Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/II.7.3
II.7.3 Aanvullende bescherming voor bestuurders?
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460401:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
De formele bevoegdheid van een bestuurder kan hooguit een (weerlegbaar) vermoeden opleveren met betrekking tot beschikkingsmacht of bevoegdheid ten aanzien van (het voorkomen van) de verboden gedraging.
Zie par. IV.3.
Zo wordt door sommige auteurs betoogd dat het opzetvereiste dat in deze daderschapsvorm ligt besloten moet worden losgelaten en dat voor het aannemen van aansprakelijkheid wegens feitelijk leidinggeven de schending van een zorgplicht voldoende zou moeten zijn. Zie o.a. A-G Vellinga in diens conclusie voor HR 14 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8789, NJ 2012/133, instemmend ontvangen door Kesteloo 2013, p. 102-104. Voor toelichting op dit standpunt met verdere verwijzingen van auteurs die dit hebben betoogd, zie Hornman 2016b, par.6, Hornman 2016a, par. II.5.3, en par. X en XI waarin Hornman uitwerkt op welke manier een zorgplichtschending invulling kan geven aan het opzet-vereiste.
Dit argument werd voor het eerst door de Hoge Raad genoemd in HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, NJ 2009/21, m.nt. Maeijer en Snijders (Willemsen/NOM), r.o. 5.3, en is herhaald in onder meer HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627, NJ 2015/22, m.nt. Van Schilfgaarde (RCI Financial Services), r.o. 4.2. Het argument kan worden herleid tot de invloedrijke oratie van Kroeze: Kroeze 2005.
Kroeze 2005, par. 5.
In deze zin D.R. Doorenbos, ‘Zuinig met bestuurdersaansprakelijkheid’, 3 maart 2015, laatst aangepast op 22 februari 2021, te raadplegen op: https://www.mr-online.nl/zuinig-met-bestuurdersaansprakelijkheid/.Instemmend: K.M.G. Demandt, Hertoghs Advocaten blog #225 ‘Ook voor strafrechtelijke aansprakelijkheid moet de rechtspersoon vóór de natuurlijke persoon gaan’, 19 juli 2021, te raadplegen op: https://hertoghsadvocaten.nl/kennisbank/ook-voor-strafrechtelijke-aansprakelijkheid-moet-de-rechtspersoon-voor-de-natuurlijke-persoon-gaan/?post_type=kennisbank. Zie voorts Doorenbos 2015c en de opmerking van Assink in het verslag van de discussie op het IVOR symposium 200, Assink e.a. 2011, p. 97.
Zie daaromtrent par. IV.3.4.
Zie hieromtrent in algemene zin Jörg, Kelk & Klip 2012, p. 326-327.
Dit licht ik verder toe in par. IV.3.4.6.
Zie par. II.5.4.2. Zie voorts D.R. Doorenbos, ‘Zuinig met bestuurdersaansprakelijkheid’, 3 maart 2015, laatst aangepast op 22 februari 2021, te raadplegen op: https://www.mr-online.nl/zuinig-metbestuurdersaansprakelijkheid/ die dit argument gebruikt in zijn pleidooi voor terughoudendheid van het strafrechtelijk en bestuursrechtelijk handhaven van financieel-economische wetgeving jegens bestuurders.
Par. IV.3.5.
In het onrechtmatigedaadsrecht heeft de toerekening aan een ander in beginsel ook geen vrijwarend effect voor de handelende persoon. Zie par. IV.3.3.
In deze zin ook Karapetian & Verstijlen 2020, p. 221. Zie voorts Rb. Overijssel 25 november 2019, ECLI:NL:RBOVE:2019:4372 t.a.v. feit 5, waarin de leidinggevende zich niet kan verschuilen achter eventueel daderschap van de rechtspersoon; hij vervult alle bestanddelen en kan daarom worden aangemerkt als pleger.
Kelk/De Jong 2016, p. 443-445; Jörg, Kelk & Klip 2012, p. 160. Blomberg & Koopmans 2015, p. 72.
Karapetian en Verstijlen 2020, par. 4.4 en Blomberg & Koopmans 2015, p. 74.
De aansprakelijkheidsfiguur feitelijk leidinggeven is juist in het leven geroepen om naast of in plaats van de rechtspersoon ook de strafrechtelijke vervolging in te stellen tegen natuurlijke personen binnen de rechtspersoon. Het opwerpen van aanvullende drempels voor bestuurders zou aan dit doel in de weg staan. Zie hieromtrent par. II.5.4.2.
Hiervoor heb ik aan de hand van de vereisten die gelden voor strafrechtelijke milieuaansprakelijkheid betoogd dat leidinggevenden niet lichtzinnig (kunnen) worden gestraft voor het begaan van een milieudelict in bedrijfscontext. De aansprakelijkheidsvereisten geven geen aanleiding om te differentiëren tussen bepaalde ‘soorten’ leidinggevenden, zoals bijvoorbeeld in ondernemingsrechtelijke aansprakelijkheidsregelingen soms wel het geval is. Integendeel: voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid is juist de feitelijke situatie doorslaggevend en wordt gekeken naar de materiële verantwoordelijkheid van een leidinggevende voor een bepaalde milieuovertreding; de formele positie van de leidinggevende speelt alleen indirect een rol.1
Is er desalniettemin toch reden om voor bepaalde groepen leidinggevenden een uitzondering te maken, meer specifiek voor bestuurders van rechtspersonen? Anders dan in het privaatrecht2 leeft deze discussie als gezegd niet echt in het strafrecht (wat op zichzelf al een aanwijzing is). Voor zover de ondergrens voor strafrechtelijke aansprakelijkheid van leidinggevenden al ter discussie staat, gaat de discussie vooral over de vraag of de aansprakelijkheidsdrempel niet zou moeten worden verlaagd.3
Desalniettemin ga ik hierna in op de twee belangrijkste redenen die in het privaatrechtelijke bestuurdersaansprakelijkheidsdebat worden aangevoerd ter rechtvaardiging van de verhoogde aansprakelijkheidsdrempel voor bestuurders, en bespreek ik of deze argumenten aanleiding geven om in het strafrecht voor bestuurders af te wijken van de gewone aansprakelijkheidsvereisten.
De eerste reden die in privaatrechtelijke kringen wordt aangevoerd ter rechtvaardiging van het afwijkende, restrictieve aansprakelijkheidsregime voor bestuurdersaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad, is dat met een hogere aansprakelijkheidsdrempel kan worden voorkomen dat bonafide bestuurders onwenselijk defensief gedrag vertonen vanwege dreigende aansprakelijkheid (het zogenoemde ‘bange bestuurders-argument’).4 De aanvullende bescherming tegen aansprakelijkheid zou voor de nodige gemoedsrust moeten zorgen, zodat bestuurders niet terugdeinzen voor risicovolle, maar potentieel zeer winstgevende beslissingen.5 Ook in strafrechtelijke kringen zijn er auteurs die menen dat om deze reden men ‘zuinig met strafrechtelijke bestuurdersaansprakelijkheid’ moet omspringen.6
In het privaatrechtelijke hoofdstuk betoog ik dat het bange bestuurders-argument berust op een combinatie van misverstanden, en dat dit argument de toepassing van een afwijkend, restrictief aansprakelijkheidsregime voor bestuurders niet kan rechtvaardigen. Ik wijs er onder meer op dat bonafide bestuurders niet bang hoeven te zijn voor het ‘gewone’ aansprakelijkheidsregime van artikel 6:162 BW, dat eventuele angst van bestuurders voor persoonlijke aansprakelijkheid niet correspondeert met de werkelijke aansprakelijkheidsrisico’s, en dat er geen bewijs is dat bestuurders zich daadwerkelijk anders gedragen vanwege angst voor persoonlijke aansprakelijkheid.7 Deze kwestie laat ik voor nu rusten, want zelfs als wordt aangenomen dat aansprakelijkheidsregels wél de veronderstelde invloed hebben op het gedrag van bestuurders, dan nog geeft dit mijns inziens geen aanleiding om bestuurders te beschermen tegen strafrechtelijke milieuaansprakelijkheid.
De (dreiging van) strafrechtelijke aansprakelijkheid voor milieuovertredingen leidt mijns inziens namelijk niet tot onwenselijk risicomijdend gedrag. Integendeel: door het strafbaar stellen van bepaalde soorten gedragingen, wordt juist een bepaald afschrikwekkend effect beoogd (zowel generale als speciale preventie).8 Je zou zelfs kunnen stellen dat als het aankomt op de naleving van milieuverplichtingen, het bestaan van ‘bange bestuurders’ niet een inherent onwenselijk fenomeen is. Daarnaast kunnen op grond van (milieu)delicten speciale zorgplichten voor bepaalde normadressaten in het leven worden geroepen. Aanvullende bescherming van deze groep ondermijnt de beoogde verantwoordelijkheidsbedeling van de betreffende normen.9
Een tweede argument dat in het privaatrechtelijke bestuurdersaansprakelijkheidsdebat wordt gebruikt om de hogere aansprakelijkheidsdrempel voor bestuurders te rechtvaardigen, is de gedachte dat de rechtspersoon moet worden aangemerkt als de ‘primaire dader’ van een onrechtmatige daad en dat de aansprakelijkheid van de bestuurders een secundair karakter heeft. In deze zienswijze vloeit het secundaire karakter van de bestuurdersaansprakelijkheid voort uit de mogelijkheid om een onrechtmatige daad toe te rekenen aan de rechtspersoon. Daarnaast wordt het primaire daderschap soms gebaseerd op de gedachte dat de rechtspersoon de (primaire) normadressaat is van het voorschrift dat wordt geschonden. Ook in het strafrechtelijke discours zijn er auteurs die menen dat het daderschap van leidinggevenden ‘secundair’ is aan of ‘afgeleid’ is van het daderschap van de rechtspersoon.10 In het privaatrechtelijke hoofdstuk licht ik toe waarom de secundaire status van de onrechtmatigedaadsaansprakelijkheid van de bestuurder onterecht is.11 In het strafrecht treft dit argument ook geen doel.
Ten eerste is het weliswaar onder omstandigheden mogelijk om handelingen van bestuurders toe te rekenen aan de rechtspersoon, maar de toerekening van een verboden gedraging aan een ander ontslaat de handelende persoon (ook in het strafrecht12) niet van zijn eigen verplichtingen.13 Ten tweede vormt de adressering van de norm geen grond om het daderschap van de rechtspersoon boven die van de bestuurder te plaatsen. In paragraaf II.6.3 bleek dat tal van milieuvoorschriften juist (mede) zijn geadresseerd aan natuurlijke personen binnen een rechtspersoon die zeggenschap hebben over de milieubelastende activiteiten waarop de voorschriften betrekking hebben. Met andere woorden, bestuurders zullen vaak ook zelf normadressaat zijn van milieunormen, en reeds daarom kan de secundaire status van bestuurders niet worden gebaseerd op normadressaatschap (integendeel).
Maar ook al zou slechts de rechtspersoon worden geadresseerd door milieuvoorschriften (quod non), dan nog rechtvaardigt het niet de toepassing van aanvullende aansprakelijkheidsvoorwaarden of een rangorde tussen het daderschap van de rechtspersoon en diens bestuurder. Deelnemingsfiguren zoals medeplegen en feitelijk leidinggeven maken het immers mogelijk om een niet-normadressaat aan te merken als dader.14 De ratio van feitelijk leidinggeven is – in de woorden van Karapetian en Verstijlen – de strafbaarheid van de natuurlijke persoon die feitelijk de hand heeft gehand in het strafbare feit van de rechtspersoon, en de effectiviteit van de desbetreffende strafbepaling.15 Deze deelnemingsfiguur beoogt dus te waarborgen dat ook natuurlijke personen die werkzaam zijn binnen een rechtspersoon de normen die gelden voor de rechtspersoon naleven. Het schept de mogelijkheid om natuurlijke personen die materieel verantwoordelijk zijn voor het milieudelict dat de rechtspersoon begaat te bestraffen. Dan ligt het niet voor de hand om een bestuurder die wordt aangesproken als feitelijk leidinggever toch extra te beschermen met aanvullende aansprakelijkheidsvereisten.
Verder heb ik bij de bestudering van de verschillende daderschapsfiguren in dit hoofdstuk geen aanwijzingen gevonden voor de stelling dat de aansprakelijkheid van bestuurders een ondergeschikt, afgeleid of secundair karakter heeft. Via welke daderschapsvorm de bestuurder ook wordt aangesproken: telkens is vereist dat de bestuurder een zelfstandig, persoonlijk verwijt treft dat niet afhankelijk of afgeleid is van het verwijt dat de rechtspersoon wordt gemaakt.16 Al met al geeft dit argument ook geen aanleiding om voor bestuurders van rechtspersonen een afwijkend, restrictief aansprakelijkheidsregime toe te passen voor de strafrechtelijke milieuaansprakelijkheid van bestuurders.