt en of dus inderdaad sprake is van passende hulp. Behalve dat dit bijdraagt aan adequate hulpverlening, dient het ook ter evaluatie van het handelen van het AMHK zelf.”
Het belang van de betrokkene en de ernst van de situatie kunnen Veilig Thuis ook aanleiding geven voor het in kennis stellen van de raad voor de kinderbescherming of de politie van de melding van huiselijk geweld of kindermishandeling of het vermoeden daarvan (sub e.). Als de raad voor de kinderbescherming wordt betrokken “zal deze op grond van artikel 3.1, eerste lid, van de Jeugdwet onderzoeken of een kinderbeschermingsmaatregel nodig is en zo nodig op basis van dat onderzoek de rechter verzoeken een kinderbeschermingsmaatregel op te leggen”, zo volgt uit de eerder aangehaalde memorie van toelichting.
4.4.
Veilig Thuis dient daarnaast ook degene(n) die de melding heeft gedaan op de hoogte te stellen van de stappen die naar aanleiding van de melding zijn genomen (sub g.). Volgens de memorie van toelichting dienen ook (andere) betrokken professionals informatie te ontvangen over het geformuleerde probleem en de gekozen wijze van afhandeling.
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op dit wettelijk kader niet geconcludeerd kan worden dat Veilig Thuis haar bevoegdheden te buiten is gegaan. Veilig Thuis heeft naar aanleiding van de door haar ontvangen melding over het gezin van eiseres onderzoek gedaan (zie artikel 4.4.1 lid 2 sub b. Wmo 2015) en vervolgens, nadat zij had geconcludeerd dat het vermoeden van kindermishandeling op basis van de onderzoeksresultaten weerlegd noch bevestigd kon worden, in haar adviezen tot uitdrukking gebracht tot welke stappen de melding volgens haar aanleiding geeft (zie artikel 4.4.1 lid 2 sub c. Wmo 2015). Een van die stappen is het afstemmen en coördineren van de zorg die de kinderen ontvangen. Daarbij was in de ogen Veilig Thuis niet alleen een rol weggelegd voor (een) externe zorgcoördinator(s), maar ook voor de al bij het gezin betrokken professionals, waaronder dr. B en de huisarts (in samenwerking met het Ziekenhuis 1 voor wat betreft voeding). Omdat eiseres niet open stond voor (externe) zorgcoördinatie, zou de hulp op dit vlak vooral van die laatsten moeten komen. Veilig Thuis heeft o.a. dr. B en de huisarts hiervan in kennis gesteld. Meer in het bijzonder heeft Veilig Thuis in de terugkoppelingsbrieven hen verzocht om zelf zicht te houden op de medische consumptie en contact te onderhouden met behandelaren wanneer nodig. Door te adviseren een zorgcoördinator aan te stellen en bij de dr. B en de huisarts aandacht te vragen voor de coördinatie van de zorg, heeft Veilig Thuis naar het oordeel van de rechtbank overeenkomstig artikel 4.4.1 lid 2 sub d. Wmo 2015 gehandeld (en in lijn met de ratio achter de herziening van het Jeugdstelsel dat zoveel mogelijk gebruik moet worden gemaakt van laagdrempelige opgroei- en opvoedondersteuning, om te voorkomen dat de jeugdige en zijn ouders op een later tijdstip gespecialiseerde vormen van jeugdhulp nodig hebben of dat een jeugdbeschermingsmaatregel getroffen dient te worden2.). Deze minder vergaande en ingrijpende adviesbevoegdheid heeft zij — anders dan eiseres kennelijk meent — naast de mogelijkheid om de raad voor de kinderbescherming of de politie in te schakelen. Daarbij geldt dat de in sub d. neergelegde taak (‘informeren hulpverlenende instantie’), zo volgt uit de wetsgeschiedenis, ook inhoudt dat Veilig Thuis controleert of de ingeschakelde professionele hulp passend is geweest. Dit brengt mee dat Veilig Thuis dus bevoegd was om na een half jaar bij dr. B en de huisarts te informeren of te monitoren of zij actie hebben ondernomen en of dit tot resultaat heeft geleid.
4.6.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet kan worden gevolgd in haar stelling dat de Wmo 2015 geen grondslag biedt voor ‘het monitoren’. Hierbij merkt de rechtbank op dat die stelling lijkt te berusten op de veronderstelling dat Veilig Thuis verdergaande maatregelen zal nemen wanneer uit het monitoren blijkt dat de geadviseerde zorgcoördinatie niet op gang is gekomen. Een en ander maakt dat eiseres in de dagvaarding tot de conclusie komt dat door het monitoren een feitelijke ondertoezichtstelling in de zin van artikel 1:255 BW wordt gecreëerd. Met het monitoren (en daarmee samenhangende drieging van vervolgstappen) wordt, zo stelt eiseres, immers door Veilig Thuis afgedwongen dat de door haar gegeven (in de persoonlijke levenssfeer, het ouderlijk gezag en de geneeskundige behandelovereenkomst ingrijpende) adviezen worden nageleefd. Voor het nemen van een zodanige kinderbeschermingsmaatregel zonder rechtelijke toetsing biedt de Wmo 2015 volgens eiseres geen bevoegdheid. Daarmee zou afbreuk worden gedaan aan het dwingendrechtelijke kader zoals dat is neergelegd in boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, op grond waarvan de rechter beslist over een ondertoezichtstelling nadat de raad voor de kinderbescherming of het openbaar ministerie daarom heeft verzocht.
4.7.
Dat Veilig Thuis overgaat tot het nemen van verdergaande maatregelen indien uit het monitoren blijkt dat haar adviezen niet tot resultaat hebben geleid en zelfs daarmee zou hebben gedreigd, ziet de rechtbank niet terug in de overgelegde stukken en is ook overigens onvoldoende gebleken. Met de brief van Veilig Thuis van 23 april 2020, waarnaar eiseres ter onderbouwing van haar stelling verwijst, nodigt Veilig Thuis eiseres en de vader van de kinderen uit om alsnog te reageren op het conceptrapport dat op 19 december 2019 aan hen is meegeven, zodat een eindrapport kan worden opgesteld Daarbij benadrukt Veilig Thuis in deze brief dat zij het voor de kinderen noodzakelijk vindt dat een aantal vervolgstappen in gang worden gezet. Uit de brief kan worden afgeleid dat Veilig Thuis met het woord ‘vervolgstappen’ de maatregelen bedoelt die uiteindelijk in de in het eindrapport opgenomen adviezen zijn uitgewerkt. Het gaat dus, anders dan eiseres kennelijk meent, niet om nadere of verdergaande (kinderbeschermings)maatregelen die zullen worden genomen als de adviezen niet worden nageleefd. Veilig Thuis heeft daarnaast betwist dat mondeling aan eiseres zou zijn meegedeeld dat niet naleving van de adviezen zal leiden tot verdergaande maatregelen, terwijl eiseres die stelling niet heeft geconcretiseerd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen aanknopingspunt is om aan te nemen dat in dit geval sprake is geweest van dwang of dreiging met verdergaande maatregelen indien geen gevolg zou worden gegeven aan de adviezen en/of de monitoring. Wellicht dat uit het voornemen van Veilig Thuis om te monitoren of aan het advies over de afstemming en coördinatie van zorg gevolg is gegeven enige drang uit gaat, maar de conclusie dat sprake is van (verkapte of informele) dwang of dreiging kan op basis van enkel dat voornemen niet worden getrokken. Ook niet indien in aanmerking wordt genomen dat Veilig Thuis de mogelijkheid heeft om de monitoring uit te breiden, het onderzoek te heropenen en/of (overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.4.1. lid 2 sub e Wmo 2015) alsnog de raad voor de kinderbescherming of de politie in kennis te stellen. Dat die mogelijkheden bestaan, betekent niet dat Veilig Thuis ook steeds hiervan gebruik zal maken indien aan haar blijkt dat de door haar gegeven adviezen niet worden opgevolgd. Het feit dat het dossier door Veilig Thuis is gesloten, ondanks de onduidelijkheid over de vraag of de beoogde coördinatie van zorg op gang is gekomen, duidt ook eerder op het tegendeel.
4.8.
Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet worden geconcludeerd dat Veilig Thuis met het monitoren verder gaat dan de aan haar op grond van artikel 4.4.1 lid 2 onder d. Wmo 2015 toekomende bevoegdheid en aldus daarmee onrechtmatig handelt en/of haar recht misbruikt. De vorderingen onder a., c. en d. zullen dan ook worden afgewezen.
Artikel 8 ERVM
4.9.
Bij de beoordeling van het beroep eiseres op schending van artikel 8 EVRM neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat het advies van Veilig Thuis een zorgcoördinator aan te stellen en de monitoring van dat advies na zes maanden beschouwd kunnen worden als een vorm van inmenging in het privéleven en het familie- en gezinsleven van eiseres en daarmee onder de reikwijdte van artikel 8 EVRM valt. Dat heeft Veilig Thuis ook niet betwist. Beoordeeld moet worden of deze inmenging op grond van het tweede lid van artikel 8 EVRM gerechtvaardigd is. Daarbij komt het in dit geval aan op de vraag of deze vorm van inmenging bij wet is voorzien. Tussen partijen is niet in geschil dat aan de overige voorwaarden die artikel 8 lid 2 EVRM stelt (de inmenging moet een legitiem doel dienen en noodzakelijk zijn in een democratische samenleving) is voldaan.
4.10.
Uit de rechtspraak van de Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat de term ‘bij wet voorzien’ niet alleen vereist dat de inmenging een wettelijke basis heeft in het nationale recht, maar ook betrekking heeft op de kwaliteit van die wettelijke basis. De wettelijke regeling moet duidelijk, voorzienbaar en voldoende toegankelijk zijn. Daarbij gaat het erom dat de regeling voor de burger kenbaar moet zijn en dat de burger op basis van de regeling met een redelijke mate van zekerheid, al dan niet na raadpleging van een juridisch expert, moet kunnen voorzien wanneer en onder welke voorwaarden inmenging door autoriteiten mogelijk is en zijn gedrag daarop kan afstemmen.3.
4.11.
De rechtbank is van oordeel dat, zoals ook al hiervoor is overwogen, de wettelijke basis voor het adviseren en monitoren kan worden gevonden in artikel 4.4.1 lid 2 onder c. en d. Wmo 2015. Hoewel in deze bepalingen niet expliciet wordt benoemd dat de daarin neergelegde taak meebrengt dat Veilig Thuis controleert of de ingeschakelde hulp tot resultaat heeft geleid, kan aan de hand van de Memorie van Toelichting bij de Wmo 2015 worden vastgesteld dat die bevoegdheid er is. Naar het oordeel van de rechtbank is de wettelijke regeling daarmee voldoende toegankelijk en voorzienbaar. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank dat sprake is van een relatief lichte vorm van inmenging, namelijk een advies om een zorgcoördinator aan te stellen en monitoring daarvan door na een half jaar eenmalig contact op te nemen met een tweetal artsen. Om die reden ziet de rechtbank geen reden aansluiting te zoeken bij de strikte uitleg die het EHRM in de door eiseres aangehaalde uitspraken4. aan de term ‘bij wet voorzien’ geeft. In de zaken waarop die uitspraken betrekking hebben bestond de inmenging uit het heimelijk volgen van burgers, wat een veel zwaardere vorm van inmenging is.
4.12.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Veilig Thuis met het advies een zorgcoördinator aan te stellen en dit advies te monitoren geen ongeoorloofde inbreuk maakt op het recht op familie- en gezinsleven en aldus niet onrechtmatig handelt tegenover eiseres. De onder b. gevorderde verklaring voor recht zal dan ook worden afgewezen. Ook bestaat er gelet hierop geen grond voor het opleggen van het eveneens onder b. gevorderde verbod. Nog daargelaten dat eiseres door de sluiting van het dossier en daarmee het eindigen van de gewraakte inmenging geen belang meer heeft bij een dergelijk verbod.
De medische behandelingsovereenkomst
4.13.
Ter onderbouwing van haar stelling dat Veilig Thuis zich op onrechtmatige wijze inmengt in de geneeskundige behandelovereenkomst tussen haar en de medische behandelaars van haar kinderen, wijst eiseres op het advies van Veilig Thuis “om in samenwerking met het Ziekenhuis 1 te werken aan normaliseren van het voedingspatroon van de kinderen, vrij van specialistische voeding.”. Door eiseres is in het licht van dat wat de rechtbank in 4.7 heeft overwogen onvoldoende onderbouwd waarom dit advies leidt tot inmenging in de geneeskundige behandelovereenkomst. Van een dwingende maatregel is immers geen sprake. Veilig Thuis kan ook niet treden in de wijze waarop individuele zorgverleners uitvoering geven aan de medische behandelovereenkomst.
4.14.
Eiseres heeft ook onvoldoende onderbouwd dat Veilig Thuis berichten in het huisartsendossier heeft laten plaatsten. Gelet op de betwisting van deze stelling door Veilig Thuis, volstaat de enkele verwijzing naar een screenshot van — naar de rechtbank begrijpt — een melding in een registratiesysteem van de huisarts niet. De tekst van deze melding bevestigt alleen dat er op 26 november 2019 telefonisch contact is geweest tussen de vertrouwensarts van Veilig Thuis en de huisarts over het onderzoek. Op basis van het screenshot kan niet worden aangenomen dat Veilig Thuis aan de huisarts dwingend maatregelen, zoals een doorverwijzingsbeleid, heeft voorgeschreven.
4.15.
Eiseres betoogt verder dat de medische informatie en adviezen die Veilig Thuis met hulpverleners heeft gedeeld ertoe leidt dat artsen, ondanks hun eigen professionele verantwoordelijkheid en zelfstandige bevoegdheid om afwegingen te maken in het kader van de behandelovereenkomst, doen wat Veilig Thuis zegt. Zij wijst in dit verband op het verzoek van het Schisis-team van het Ziekenhuis 2 om een afspraak te maken voor kind 4. Dat verzoek zou volgens eiseres zijn gedaan in opdracht van Veilig Thuis. Voor zover dit betoog eveneens dient als onderbouwing van haar stelling dat Veilig Thuis zich op onrechtmatige wijze bemoeit met de geneeskundige behandelovereenkomst, overweegt de rechtbank hierover het volgende. Hoewel uit de e-mail van de verpleegkundig specialist van het schisis-team van 16 juli 2021 kan worden afgeleid dat Veilig Thuis het in een eerder stadium kennelijk wenselijk achtte dat kind 4 zorg kreeg, kan op basis hiervan niet worden aangenomen dat het schisis-team contact met eiseres heeft opgenomen voor het maken van een afspraak enkel en alleen omdat Veilig Thuis dit eiste, zoals eiseres stelt en door Veilig Thuis is betwist. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het verslag van het gesprek dat Veilig Thuis op 19 september 2019 heeft gehad met de verpleegkundig specialist van het Schisis-team (opgenomen in het onderzoeksrapport van Veilig Thuis) volgt dat er al eerder contact is geweest met eiseres en dat het team graag met eiseres in gesprek wil blijven over de in verband met de schisis aan kind 4 te verlenen zorg. Mogelijk dat de terugkoppelingsbrief die Veilig Thuis heeft gestuurd aanleiding heeft gegeven om (opnieuw) contact op te nemen met eiseres, maar daarmee is nog niet gezegd dat het schisis-team daarin geen eigen afweging heeft gemaakt.
4.16.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet is komen vast te staan dat sprake is van (onrechtmatige) inmenging in de medische behandelingsovereenkomst door Veilig Thuis. Er bestaat dan ook geen grond voor toewijzing van de onder e. gevorderde verklaring voor recht.
Overige verwijten
4.17.
Eiseres heeft in haar dagvaarding ook nog een aantal andere verwijten aan Veilig Thuis gemaakt. Zij stelt onder meer dat Veilig Thuis zonder wettelijke grondslag als bedoeld in artikel lid 2 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming medische gegevens verwerkt en de uit artikel 1.4.7 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 voortvloeiende onderzoekstermijn van maximaal tien weken ruimschoots heeft overschreden. Nu eiseres aan deze verwijten geen vordering heeft gekoppeld, laat de rechtbank de beoordeling van de gegrondheid van deze verwijten achterwege.
Slotsom
4.18.
Uit het voorgaande volgt dat niet is komen vast te staan dat Veilig Thuis onrechtmatig tegenover eiseres heeft gehandeld of misbruik van recht heeft gemaakt. Veilig Thuis is daarom niet aansprakelijk voor de schade die eiseres stelt te hebben geleden als gevolg van het onderzoek en de nasleep daarvan. Voor een verwijzing van de zaak naar de schadestaatprocedure bestaat dan ook geen grond. Gelet op het voorgaande bestaat er evenmin aanleiding tot het op de voet van artikel 392 Rv stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad.
4.19.
Eiseres zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Veilig Thuis worden begroot op € 667 aan griffierecht en op € 1.126 aan salaris advocaat (2 punten x € 563, tarief II), totaal € 1.793.
5. De beslissing
De rechtbank:
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
veroordeelt eiseres in de proceskosten, aan de zijde van Veilig Thuis tot op heden begroot op € 1.793 en op € 163 aan nakosten, te vermeerderen met € 85 in geval van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente voor wat betreft de proceskosten en de nakosten tot een bedrag van € 163 te rekenen vanaf de vijftiende dag na dagtekening van het vonnis tot aan de dag van volledige betaling en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf vijftien dagen na de betekening van het vonnis tot aan de dag van volledige betaling voor wat betreft de in geval van betekening verschuldigde nakosten van € 85;
5.3.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Boogers en in het openbaar uitgesproken op 7 december 2022.
Noot
Auteur: A.C. Hendriks
1.
Het hierboven gepubliceerde vonnis van de rechtbank Den Haag betreft een klacht tegen Veilig Thuis. Deze civielrechtelijke uitspraak is ook bestuursrechtelijk bijzonder interessant vanwege de onduidelijke taken en bevoegdheden van een organisatie die een publiek belang behartigt. De betrokkene (eiseres) had Veilig Thuis aansprakelijk gesteld voor het haars inziens onrechtmatig handelen. Zij stelde voorts dat de bemoeienissen van Veilig Thuis strijdig waren met art. 8 EVRM (recht op privé- en gezinsleven) en een ongeoorloofde inmenging vormden in de behandelingsovereenkomst van haar en haar kinderen. De rechtbank wijst de vorderingen van eiseres in alle opzichten af. Dat laat onverlet dat dit vonnis diverse vragen oproept.
2.
Veilig Thuis had op 11 december 2018 een anonieme melding ontvangen. Volgens de melder ging het niet goed met de gezondheid van de vier kinderen van eiseres. Voorts waren er zorgen over hun medische voorgeschiedenis, de vele ziekenhuisopnamen van hen alsmede over de woonsituatie van het gezin. Veilig Thuis heeft daarop een onderzoek ingesteld en een conceptrapport op 19 december 2019 gedeeld met eiseres. Na de reactie van eiseres, in juli 2020, heeft Veilig Thuis de advocaat van eiseres in oktober 2020 de definitieve versie van het rapport toegestuurd.
3.
Het opstellen van een rapport heeft na de melding dus twee jaar geduurd. Daarover heeft eiseres niet geklaagd. Wel verzette zij zich tegen de bemoeienissen van Veilig Thuis met haar gezin. Voorts wenste eiseres de sluiting en vernietiging van het dossier van Veilig Thuis te bewerkstelligen. Veilig Thuis had namelijk geconcludeerd dat de medische consumptie van de kinderen van eiseres bovenmatig was en dat er voedingsproblemen in het gezin waren. Daarop had Veilig Thuis geadviseerd, tegen de wensen van eiseres in, om de zorg rond en voor eiseres en haar kinderen beter af te stemmen en specifieke coördinatoren aan te wijzen. Veilig Thuis zou deze maatregelen een half jaar later monitoren.
4.
Eiseres was het, zoals gezegd, oneens met dit advies, maar eveneens met de voorgenomen maatregelen en het voorgestelde monitoren daarvan. Eiseres stelde zich bij het indienen van een vordering tot schadevergoeding bij de rechtbank op het standpunt dat Veilig Thuis zich zonder wettelijke grondslag en zonder de toestemming van eiseres, inmengt in de persoonlijke levenssfeer van eiseres en haar gezin, handelt in strijd met art. 8 EVRM, alsmede met de geneeskundige behandelingsovereenkomst.
5.
Ten aanzien van de wettelijke grondslag van het advies, de maatregelen en het monitoren van de implementatie van de maatregelen overweegt de rechtbank als volgt. Volgens de rechtbank sluiten het geven van advies, het bieden van hulp en het controleren van de maatregelen aan bij het takenpakket van Veilig Thuis zoals opgenomen in art. 4.1.1 lid 2 Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). De rechtbank beziet deze taken in het licht van het wettelijk kader, waaronder de Jeugdwet. De rechtbank legt die taken ruim uit, conform de doelen van Veilig Thuis, te weten voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld. Om die reden oordeelt de rechtbank dat de door eiseres bestreden handelingen van Veilig Thuis niet onrechtmatig waren. Daarover het volgende.
6.
Deze redenering van de rechtbank is juridisch gezien niet waterdicht. Een wettelijke taak schept als zodanig nog geen bevoegdheden. Voor het uitoefenen van macht, waaronder het inbreuk maken op (grond)rechten, moet er een wettelijke basis zijn die het nemen van maatregelen legitimeert. Indien er zo’n basis is, mag het overheidsorgaan slechts gebruikmaken van die bevoegdheden voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is (vgl. art. 5:13 Awb). De rechtbank draait dit om; vanuit de taken van Veilig Thuis zijn er volgens de rechtbank bevoegdheden om de taken te vervullen. Die bevoegdheden zijn er volgens de Wmo 2015 wel met betrekking tot specifieke zaken, zoals het verwerken van persoonsgegevens (art. 5.2:7 Wmo 2015), maar niet in algemene zin. Nu is er voor het voeren van overleg met bijvoorbeeld andere professionals geen wettelijke basis nodig, maar dat impliceert niet dat Veilig Thuis alle maatregelen mag opleggen die het nodig acht, behoudens maatregelen die vallen onder de wettelijk gereguleerde bescherming van persoonsgegevens. En wat mag Veilig Thuis zoal doen om de effectiviteit van maatregelen te monitoren? Wie moeten daaraan meewerken?
7.
Gelet hierop is het begrijpelijk dat eiseres naar voren brengt dat Veilig Thuis heeft gehandeld in strijd met art. 8 EVRM. Dat er sprake is van een inmenging in de zin van dat artikel wordt door Veilig Thuis niet betwist. De vraag is of deze inmenging bij wet is voorzien, zoals art. 8 lid 2 EVRM vereist. De rechtbank stelt vast dat de bestreden maatregelen geen wettelijke basis in het nationale recht hebben. Maar met betrekking tot de wettelijke basis van de maatregelen moet ook worden gekeken naar de kwaliteit van de wettelijke basis, in de zin dat de maatregelen duidelijk, voorzienbaar en voldoende toegankelijk zijn (r.o. 4.10). Zie ik het goed, dan verwijst de rechtbank hier naar de zaak Sunday Times van het EHRM (EHRM 26 april 1979, Sunday Times t. het VK, ECLI:CE:ECHR:1979:0426JUD000653874). In deze zaak bepaalde het EHRM dat onder het begrip ‘wet’ niet alleen in een wet vastgelegde regels worden verstaan maar ook ongeschreven wetten. Dat laatste niet in de laatste plaats vanwege het belang van ongeschreven regels onder de common law. Voor beide soorten wetten geldt volgens het EHRM de eis dat de rechtsregels voldoende toegankelijk en voorzienbaar moeten zijn. Volgens mij legt het EHRM de regels inzake ‘voorzien bij wet’ aldus net iets anders uit dan de rechtbank in haar vonnis, een vonnis waarin de rechtbank spreekt over een ‘regeling’ terwijl het EHRM juist had aangegeven dat regels ook zonder dat zij zijn uitgeschreven kunnen bestaan. Bovenal voldoen rechtsregels, niet neergelegd in een formele wet en niet in een materiële wet, niet snel aan de eisen van toegankelijkheid en voorzienbaarheid. De rechtbank heeft deze juridische horde aldus te snel genomen.
8.
Met deze kritische opmerking wil ik niet suggereren dat de wetgever geen (formele of materiële) wetgeving met bevoegdheden ter bestrijding van huiselijk geweld mag aannemen. Het EHRM heeft het afgelopen jaar in diverse zaken geoordeeld dat huiselijk geweld adequaat door verdragsstaten moet worden voorkomen en bestreden. Zo moeten verdragsstaten een afdoende wettelijk kader scheppen om burgers voldoende bescherming te bieden tegen allerlei vormen van huiselijk geweld en die maatregelen ook in de praktijk brengen (zie bijv. EHRM 14 december 2021, Tunikova e.a. t. Rusland, ECLI:CE:ECHR:2021:1214JUD005597416; EHRM 7 juli 2022, M.S. t. Italië, ECLI:CE:ECHR:2022:0707JUD003271519 en EHRM 22 november 2022, G.M. e.a. t. Moldavië, 44394/15, ECLI:CE:ECHR:2022:1122JUD004439415). Anders gezegd, verdragsstaten zoals Nederland moeten hun regelgeving zo inrichten dat huiselijk geweld kan en maximaal wordt voorkomen en bestreden.
9.
De derde vordering van eiseres had betrekking op een gestelde onrechtmatige inmenging van Veilig Thuis in de geneeskundige behandelingsovereenkomsten met haar en haar kinderen. Uit het vonnis komt niet helemaal helder naar voren waarop eiseres met dit klachtonderdeel doelt. Het klopt in ieder geval dat artsen in beginsel zonder toestemming van de patiënt geen informatie over hen met anderen mogen delen. Dit is echter wel toegestaan indien het delen van informatie als ‘goed hulpverlener’ gerechtvaardigd is om ernstig nadeel te voorkomen (art. 7:453 BW). Het voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld en kindermishandeling kan zo’n reden zijn (zie o.a. Besluit verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling). Eiseres suggereert met haar klacht evenwel dat Veilig Thuis gebruik heeft gemaakt van de medische informatie over haar en haar kinderen. Dit laatste heeft zij volgens de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Reden voor de rechtbank om ook dit klachtonderdeel af te wijzen.
10.
De rechtbank heeft de vorderingen om schadevergoeding van eiseres aldus afgewezen. De juridische onderbouwing met betrekking tot de wettelijke grondslagen van de bestreden maatregelen is evenwel niet sluitend. Daarmee is niet gezegd dat de vorderingen hadden moeten worden toegewezen; toewijzing van schadevergoeding veronderstelt ook dat eiseres had aangetoond concrete schade te hebben geleden. Niettemin geeft dit vonnis te denken over de mate waarin maatregelen ter voorkoming en bestrijding van huiselijk geweld, zoals als doelstellingen genoemd in de Wmo 2015, niet een duidelijker wettelijke basis moeten krijgen.
Voetnoten
Voetnoten
EHRM, Guide on Article 8 of the Convention – Right tot respect for private and family life, versie 31 augustus 2022.
EHRM 21 juni 2011, no. 30194/09 (Shimovolos v. Russia) en EHRM 18 oktober 2016, no. 61838/10 (Vukota-Bojic v Switzerland).