NJ 1913, p. 787
HR, 13-06-1913
HR 13-06-1913, ECLI:NL:HR:1913:124
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
13 juni 1913
- Magistraten
Voorzitter: Jhr. Mr. S. Laman Trip. Raadsheeren: Mrs. S. Gratama, J. H. van Goor, B. C J. Loder en A. P. L. Nelissen.
- Zaaknummer
[13061913./NJ_1913,_p._787]
- Conclusie
Mr. T. J. Noyon
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Staatsrecht / Decentralisatie
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1913:124, Uitspraak, Hoge Raad, 13‑06‑1913
- Wetingang
(BW art. 1349, 1401, 1667; Rv art. 59 lid 3; Gemeentewet (oud) art. 161.)
Samenvatting
Nu het Hof aanneemt als grondslag der vordering de verplichting tot storting uit de tusschen partijen aangegane overeenkomst voortvloeiende, kan van toepasselijkheid van art. 1401 B. W. geen sprake zijn. Nergens wordt in de wet voorgeschreven, dat de rechter de overeenkomst bijzonderlijk zoude moeten benoemen of met een bepaalden naam in de desbetreffende rubriek van het B. W. zoude moeten onderbrengen. Ook al moge in deze een maatschap zijn aangegaan, zoo kunnen uit art. 1667 B. W. niet meerdere of ruimere verplichtingen tot inbreng voor de partijen worden afgeleid dan waartoe zij zich — volgens de feitelijke beslissing van ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.