Einde inhoudsopgave
De collateral richtlijn (R&P nr. FR12) 2015/5.2.3.1
5.2.3.1 Giraal geld
Dr. J. Diamant, datum 27-10-2014
- Datum
27-10-2014
- Auteur
Dr. J. Diamant
- JCDI
JCDI:ADS367929:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Europees financieel recht
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Rank 1996, p. 96, Mijnssen 2010, p. 47 en Snijders/Rank-Berenschot 2011, nr. 33. Wibier 2007, p. 22 heeft zich de vraag gesteld wat de inhoud van deze vordering is en heeft zich te weer gesteld tegen de kwalificatie van de vordering als een ‘vordering tot betaling van een geldsom’. Inmiddels heeft de Hoge Raad in een recent arrest invulling gegeven aan de inhoud van de verbintenis die op de bank rust bij een positief saldo: ‘Het verschuldigd zijn van het creditsaldo houdt slechts in dat de bank dat saldo ter beschikking van de rekeninghouder dient te houden, zodat deze daarover desgewenst en op een door hem te bepalen wijze en tijdstip kan beschikken.’ (HR 23 maart 2012, NJ 2012/421 (ING Bank NV/Manning q.q.), r.o. 3.5). Zie hierover Wibier 2014, p. 62-64.
Art. 3:236 lid 2 jo. art. 3:94 lid 1 BW.
Het begrip ‘authentieke akte’ wordt in art. 156 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: ‘Rv’) als volgt gedefinieerd: ‘Authentieke akten zijn akten in de vereiste vorm en bevoegdelijk opgemaakt door ambtenaren, aan wie bij of krachtens de wet is opgedragen op die wijze te doen blijken van door hen gedane waarnemingen of verrichtingen. Als authentieke akten worden tevens beschouwd de akten, waarvan het opmaken aan ambtenaren is voorbehouden, doch waarvan de wet het opmaken in bepaalde gevallen aan anderen dan ambtenaren opdraagt.’
Art. 3:239 lid 1 BW.
Art. 18 Uitvoeringsbeschikking Registratiewet.
Art. 10 Registratiewet.
Art. 156 lid 1 Rv luidt: ‘Akten zijn ondertekende geschriften, bestemd om tot bewijs te dienen.’
Art. 3:246 lid 1 BW.
Aldus ook Wibier 2007, p. 17.
Zie recent HR 17 februari 2012, NJ 2012/605 (Rabobank Maashorst/Kézér q.q.), r.o. 3.6.
Door gebruik te maken van de zogenaamde verzamelpandconstructie, waarbij dagelijks pandaktes worden geregistreerd, kan aan dit bezwaar tegemoet gekomen worden. Deze constructie is recent door de Hoge Raad geaccordeerd, zie HR 3 februari 2012, NJ 2012/261 (Dix q.q./ING Bank).
Zie daarover nader § 6.3.3.
Verpanding van een vordering aan de debiteur van die vordering is door de Hoge Raad reeds in de jaren ‘30 van de vorige eeuw erkend, zie HR 24 december 1931, NJ 1932, p. 797. Verpanding van een giraal saldo (of van girale effecten) aan de account bank (c.q. de intermediair) kan plaatsvinden op grond van art. 24 Algemene Bankvoorwaarden 2009 (hierna: ‘ABV 2009’).
Dat in dit geval geen sprake is van een derivatieve verkrijging, wordt in het bijzonder duidelijk wanneer de pandgever en pandhouder hun rekeningen bij verschillende banken aanhouden. Vgl. Haentjens 2007, p. 139.
Zie daarover tevens § 8.4.3.3.
Naar Nederlands recht stelt giraal geld een vordering voor op de bankinstelling waar de rekening wordt aangehouden.1 Verpanding van giraal geld geschiedt naar Nederlands recht volgens de algemene regels voor het vestigen van een pandrecht op vorderingen. Er zijn twee mogelijkheden: het opmaken van een daartoe bestemde akte en mededeling aan de debiteur van de vordering (een openbaar pandrecht)2 of een daartoe bestemde authentieke3 of geregistreerde onderhandse akte, zonder mededeling aan de debiteur van de vordering (een stil pandrecht).4 ‘Registratie’ van de onderhandse akte behelst niet meer dan het opsturen van de akte van verpanding naar de Belastingdienst, waarna de inspecteur ten blijke van de registratie op de akte een door hem ondertekende verklaring van registratie stelt.5 Het register is geen openbaar register; alleen aan degenen die partij zijn bij een akte, hun erfgenamen of hun rechtverkrijgenden alsmede aan de openbare ambtenaar die de akte heeft opgemaakt of ter registratie heeft aangeboden, zijn plaatsvervanger of zijn opvolger, wordt ter zake van die akte desgevraagd inzage verleend in de registers van registratie dan wel een uittreksel uit die registers afgegeven.6
Indien een openbaar pandrecht wordt gevestigd, dient een daartoe bestemde akte te worden opgemaakt (pandakte) en moet mededeling worden gedaan aan de debiteur van de vordering van de verpanding. Op grond van art. 3:236 lid 2 jo. art. 3:94 lid 1 BW jo. art. 156 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: ‘Rv’) is een pandakte een door de pandgever ondertekend geschrift dat tot verpanding van de daarin genoemde goederen strekt.7 De in het kader van het openbare pandrecht gedane mededeling aan de schuldenaar van de vordering (in het geval van giraal geld: aan de account bank) heeft tot gevolg dat de pandhouder bevoegd is in en buiten rechte nakoming van de vordering te eisen en betalingen in ontvangst te nemen.8 Bij een stil pandrecht blijft de pandgever daarentegen inningsbevoegd. De account bank is in dat geval niet op de hoogte van het pandrecht en zij zal dus de aanwijzingen van de pandgever met betrekking tot het girale saldo blijven uitvoeren. Het verschil tussen een openbaar pandrecht en een stil pandrecht op giraal geld is in beginsel dus gelegen in het feit dat in het eerste geval de pandhouder de ‘macht’ heeft over het girale geld, terwijl in het tweede geval de pandgever de ‘macht’ daarover behoudt.9
Verpanding van giraal geld gebeurt in de praktijk niet door vestiging van een stil pandrecht, maar door vestiging van een openbaar pandrecht. Dit heeft te maken met het feit dat dubbel toekomstige vorderingen – vorderingen die nog niet bestaan en evenmin voortvloeien uit een reeds bestaande rechtsverhouding –, zoals toekomstige crediteringen op een rekening,10 volgens art. 3:239 lid 1 BW niet stil bij voorbaat kunnen worden verpand.11 Om ervoor te zorgen dat ook toekomstige bijschrijvingen onder het pandrecht vallen, worden bankrekeningen openbaar verpand. Ook de verpanding van een lopende (‘levende’) rekening vindt plaats door openbare verpanding. Volgens de meerderheidsopvatting heeft de pandhouder óók de voor het openbare pandrecht vereiste macht over het girale geld wanneer de pandgever kan blijven beschikken over het girale saldo.12
Wanneer het pandrecht wordt gevestigd ten behoeve van de account bank,13 kan mededeling achterwege blijven omdat de bank waar de rekening wordt aangehouden zowel debiteur als pandhouder van een en dezelfde vordering is. Voor de verpanding van een giraal saldo aan de bank waar de rekening wordt aangehouden, volstaat dus een onderhandse akte.
In theorie zou naar Nederlands recht de overdracht van giraal geld kunnen geschieden door overdracht van de vordering op de bankinstelling door de rekeninghouder aan een derde conform art. 3:84 lid 1 jo. art. 3:94 BW. Echter, in de praktijk wordt giraal geld niet gecedeerd, maar overgeboekt naar de rekening van de begunstigde (de ‘verkrijger’). Overboeking houdt in dat de rekening van de rekeninghouder wordt gedebiteerd en de rekening van de begunstigde met hetzelfde bedrag wordt gecrediteerd. Door de overboeking gaat de vordering van de opdrachtgever op zijn bank ten belope van het overgeboekte bedrag teniet en ontstaat een nieuwe vordering van de begunstigde op zijn bank ter hoogte van dat bedrag. Een overboeking is dus geen overdracht in de zin van art. 3:84 BW, maar een zuiver verbintenisrechtelijke aangelegenheid.14 Deze constatering is van belang met het oog op art. 3:84 lid 3 BW, dat bepaalt dat een rechtshandeling die ten doel heeft een goed over te dragen tot zekerheid, geen geldige titel van overdracht van dat goed is (het zogenaamde ‘fiduciaverbod’). Aangezien overboeking van giraal geld geen overdracht in de zin van art. 3:84 lid 1 BW oplevert, is art. 3:84 lid 3 BW daarop niet van toepassing.15