Retentierecht en uitwinning
Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/8.2.6.1:8.2.6.1 Inleiding
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/8.2.6.1
8.2.6.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS586377:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
382. Art. 60 lid 3 Fw bepaalt dat de retentor de curator een redelijke termijn kan stellen om tot toepassing van lid 2 over te gaan. Heeft de curator niet binnen de termijn verkocht, dan verkrijgt de retentor het recht van parate executie. De rechter-commissaris kan de termijn verlengen op verzoek van de curator. Art. 60 lid 3 Fw is een stok achter de deur voor de curator om met enige voortvarendheid te werk te gaan met betrekking tot de teruggehouden zaak. Het artikel lijkt qua inhoud en redactie in veel opzichten op art. 58 Fw. Bij beide spelen vergelijkbare vragen. Wat moet binnen de gestelde termijn gebeuren? Welke termijn is redelijk? En welke remedies zijn er voor het geval degene aan wie de termijn is gesteld niet tijdig kan handelen? Aangezien al meermaals tot aan de Hoge Raad is geprocedeerd over de termijnstelling van art. 58 Fw en mede naar aanleiding daarvan in de literatuur al veel discussies zijn gevoerd, zoek ik herhaaldelijk steun bij deze bepaling. Dat doe ik met name voor inspiratie voor vragen die zich bij art. 58 Fw al hebben voorgedaan en zouden kunnen spelen in het kader van art. 60 Fw.
In paragraaf 8.2.6.2 behandel ik de ratio van lid 3 en in paragraaf 8.2.6.3 ga ik na wat de curator binnen de termijn moet hebben gedaan. In paragraaf 8.2.6.4 onderzoek ik welke termijn ‘redelijk’ is. Vervolgens, in paragraaf 8.2.6.5, ga ik in op de toepassing van het leerstuk van misbruik van recht op de termijnstelling door de retentor. Tot slot, in paragraaf 8.2.6.6, maak ik een korte vergelijking met het Duitse recht op het punt van de termijnstelling.