HR, 13-03-2006, nr. K 338
ECLI:NL:HR:2006:AX8887
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
13-03-2006
- Zaaknummer
K 338
- LJN
AX8887
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2006:AX8887, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 13‑03‑2006
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AX8887
ECLI:NL:HR:2006:AX8887, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 13‑03‑2006; (Raadkamer)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AX8887
Conclusie 13‑03‑2006
K338
Aan de Hoge Raad der Nederlanden, Vierde Meervoudige Kamer,
Vordering als bedoeld in artikel 46o van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren
Op 19 december 2005 heeft de Hoge Raad overeenkomstig art. 46f lid 2 in verband met art. 46g lid 1 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra) de verlenging van de schorsing als rechterlijk ambtenaar voor de wettelijke termijn van drie maanden uitgesproken van
[betrokkene]
geboren op [geboortedatum] 1957 te [geboorteplaats], wonende aan [a-straat 1] te [woonplaats].
In december 2005 was de stand van zaken in de strafzaak tegen de betrokkene dat het gerechtelijk vooronderzoek was gesloten en dat een kennisgeving van verdere vervolging was betekend. De Hoge Raad heeft de schorsing verlengd omdat uit de kennisgeving van verdere vervolging bleek dat er een ernstig vermoeden was voor het bestaan van feiten of omstandigheden die tot ontslag op grond van art. 46rn, aanhef en onder a, Wrra zouden kunnen leiden.
Inmiddels heeft het Openbaar Ministerie besloten op korte termijn over te zullen gaan tot dagvaarding van de betrokkene voor een terechtzitting van de meervoudige strafkamer van de Rechtbank Zwolle. Ik verwijs naar de brief met bijlagen van de Hoofdofficier van Justitie, mr. A.B. Vast, van 22 februari 2006, welke ik bij deze vordering overleg. Daaruit volgt dat het ernstig vermoeden als hiervoor bedoeld onverminderd aanwezig is. Van overige nieuwe feiten en omstandigheden ten aanzien van de grond voor de schorsing is mij niet gebleken.
Wel is sprake van een nieuwe omstandigheid ten aanzien van de duur van de verlenging van de schorsing. Bij Koninklijk Besluit van 17 februari 2006 is de betrokkene met ingang van 30 april 2006 op eigen verzoek ontslag verleend als raadsheer in het Gerechtshof Leeuwarden. Een kopie van het besluit leg ik bij deze vordering over.
Door dit ontslag verliest de betrokkene de hoedanigheid van rechterlijk ambtenaar als bedoeld in art. 46b Wrra. Alsdan zijn hoofdstuk 6A van die wet en de in dat hoofdstuk vervatte bepalingen over schorsing niet langer van toepassing op de betrokkene. Dit brengt mee dat de schorsing dient te eindigen met ingang van de datum van het ontslag. Dat de schorsing kan worden verlengd voor een kortere duur dan drie maanden volgt uit art. 46g lid 1 Wrra dat bepaalt dat de Hoge Raad de maatregel telkens voor ten hoogste drie maanden kan verlengen.
Op 8 maart 2006 heeft de raadsman van de betrokkene, mr. J.P. Plasman, mij medegedeeld dat de betrokkene geen gebruik wil maken van de gelegenheid door de Procureur-Generaal op de onderhavige vordering tot verlenging van de schorsing te worden gehoord en dat hij zich refereert aan het oordeel van de Hoge Raad. Een gehoor als bedoeld in art. 46o lid 3 Wrra heeft derhalve niet plaatsgevonden.
Gelet op het voorafgaande vorder ik dat de Hoge Raad de op 7 juli 2005 uitgesproken, en op 28 september en 19 december 2005 verlengde schorsing van [betrokkene] op de voet van art. 46f lid 2, aanhef en sub b, in verband met art. 46 g lid 1 Wrra zal verlengen, zulks tot 30 april 2006.
's-Gravenhage, 8 maart 2006
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
Uitspraak 13‑03‑2006
Inhoudsindicatie
Beslissing 4e kamer op vordering PG HR tot verlenging schorsing raadsheer hof i.v.m. verdenking misdrijf. Gelet op het verhandelde in de eerdere raadkamers en een brief van de OvJ inhoudend dat binnenkort tot dagvaarding van betrokkene zal worden overgegaan is de HR van oordeel dat de in het arrest van 19-12-05 genoemde grond voor verlenging van de schorsing, namelijk dat er een ernstig vermoeden is voor het bestaan van feiten of omstandigheden die tot ontslag ex art. 46m.1 Wrra zouden kunnen leiden, nog onverminderd aanwezig is. Nu bij KB aan betrokkene m.i.v. 30-4-06 ontslag is verleend en hij m.i.v. die datum geen rechterlijk ambtenaar meer zal zijn ex art. 46b Wrra, zal de HR de schorsing verlengen tot 30-4-06.
13. maart 2006
Vierde Kamer
SB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een vordering als bedoeld in art. 46o van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden van 8 maart 2006, tot verlenging van de schorsing als rechterlijk ambtenaar van:
[betrokkene], geboren op [geboortedatum] 1957 te [woonplaats], wonende te [woonplaats].
- 1.
De vordering van de Procureur-Generaal
De Procureur-Generaal heeft schriftelijk gevorderd dat de op 7 juli 2005 door de Hoge Raad uitgesproken en op 28 september 2005 en 19 december 2005 telkens met drie maanden verlengde schorsing van de betrokkene als rechterlijk ambtenaar wederom zal worden verlengd tot 30 april 2006. Bij de vordering heeft de Procureur-Generaal de volgende stukken overgelegd:
- i)
een brief van 22 februari 2006 van mr. A.B. Vast, Hoofdofficier van Justitie bij het Arrondissementsparket Zwolle-Lelystad, inhoudende dat op korte termijn tot dagvaarding van de betrokkene voor een terechtzitting van de meervoudige kamer van de rechtbank te Zwolle zal worden overgegaan.
- ii)
een Koninklijk Besluit van 17 februari 2006, waarbij aan de betrokkene met ingang van 30 april 2006 op eigen verzoek ontslag is verleend als raadsheer in het Gerechtshof te Leeuwarden.
- 2.
De Raadkamer
Op 13 maart 2006 is door de Hoge Raad in raadkamer een onderzoek ingesteld. De raadsman van de betrokkene mr. J.P. Plasman, advocaat te Amsterdam, heeft aan de Procureur-Generaal laten weten dat de betrokkene zich wenst te refereren aan het oordeel van de Hoge Raad en dat noch hij noch de betrokkene in raadkamer zal verschijnen.
- 3.
Beoordeling
De betrokkene is raadsheer in het Gerechtshof te Leeuwarden en derhalve rechterlijk ambtenaar als bedoeld in art. 46b van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (hierna: Wrra). Gelet op het verhandelde in de eerdere raadkamers en het hiervoor onder 1 sub i) genoemde stuk is de Hoge Raad van oordeel dat de in het arrest van 19 december 2005 genoemde grond voor verlenging van de schorsing, namelijk dat er een ernstig vermoeden is voor het bestaan van feiten of omstandigheden die tot ontslag op grond van artikel 46m, aanhef en onder a, Wrra zouden kunnen leiden, nog onverminderd aanwezig is.
Nu bij Koninklijk Besluit van 17 februari 2006 aan de betrokkene met ingang van 30 april 2006 ontslag is verleend en hij met ingang van die datum geen rechterlijk ambtenaar meer zal zijn in de zin van art. 46b Wrra, zal de Hoge Raad de schorsing verlengen tot 30 april 2006.
- 4.
Beslissing
De Hoge Raad verlengt de schorsing van [betrokkene], raadsheer in het Gerechtshof te Leeuwarden, als rechterlijk ambtenaar tot 30 april 2006.
Dit arrest is gewezen door de president W.J.M Davids als voorzitter, de vice-president A.G. Pos, en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, P.C. Kop en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2006.