NJB 2021/2630:Verplichting rechter tot ambtshalve oproeping van getuigen: de Hoge Raad komt tot verdere bijstelling van de rechtspraak in HR 1 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:AB7528. De in deze rechtspraak geformuleerde ambtshalve verplichting om een getuige op te roepen had de Hoge Raad wat betreft de appelfase al aangepast in HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2753. Voor eerste aanleg gold die nog wel. Thans wordt ook voor de eerste aanleg niet langer vastgehouden aan de uit het arrest van HR 1 februari 1994 voortvloeiende (categorische) verplichting tot het ambtshalve oproepen van getuigen. Bovendien vervalt nu de in dat arrest aangeduide (categorische) verplichting tot het ambtshalve oproepen van getuigen in de omstandigheid dat – zowel in eerste aanleg als in hoger beroep – een ambtshalve oproeping van een getuige niet altijd toegevoegde waarde heeft. Die ontbreekt bijvoorbeeld als de rechter al op grond van de voorhanden zijnde stukken en in het licht van wat de procespartijen naar voren hebben gebracht, in staat is zich een oordeel te vormen over de betrouwbaarheid van de tijdens het opsporingsonderzoek afgelegde verklaring. De Hoge Raad voegt hieraan nog wel toe dat ook als geen sprake is van een onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv, het in bijzondere gevallen voor de begrijpelijkheid van het bewijsoordeel noodzakelijk kan zijn dat de rechter motiveert op welke gronden hij de verklaring van een getuige betrouwbaar acht. In casu oordeelt de Hoge Raad dat de opvatting dat als een persoon ten overstaan van de rechter-commissaris terugkomt op een in het opsporingsonderzoek afgelegde belastende verklaring, de rechter een verzoek tot het horen van die persoon als getuige steeds moet toewijzen, gezien het voorgaande geen steun in het recht vindt.