Einde inhoudsopgave
Besluit activiteiten leefomgeving - Nota van toelichting
§ 4.4 Afvalverbrandingsinstallatie en afvalmeeverbrandingsinstallatie
Geldend
Geldend vanaf 31-08-2018
- Bronpublicatie:
03-07-2018, Stb. 2018, 293 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
31-08-2018
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
03-07-2018, Stb. 2018, 293 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Omgevingsrecht / Algemeen
Omgevingsrecht / Omgevingswet
Algemeen
De grenswaarden en bepalingen in deze paragraaf zijn ongewijzigd overgenomen uit de richtlijn industriële emissies en de BREF. In de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit en een lozingsactiviteit zullen deze grenswaarden veelal aangescherpt worden. Bovendien zullen in de vergunning aanvullende voorschriften worden opgenomen. Ook in het Activiteitenbesluit milieubeheer1. waren sommige grenswaarden al aangescherpt en parameters toegevoegd.
Artikel 4.63 (toepassingsbereik)
Deze paragraaf is van toepassing op het in werking hebben van een afvalverbrandingsinstallatie of een afvalmeeverbrandingsinstallatie waar vaste of vloeibare afvalstoffen worden verbrand of meeverbrand. Het betreft installaties die in hoofdstuk IV van de richtlijn industriële emissies worden gereguleerd.
Een afvalverbrandingsinstallatie en afvalmeeverbrandingsinstallatie omvat alle verbrandingsstraten of meeverbrandingsstraten en de voorzieningen voor ontvangst, opslag en voorbehandeling ter plaatse van het afval, de systemen voor de toevoer van afval, brandstof en lucht, stoomketels, de voorzieningen voor de behandeling van afgassen, de voorzieningen voor de behandeling of opslag van afvalverbrandingsresiduen en afvalwater, de schoorstenen, alsook de apparatuur en de systemen voor de regeling van het verbrandings- of meeverbrandingsproces en voor de registratie en monitoring van de omstandigheden waaronder de verbranding of meeverbranding gebeurt.
Als voor de thermische behandeling van afval gebruik wordt gemaakt van andere processen van oxidatie, omvat de afvalverbrandings- of de afvalmeeverbrandingsinstallatie zowel het proces voor thermische behandeling als het daaropvolgende verbrandingsproces.
Artikel 4.64 (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)
Tijdens het verrichten van een activiteit moet bodemverontreiniging zoveel mogelijk worden voorkomen. Bodemverontreiniging wordt voorkomen door de activiteit te verrichten boven een bodembeschermende voorziening en in aanvulling daarop maatregelen te nemen. Regels voor het bijhouden van keuringen, controles en onderhoud aan deze bodembeschermende voorzieningen en het bewaren van gegevens staan in de module bodembeschermende voorzieningen.
Degene die een activiteit heeft verricht moet na het verrichten van de activiteit een bodemonderzoek (laten) verrichten om te kijken of er sprake is van bodemverontreiniging. Als dat het geval is, zal diegene de bodemkwaliteit moeten (laten) herstellen.
Artikel 4.65 (afbakening mogelijkheid maatwerk)
Deze paragraaf implementeert de richtlijn industriële emissies. Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift over deze paragraaf kan alleen aanvullende maatregelen bevatten. Een minder strenge maatregel dan in de paragraaf is voorgeschreven kan dus niet met een maatwerkvoorschrift worden geregeld. Daarmee is een invulling gegeven aan artikel 2.12, tweede lid. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning.
Artikel 4.66 (bodem, water en lucht: voorkomen verbrandingsresiduen)
Dit artikel implementeert artikel 53, tweede lid, van de richtlijn industriële emissies. Voorkomen moet worden dat verbrandingsresiduen in de bodem, een oppervlaktewaterlichaam en de lucht terechtkomen.
Artikel 4.67 (bodem en water: exploitatie afvalverbrandingsinstallatie)
Dit artikel implementeert artikel 46, vijfde lid, van de richtlijn industriële emissies en ziet zowel op het beschermen van de bodemkwaliteit als de kwaliteit van een oppervlaktewaterlichaam.
Artikel 4.69 (water: meetmethoden)
In artikel 4.69 wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren, conserveren en ontsluiten. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in artikel 4.68 emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn overigens vastgesteld bij ministeriële regeling.
Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN 6600-1 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse.
Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.
Artikel 4.70 (water: bemonsterplicht)
Voor bepaalde parameters stelt de richtlijn industriële emissies specifieke eisen aan de wijze waarop het afvalwater wordt bemonsterd. Deze regels zijn overgenomen in artikel 4.70.
Het eerste lid bepaalt met welke frequente en op welke manier bemonsterd moet worden voor de verschillende parameters waar emissiegrenswaarden voor worden gesteld. Het tweede lid bepaalt dat op het lozingspunt bemonsterd moet worden. Het derde regelt hoe het aandeel van onderhavige activiteit in de uiteindelijke emissies wordt bepaald, als het afvalwater wordt gemengd met andere afvalwaterstromen.
Artikel 4.72 (lucht: ontwerp verbrandingsinstallatie)
Dit artikel implementeert artikel 46, eerste lid, van de richtlijn industriële emissies. De hoogte van de schoorsteen moet op berekeningen zijn gebaseerd.
Artikel 4.73 tot en met 4.77 (lucht: emissies)
In artikel 4.73 zijn emissiegrenswaarden opgenomen voor afvalverbrandingsinstallaties, in artikel 4.77 zijn de emissiegrenswaarden voor een cementoven opgenomen. De emissiegrenswaarden voor een afvalmeeverbrandingsinstallatie staan in artikel 4.73, artikel 4.75, of kunnen worden berekend volgens de methode in artikel 4.76.
Artikelen 4.78 (lucht: meetmethoden)
Deze bepaling geeft aan welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. De versies van de NEN-normen die gehanteerd moeten worden, zijn vastgesteld bij ministeriële regeling.
Artikel 4.88 (lucht: meetonzekerheid)
Artikel 4.88 gaat over de toegestane onnauwkeurigheidsmarges. Monitoringresultaten bevatten onnauwkeurigheden. De richtlijn industriële emissies geeft in bijlage VI, deel 6, onder 1.3 een marge voor de onnauwkeurigheid: de monitoringresultaten mogen de emissiegrenswaarden maximaal met een bepaald percentage overschrijden zonder dat sprake is van niet-naleving. Het percentage is gebaseerd op de vangnetwaarden uit bijlage V, delen 1 en 2 bij de richtlijn industriële emissies. In de regels zijn de emissiegrenswaarden op de emissieniveaus uit de BREF-documenten gebaseerd, die veelal scherper zijn dan de vangnetwaarden. Omdat de richtlijn de toegestane onnauwkeurigheid uitdrukt in een percentage van de emissiegrenswaarden is het onbedoelde effect dat bij een strengere emissiegrenswaarde een kleinere onnauwkeurigheid wordt toegestaan. Dit kan vooral een knelpunt zijn bij koolmonoxide, omdat de toegestane onnauwkeurigheidsmarge maar 10% bedraagt. Bij de implementatie is dit opgelost door de onnauwkeurigheid niet alleen in een percentage maar ook in een absoluut getal uit te drukken, gebaseerd op de minimumemissiegrenswaarden uit bijlage V, deel 1 en 2. Voor stikstofoxiden geldt een daggemiddelde eis van 180 mg/Nm3 en daarom mag het 95%-betrouwbaarheidsinterval maximaal 36 mg/Nm3 zijn. Voor stikstofoxiden geldt ook een maandgemiddelde emissiegrenswaarde van 70 mg/Nm3. Er is aangetoond dat een 95%-betrouwbaarheidsinterval van 20% van 70 mg/Nm3 haalbaar is, zodat voor emissiemetingen voor stikstofoxiden maximaal met 14 mg/Nm3 gecorrigeerd hoeven worden. De waarde 14 is daarom in tabel 4.81 opgenomen.
Artikel 4.89 (lucht: bepalen concentratie dioxinen en furanen)
Dioxinen en furanen zijn in bijlage I gedefinieerd als dioxinen en furanen als bedoeld in artikel 3, onder 43, van de richtlijn industriële emissies. Dit zijn alle meervoudig gechloreerde dibenzo-p-dioxinen en dibenzofuranen die in deel 2 van bijlage VI bij die richtlijn worden opgesomd. Deze opsomming is overgenomen in tabel 4.89.
Artikel 4.90 (lucht: berekening voldoen emissiegrenswaarden) en artikel 4.91 (lucht: bepaling periodegemiddelden)
Deze artikelen implementeren artikel 49 van de richtlijn industriële emissies, waarin staat dat de grenswaarden worden geacht te worden nageleefd als aan in de bijlage bij die richtlijn (bijlage VI, deel 8) beschreven voorwaarden wordt voldaan.
Artikel 4.92 (lucht: overschrijding emissiegrenswaarden)
Dit artikel implementeert artikelen 46 en 47 van de richtlijn industriële emissies.
Artikel 4.93 (lucht: automatisch systeem bij storing afgasreinigingsapparatuur)
In de richtlijn industriële emissies zijn exploitatievoorwaarden opgenomen. Eén daarvan is dat afvalverbrandingsinstallaties en afvalmeeverbrandingsinstallaties gebruik maken van een automatisch systeem ter voorkoming dat er afval wordt toegevoerd.
Artikel 4.95 (energie: netto elektrisch rendement)
Met dit artikel is een minimaal netto elektrisch rendement van 40% verplicht voor een afvalmeeverbrandingsinstallatie die met steenkool of een combinatie van steenkool en een of meer andere brandstoffen, zoals biomassa, wordt gestookt. Deze eis geldt vanaf een capaciteit van 300 MW. De eis geldt niet voor hoogovens en cementovens. Dit laatste wordt uitgedrukt door in het eerste lid de afvalmeeverbrandingsinstallatie die is bestemd voor het drogen of het behandelen van voorwerpen of materialen door direct contact met verbrandingsgas uit te zonderen.
Onder netto elektrisch rendement wordt verstaan de aan het landelijk hoogspanningsnet geleverde elektriciteit gedeeld door de energie-inhoud van de ingezette brandstoffen. Voor de berekening van het rendement zijn internationale meetnormen beschikbaar. Voor het thermisch rendement van de ketel bestaat NEN-EN 12952-15:2003 — Ketels met pijpen en hulpinstallaties — Deel 15: Acceptatieproeven. Voor het elektrisch rendement van de stoomturbine bestaat NEN-EN-IEC 60953-3:2002 — Regels voor thermische afnameproeven aan stoomturbines — Deel 3: Thermische proeven voor het verifiëren van de eigenschappen van vernieuwde stoomturbines.
Het minimumrendement is verbonden met de toepassing van het principe van de beste beschikbare techniek (BBT). Dit principe bewerkstelligt dat de op milieugebied best presterende installatie de norm bepaalt voor andere installaties. De richtlijn industriële emissies hanteert als algemeen beginsel onder meer dat de energie op doelmatige wijze wordt gebruikt. Het BBT-principe uit die richtlijn gaat ervan uit dat zoveel als technisch en economisch mogelijk is de nadelige gevolgen voor het milieu worden beperkt. De minimum rendementseis van 40% komt overeen met de bovengrens van het netto elektrisch rendement voor bestaande kolencentrales, zoals opgenomen in de thans geldende Europese BBT-conclusies voor grote stookinstallaties.2. Met de minimumeis van 40% wordt de ruimte die vanuit het BBT-principe wordt geboden om het primaire energiegebruik terug te dringen — langs de lijnen van het Energieakkoord — ten volle benut. Een minimum rendementseis voor afvalmeeverbrandingsinstallaties draagt niet alleen bij aan het verlagen van het primaire energiegebruik. Het levert ook een bijdrage aan een verlaging van emissies door afvalmeeverbrandingsinstallaties van CO2, NOx, SO2 en fijnstof in Nederland.
Voor de term ‘landelijk hoogspanningsnet’ wordt verwezen naar artikel 1, eerste lid, onder j, van de Elektriciteitswet 1998. Volgens dat artikellid dat verwijst naar artikel 10, eerste lid, van die wet, omvat het hoogspanningsnet de netten die bestemd zijn voor transport van elektriciteit op een spanningsniveau van 110 kV of hoger en die zo worden bedreven en landsgrensoverschrijdende netten met wisselstroom.
Bij de bepaling van het rendement wordt rekening gehouden met eventuele warmtelevering. Hiervoor wordt aangesloten bij de correctieberekening op basis van een brandstoffactor warmte, die in het kader van de Milieukwaliteit Elektriciteitsproductie (MEP)-subsidieregeling is toegepast: elektrisch rendement = netto elektriciteitslevering / brandstofinput — (warmtelevering × brandstoffactor warmte). Tegelijkertijd wordt vanuit het oogpunt van consistentie de rekenformule geïntroduceerd op basis van een vermogensverliesfactor warmte, zoals die in de praktijk wordt gebruikt (Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie (SDE+)): elektrisch rendement = netto elektriciteitslevering + (warmtelevering x vermogensverliesfactor warmte) / brandstof input. Beide rekenmethoden leiden bij gelijke input tot vergelijkbare uitkomsten. Het begrip ‘warmtenet’ is overgenomen uit artikel 1, onder c, van de Warmtewet en is het geheel van tot elkaar behorende, met elkaar verbonden leidingen, bijbehorende installaties en overige hulpmiddelen dienstbaar aan het transport van warmte, tenzij deze leidingen, installaties en hulpmiddelen zijn gelegen in een gebouw of werk van een verbruiker of van een producent en strekken tot toe- of afvoer van warmte voor dat gebouw of werk. Het rendement wordt verder onder meer beïnvloed door het opstarten en stilleggen van de installatie en de belasting van de installatie (vollast of deellast). Deze bijzondere bedrijfsomstandigheden zeggen weinig over het daadwerkelijk rendement en mogen daarom niet doorslaggevend zijn bij het bepalen van de naleving. Daarom wordt het rendement gemiddeld over een periode van vijf jaar. Voor nieuw(ere) installaties die nog geen vijf jaar in bedrijf zijn, wordt het rendement bepaald over de periode dat aan het openbare net wordt geleverd met een minimum van een jaar. Testfasen worden daarbij niet meegerekend, want dat zijn bijzondere bedrijfsomstandigheden.
De bepaling dat op verzoek van het bevoegd gezag gegevens over het netto elektrisch rendement moeten worden overgelegd keert niet in deze vorm terug, omdat die informatie op grond van de toezichthoudende bevoegdheden van de Algemene wet bestuursrecht kan worden gevorderd (onder meer artikelen 5:16, 5:17 en 5:20 van die wet).
Artikel 4.96 (afval: in ontvangst nemen van afvalstoffen)
In dit artikel is artikel 52 van de richtlijn industriële emissies geïmplementeerd. Het eerste lid bevat een aantal voorwaarden waarmee bij een afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie rekening moet worden gehouden bij het in ontvangst nemen van afvalstoffen. Het tweede lid betreft de omzetting van artikel 52, vierde lid, laatste zin, van de richtlijn industriële emissies.
Artikel 4.97 (afval: tests eigenschappen afvalverbrandingsresiduen)
Het doel van deze bepaling is dat nuttige toepassing of verwijdering van residuen past bij eigenschappen van die residuen en in het bijzonder de samenstelling en uitloogbaarheid. Dit bepaalt namelijk of en zo ja in welke mate residuen verontreiniging kunnen veroorzaken. De totale oplosbare fractie is de optelling van alle stoffen die kunnen uitlogen uit de residuen. Het Besluit bodemkwaliteit, de Regeling bodemkwaliteit en Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen voorzien in de kwaliteitscriteria voor de verwerking van residuen en methoden om residuen op verschillende gebruiksmogelijkheden te testen.
Artikelen 4.98, 4.99 4.100 en 4.101 (afvalverbrandingsresiduen en terugwinnen warmte afval(mee)verbrandingsinstallatie)
De artikelen 4.98 en 4.100 bevatten de omzetting van artikel 53, eerste lid, van de richtlijn industriële emissies. Afvalverbrandingsresiduen moeten worden gerecycled als dat mogelijk is en de voorkeur heeft. Het Landelijk afvalbeheerplan noemt in sommige gevallen het storten van residuen als minimumstandaard. In die gevallen is recyclen misschien wel mogelijk, maar heeft het recyclen niet altijd de voorkeur. In artikel 4.99 wordt artikel 50, derde lid, van de richtlijn industriële emissies omgezet. In lijn met de richtlijn industriële emissies en met de oude situatie uit het Activiteitenbesluit milieubeheer, kan in plaats van de in de artikelen genoemde maatregelen ook een gelijkwaardige maatregel worden toegepast, zonder dat daarvoor een melding moet worden ingediend of toestemming moet worden gevraagd. Dit laatste is geregeld in artikel 4.101.
Artikel 4.102 (afval: beheer)
Dit artikel bevat de omzetting van artikel 50, zevende lid, van de richtlijn industriële emissies. Deze bepaling beoogt te bewerkstelligen dat de feitelijke leiding van de verbrandingsinstallatie in handen is van een persoon die bekwaam (deskundig, competent) is.
Artikel 4.103 (afval: ziekenhuisafval)
Het artikel zet artikel 50, zesde lid, van de richtlijn industriële emissies om en regelt dat infectueus ziekenhuisafval rechtstreeks en in gesloten verpakking in de oven van een afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie moet worden geplaatst, zonder voorafgaande vermenging met andere categorieën van afvalstoffen volgens de bijlage bij de afvalbeschikking.
Voetnoten
Stb. 2007, 415, laatstelijk gewijzigd Stb. 2016, 231.