Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/8.4.4
8.4.4 Art. 5:61 lid 1 sub c
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS486024:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Voetnoten
Voetnoten
Davids 1994, p. 7.
Parl. Gesch. Boek 5, p. 224 en 225.
Davids 1994, p. 7.
Overigens is Wibbens-de Jong 2006 van mening dat zo’n brand niet tot het einde van mandeligheid zal leiden. Zij koppelt hieraan de voorwaarde van aanwezigheid van concrete nieuwbouwplannen. Deze laatste voorwaarde leidt tot allerlei vragen: wanneer moeten die nieuwbouwplannen er zijn? Hoe concreet moeten de plannen zijn? En wat als de plannen leiden tot de bouw van een veel kleiner buurthuis met veel parkeergelegenheid voor omwonenden (deelgenoten in de mandeligheid); als Wibbens-de Jong: Berger 2005, p. 587 en 588.
Pitlo/Reehuis/Heisterkamp 2006, p. 456
Davids 1994, p. 6.
Asser/Mijnssen/Davids/VanVelten 2002 (3-II), p. 192.
Asser/Mijnssen/Van Dam/Van Velten 2002 (3-II), p. 192.
Pitlo/Reehuis/Heisterkamp 2006, p. 456. Rodrigues Lopes 1996, p. 12 en 13; Snijders/Rank-Berenschot 2001, p. 185: ‘De belanghebbende beschouwe die inschrijvingsmogelijkheid niet als een aardige geste van de wetgever.’
Volgens de wettelijke bepalingen eindigt mandeligheid als het nut voor elk van de erven eindigt. Zolang nog sprake is van nut voor een erf blijft de mandeligheid bestaan.1
‘Het zou immers onredelijk zijn dat, wanneer de zaak nog voor een mede-eigenaar nut afwerpt, de andere eigenaars haar verdeling of vervreemding zouden kunnen doorzetten.’2
Deze wijze van tenietgaan was, zoals wij hiervoor in par. 8.2 zagen, reeds in het Ontwerp-Meijers opgenomen. Het betreft hier een zeer feitelijke wijze van tenietgaan. Meestal zal geen sprake zijn van een rechtshandeling.3 Als voorbeelden worden in de literatuur genoemd: het buurthuis brandt af;4 een gemeenschappelijke aanlegsteiger aan een water mag vanwege een overheidsmaatregel niet meer gebruikt worden.5 De totstandkoming van een andere voorziening kan tot het einde van de mandelige voorziening leiden.6 In meer algemene termen spreekt Asser/Mijnssen/Davids/Van Velten7 over de wijziging van de bestemming van de erven of de totstandkoming van nieuwe voorzieningen.
Herleving van mandeligheid, bijvoorbeeld na herbouw van het afgebrande buurthuis, is mijns inziens, niet mogelijk. Onzekerheid zou het gevolg zijn.
‘Bovendien zou het de eigenaar kunnen verplichten tot de absurde handeling van opheffing van een reeds geëindigde mandeligheid.’8
Teneinde naar derden duidelijkheid te creëren kan het feit dat het nut is geëindigd in de openbare registers worden ingeschreven.
Indien het nut is geëindigd terwijl daarvan niet blijkt uit de openbare registers en een derde te goeder trouw is, wordt hij beschermd op grond van art. 3:24.9
Is de mandeligheid geëindigd dan blijft een gewone gemeenschapbestaan. Hetgeen daarover hiervoor in par. 8.4.3 is gezegd, geldt ook hier.
Ik acht deze wijze van eindiging van mandeligheid ongewenst – in ieder geval – zolang de deelgenoten nog plannen hebben om tot herstel van de mandelige zaak over te gaan. Niet alleen sluit de regeling niet aan bij de praktijk – het buurthuis zal veelal worden herbouwd –; ook wordt aldus rechtsonzekerheid gecreëerd.
Ik zou daarom willen voorstellen deze wijze van eindiging te doen opgaan in het bepaalde in art. 5:61 lid 1 sub b. Slechts indien daartoe uitdrukkelijk is besloten en van de terzake gesloten overeenkomst blijkt uit de openbare registers, eindigt mandeligheid. Aldus wordt ook aansluiting gezocht bij het bepaalde in art. 5:143 lid 2.