Einde inhoudsopgave
Accountantsaansprakelijkheid (R&P nr. CA20) 2019/5.9.1
5.9.1 Uitkomsten onderzoeken naar de kwaliteit van de accountantscontrole
mr. J.E. Brink-van der Meer, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. J.E. Brink-van der Meer
- JCDI
JCDI:ADS304103:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Algemeen
Juridische beroepen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
AFM, Rapport naar aanleiding van het AFM-onderzoek naar kwaliteit accountantscontrole en stelsel van kwaliteitsbeheersing en -bewaking bij negen OOB-vergunninghouders, 21 maart 2013, p. 5.
AFM, Uitkomsten onderzoek kwaliteit wettelijke controles Big 4 accountantsorganisaties, 25 september 2014 p. 4.
AFM, Rapport algemene bevindingen kwaliteit accountantscontrole en kwaliteitsbewaking (inzake het onderzoek naar de Big 4 kantoren), 1 september 2010. Op pagina 15 van het rapport stelt de AFM dat in 25 van de 46 dossiers sprake was van ontoereikende controle informatie. Opmerkelijk is dat de AFM in het rapport ‘Kwaliteit OOB-accountantsorganisaties onderzocht, Uitkomsten van onderzoeken naar de implementatie en borging van verandertrajecten bij de OOB-accountantsorganisaties en de kwaliteit van wettelijke controles bij de Big 4-accountantsorganisaties’ d.d. 28 juni 2017 spreekt over 24 van de 46 dossiers (pagina 46).
Het betrof 22 accountantscontroles bij OOB’s en 24 accountantscontroles bij niet-OOB’s.
AFM, Uitkomsten onderzoek kwaliteit wettelijke controles Big 4 accountantsorganisaties, 25 september 2014, p. 6.
Ter toelichting: Er wordt bedoeld dat niet alle verkregen informatie geschikt is, niet dat de verkregen informatie in z’n geheel niet geschikt is.
AFM, Rapport algemene bevindingen kwaliteit accountantscontrole en kwaliteitsbewaking (inzake het onderzoek naar de Big 4 kantoren), 1 september 2010, p. 15.
AFM, Nieuwsbericht, 25 september 2014.
AFM, Kwaliteit OOB-accountantsorganisaties onderzocht, Uitkomsten van onderzoeken naar de implementatie en borging van verandertrajecten bij de OOB-accountantsorganisaties en de kwaliteit van wettelijke controles bij de Big 4-accountantsorganisaties, 28 juni 2017, p. 44 e.v.
AFM, Kwaliteit OOB-accountantsorganisaties onderzocht, Uitkomsten van onderzoeken naar de implementatie en borging van verandertrajecten bij de OOB-accountantsorganisaties en de kwaliteit van wettelijke controles bij de Big 4-accountantsorganisaties, 28 juni 2017, p. 5.
AFM, Rapport naar aanleiding van het AFM-onderzoek naar kwaliteit accountantscontrole en stelsel van kwaliteitsbeheersing en -bewaking bij negen OOB-vergunninghouders, 21 maart 2013.
AFM, Themaonderzoek niet-OOB-accountantsorganisaties, Samenvatting onderzoeksbevindingen,26 november 2013.
AFM, Themaonderzoek niet-OOB-accountantsorganisaties, Deel 1: NBA-kantoren, 11 juli 2013.
AFM, Themaonderzoek niet-OOB-accountantsorganisaties, Deel 2: SRA-kantoren, 26 november 2013.
Eijkelenboom/Hijink (2014), p. 91.
Eijkelenboom/Hijink (2014), p. 91.
Reimers & Tillema (2014), p. 500 e.v.
Eijkelenboom/Hijink (2014), p. 92.
De AFM heeft, als onderdeel van het doorlopend toezicht op grond van artikel 48 a Wta, de laatste jaren diverse onderzoeken gedaan naar de kwaliteit van de wettelijke controle. Daartoe werd een onderscheid gemaakt tussen Big 4 kantoren, andere OOB vergunninghouders en niet-OOB vergunninghouders.
Het onderscheid tussen OOB vergunninghouders en niet-OOB vergunninghouders volgt uit de Wta. Onder andere uit artikel 48a Wta dat de AFM tot een driejaarlijks onderzoek bij OOB vergunninghouders verplicht en een zesjaarlijks onderzoek bij niet-OOB vergunninghouders.
Het onderscheid tussen Big 4 kantoren en andere OOB vergunninghouders volgt niet uit de wet, maar hangt waarschijnlijk samen met het feit dat de Big 4 kantoren gezamenlijk ongeveer 91 procent van het totaal aantal wettelijke controles bij OOB’s verrichten en ongeveer 51 procent van het totaal aantal wettelijke controles bij niet-OOB’s.1
Onderzoek Big 4 kantoren
De Big 4 kantoren nemen circa 76 procent van de totale omzet voor hun rekening die Nederlandse accountantsorganisaties behalen met het verrichten van wettelijke controles.2 Bij het eerste reguliere onderzoek bij Big 4 kantoren in 2009 en 20103 is door de AFM geconstateerd dat 54% van de beoordeelde wettelijke controles ‘onvoldoende’ is (25 van de 46 controles4). Bij het vervolgonderzoek bij Big 4 kantoren in 2013 en 20145 is vervolgens door de AFM geconstateerd dat 45% van de beoordeelde wettelijke controles ‘onvoldoende’ is (18 van de 40 controles). Bij deze wettelijke controles hebben de accountants naar het oordeel van de AFM ‘geen voldoende en geen geschikte6controle-informatie’ verkregen om hun oordeel over de jaarrekening als geheel te onderbouwen.
Verder schoten in 2010 kantoren tekort in hun plicht ‘om die maatregelen te nemen die nodig zijn om te waarborgen dat de wettelijke controles met de vereiste professioneel-kritische instelling worden verricht zoals vereist door COS 200, paragraaf 157’ (artikel 14 Wta).
De AFM heeft in 2013/2014 bij alle vier de Big 4-accountantsorganisaties tien wettelijke controles beoordeeld met betrekking tot het boekjaar 2012, waarbij de controleverklaringen grotendeels zijn afgegeven in 2013. De AFM heeft vier wettelijke controles bij Deloitte als onvoldoende aangemerkt, drie bij EY, zeven bij KPMG en vier bij PwC.
Het bekendmaken van kantoorspecifieke bevindingen is mogelijk sinds 1 januari 2014. Sindsdien bevat de Wta de mogelijkheid voor de AFM om kantoorspecifieke bevindingen te publiceren, met dien verstande dat die bevindingen en conclusies niet herleidbaar zijn tot andere personen dan de betrokken accountantsorganisaties (artikel 48 a lid 5 Wta).
De AFM heeft de volgende reactie gegeven met betrekking tot de onderzoeksresultaten: ‘De kwaliteit van wettelijke controles door de vier grootste accountantsorganisaties is de afgelopen jaren onvoldoende verbeterd. Het aantal wettelijke controles dat de Autoriteit Financiële Markten (AFM) als onvoldoende heeft aangemerkt, is te hoog. De accountancysector moet zo snel mogelijk concrete maatregelen doorvoeren om de kwaliteit van de wettelijke controle te waarborgen en het publiek belang meer centraal te stellen’.8 De AFM heeft vervolgens op 16 maart 2016 boetes opgelegd aan Deloitte (een boete van € 1.810.000), EY (een boete van € 2.230.000), KPMG (een boete van € 1.245.000) en PwC (een boete van € 845.000) naar aanleiding van het onderzoek in 2013/2014. De boetes zijn opgelegd omdat de AFM van mening is dat deze accountantsorganisaties niet aan hun zorgplicht hebben voldaan (zie paragraaf 5.9.3 over de door de AFM gehanteerde definitie van zorgplicht). De boete van Deloitte en EY is verdubbeld, omdat de AFM Deloitte en EY eerder heeft beboet voor eenzelfde overtreding. PwC en EY hebben bezwaar aangetekend tegen de opgelegde boetes. Bij een nieuw regulier onderzoek bij Big 4 kantoren in 2015 en 20169 is door de AFM geconstateerd dat 59% van de beoordeelde wettelijke controles ‘onvoldoende’ is (19 van de 32 controles). Bij deze wettelijke controles hebben de accountants naar het oordeel van de AFM geen voldoende en geen geschikte controle- informatie verkregen om hun oordeel over de jaarrekening als geheel te onderbouwen. De AFM heeft bij alle vier de Big 4-accountantsorganisaties acht wettelijke controles beoordeeld met betrekking tot het boekjaar 2014 en 2015. De AFM heeft drie wettelijke controles bij Deloitte als onvoldoende aangemerkt, zes bij EY, zes bij KPMG en vier bij PwC. De AFM heeft de volgende reactie gegeven met betrekking tot de onderzoeksresultaten: ‘Het aantal uitgevoerde wettelijke controles dat als ‘onvoldoende’ is gekwalificeerd bij elk van de Big 4-accountantsorganisaties is net als in het voorgaande reguliere onderzoek in 2014 te hoog. De AFM heeft van de 32 onderzochte wettelijke controles er 19 als ‘onvoldoende’ gekwalificeerd: 3 bij Deloitte, 4 bij PwC en 6 bij KPMG en EY. De kwaliteitswaarborgen van deze accountantsorganisaties hebben dit niet tijdig voorkomen of gedetecteerd. De AFM constateert dat de meest voorkomende tekortkomingen in de onvoldoende uitgevoerde wettelijke controles qua aard vergelijkbaar zijn met die in het voorgaande reguliere onderzoek10’.
Andere OOB vergunninghouders
Uit het onderzoek bij de andere 9 OOB vergunninghouders11 volgt dat alle onderzochte vergunninghouders zijn tekortgeschoten in hun zorgplicht. Er is sprake van ernstige tekortkomingen, ‘waardoor de kwaliteit van de accountantscontrole als geheel tekortschiet’. Bij 74% van de onderzochte controles (35 van de 47) is ‘onvoldoende en ongeschikte controle-informatie verkregen over de jaarrekening als geheel om hun accountantsoordeel te kunnen onderbouwen’.
Niet-OOB vergunninghouders
Uit het onderzoek bij de niet-OOB vergunninghouders12 volgt dat bij 88 van de 110 beoordeelde wettelijke controles van 50 accountantsorganisaties sprake is van ernstige tekortkomingen. ‘De kwaliteit van deze wettelijke controles is aangemerkt als ‘onvoldoende’’. Er is onvoldoende en ongeschikte controleinformatie verkregen. De kwaliteit van de financiële verslaggeving is in 107 van de 139 beoordeelde jaarrekeningen (77%) onvoldoende.
Uit het onderzoek bij de niet-OOB vergunninghouders/NBA Kantoren13 volgt dat bij 79% van de onderzochte controles (50 van de 63) onvoldoende en ongeschikte controle-informatie is verkregen om hun accountantsoordeel over de jaarrekening als geheel te kunnen onderbouwen. De kwaliteit van deze wettelijke controles is aangemerkt als ‘onvoldoende’. Verder concludeert de AFM dat in 58 van de 78 beoordeelde jaarrekeningen de financiële verslaggeving van onvoldoende kwaliteit is.
Uit het onderzoek bij de niet-OOB vergunninghouders/SRA kantoren14 volgt dat bij 81% van de onderzochte controles (38 van de 47) onvoldoende en ongeschikte controle-informatie is verkregen over de jaarrekening als geheel om hun accountantsoordeel te kunnen onderbouwen. Ook hier is de kwaliteit van deze wettelijke controles aangemerkt als ‘onvoldoende’. In 49 van de 61 beoordeelde jaarrekeningen (80%) is de financiële verslaggeving van onvoldoende kwaliteit.
Het onderscheid naar niet-OOB vergunninghouders/NBA kantoren en niet-OOB vergunninghouders/SRA kantoren hangt samen met het feit dat de AFM met betrekking tot het toezichtmet zowel de NBA als de SRA convenanten heeft gesloten. De convenanten bevatten afspraken over de samenwerking op het gebied van kwaliteitstoetsing en het gebruik van de NBA en SRA toetsingsuitkomsten door de AFM.15
De SRA voert kwaliteitstoetsingen uit op de kantoren die bij haar zijn aangesloten, zulks namens de NBA op grond van een daartoe strekkende accreditatie. De overige (niet SRA) accountantsorganisaties worden rechtstreeks door de NBA getoetst.16 De convenanten met de NBA en de SRA zijn in overeenstemming met de richtlijn over de wettelijke controle uit 2014 (zie paragraaf 2.7). Met de aanpassingen die volgen uit deze richtlijn is de AFM verantwoordelijk voor: (i) toelating en registratie van accountantsorganisaties en externe accountants, (ii) de vaststelling van standaarden op het gebied van ethiek en interne kwaliteitsbeheersing, tenzij die standaarden worden vastgestelde door andere autoriteiten van een lidstaat, (iii) permanente educatie, (iv) kwaliteitsbeheersingssystemen en (v) onderzoeks- en administratieve sanctioneringssystemen.
De onderwerpen (ii) en (iii) liggen nu bij de NBA. Dit is conform de richtlijn die het de lidstaat en de toezichthouder toestaat zulks te delegeren. Het onderzoek naar kwaliteitsbeheersingssystemen bij niet-OOB kantoren door de SRA en NBA kan ook na de implementatie van de richtlijn zo blijven.17
Schematisch overzicht AFM en beroepsorganisaties:
Bron: Bouwen aan vertrouwen. Evaluatie van de Wet toezicht accountantsorganisaties (‘Wta’).18