Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/11.6.3.2
11.6.3.2 Schadevergoeding
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS588347:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een veroordeling tot schadevergoeding wegens slecht bewind, HR 23 juni 2000, NJ 2000, 517.
Zie M.v.A. II, Pari. Gesch. Boek 3, p. 675.
De sanctie maakte onderdeel uit van het O.M. en is in de uiteindelijke redactie van art. 3:246 lid 2 BW komen te vervallen. Zie art. 3.9.2.7lid 4 tweede zin O.M., Parl. Gesch. Boek 3, p. 771. Vgl. M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 773.
Vgl. T.M., Parl. Gesch. Boek 3, p. 771, en hierv66r nr. 74 en 200.
In de praktijk wordt bij het meerderjarigenbewind overigens vrijwel altijd machtiging van de kantonrechter gevraagd, zie Asser/De Boer 1* 2010, nr. 1160.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 519-520; Asser/Perrick 4* 2009, nr. 568. Vergelijk ook bij faillissement, art. 68 lid 2 jo 72 Fw en bij executele, art. 4:147 BW en vereffening, art. 4:215 BW.
Zie ook art. 25lid 4 Wn en vgl. art. 29lid 8 Wn. Zie voorts Kamerstukken II 1993- 1994,23 707, nr. 3, p. 31. Zie art. 25lid 6 Wn, Kamerstukken II 1997-1998,23 706, nr. 20, p. 2. Vergelijk art. 27 Wge.
Is sprake van tegenstrijdig belang, dan heeft de lasthebber geen recht op loon (art. 7:416 lid 4, 7:417 lid 4 en 7:418 lid 2 BW).
Zie M.v.A. II, Pari. Gesch. Boek 3, p. 662.
Zie T.M., Pari. Gesch. Boek 3, p. 658.
Zie Hof Arnhem 11 juli 2006, JOR 2006/302. Hetzelfde zal gelden voor een pandgever.
Zie HR 22 juni 2007, NJ 2007, 520 (INGNerdonk q.q.), m.nt. P. van Schilfgaarde; en HR 30 oktober 2009, NJ 2010, 96 (Hamm q.q./ABN Amro), m.nt. F.M.J. Verstijlen.
De betekenis van de bepaling is met name gelegen in de omkering van de bewijslast. Zie Asser/Perrick 4* 2009, nr. 469; Luijten & Meijer 2008a, p. 14.
Zie HR 19 december 2002, NJ 2004, 293 (Curatoren Mobell/Interplan), m.nt. PvS. Zie daarover o.a. Keirse & Verstijlen 2004. V gl. ook HR 8 mei 2009, JOR 2009/211 Gakobs/ Pasman q.q.), m.nt. P.S. Bakker.
725. Bij een toerekenbare tekortkoming door een partij zal de wederpartij die daardoor schade lijdt, schadevergoeding kunnen vorderen (art. 6:74 BW). De derde kan ten eerste aansprakelijk zijn als hij handelt in strijd met zijn zorgverplichting. Hij kan aansprakelijk zijn jegens de rechthebbende( n) en andere belanghebbenden, zoals schuldeisers, die door zijn onzorgvuldig handelen schade hebben geleden. In de bepalingen van de regelingen van bewind, kwaliteitsrekening en faillissement wordt de aansprakelijkheid van de bewindvoerder, rekeninghouder en curator uitdrukkelijk genoemd (zie art. 1:337lid 2 jo 1:362 BW, art. 1:444 BW, art. 3.6.1.7 Ontw.BW en art. 4:163 lid 1 BW; art. 25 lid 3 Wn; en art. 72 lid 1 Fw).1 Wordt het recht van vruchtgebruik wegens het ernstig tekortschieten van de vruchtgebruiker onder bewind gesteld, dan is de vruchtgebruiker blijkens de parlementaire geschiedenis gehouden tot vergoeding van de geleden schade. Ook de beheerskosten en het loon van de bewindvoerder komen voor zijn rekening.2 Blijkens de parlementaire geschiedenis bij art. 3:246 lid 2 BW kunnen zowel de pandhouder als de pandgever een vordering tot schadevergoeding instellen jegens de ander, als de ander van de bevoegdheid tot opzegging nodeloos gebruik heeft gemaakt.3
Om aansprakelijkheid te voorkomen kan de bevoegde derde om toestemming van de rechthebbende of (soms, in plaats daarvan) om machtiging van de rechter vragen. Om eventuele aansprakelijkheid te voorkomen kan de pandhouder de toestemming van de pandgever vragen als hij de vordering door opzegging vervroegd opeisbaar maakt.4 De bewindvoerder kan zich, alvorens in rechte op te treden, te zijner verantwoording doen machtigen door de rechthebbende (en bij testamentair bewind door degenen in wier belang het bewind uitsluitend of mede is ingesteld) of, indien deze daartoe niet in staat of weigerachtig is, door de kantonrechter (art. 1:443 BW, art. 4:173 BW en art. 3.6.1.6. Ontw.BW).5 Hij is daartoe niet verplicht. De machtiging is bedoeld ter voorkoming van latere discussies met de rechthebbende (en eventuele belanghebbenden) over de vraag of de bewindvoerder door te procederen tekort is geschoten in de zorg van een goed bewindvoerder.6 De toestemming of de machtiging vrijwaart niet tegen de gevolgen van het maken van fouten tijdens het proces.7 Ook de rekeninghouder van de kwaliteitsrekening is in zijn externe verhouding tot veel bevoegd, maar zal in zijn interne verhouding alleen in opdracht (met toestemming) van de belanghebbenden kunnen handelen (art. 25lid 2Wn).
Uit de bepalingen bij bewind en kwaliteitsrekening blijkt dat sprake dient te zijn van een toerekenbare tekortkoming, zoals ook vereist is voor schadevergoeding krachtens wanprestatie (art. 6:7 4 BW). Bijvoorbeeld, art. 1:337lid 2 BW, art. 1:444 BW, art. 3.6.1.7 Ontw. BW en art. 4:163 lid1 BW bepalen dat een bewindvoerder jegens de rechthebbende aansprakelijk is, indien hij in de zorg van een goed bewindvoerder te kort schiet, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend. Uit art. 25 lid 3 Wn volgt dat de rekeninghouder verplicht is een tekort in het saldo van de bijzondere rekening terstond aan te vullen, en ter zake daarvan aansprakelijk is, tenzij hij aannemelijk kan maken dat hem ter zake van het ontstaan van het tekort geen verwijt treft.8 Dat sprake dient te zijn van een toerekenbare tekortkoming geldt naar mijn mening algemeen.
Verricht een derde een rechtshandeling waarbij sprake is van tegenstrijdig belang of handelt hij onbevoegd, dan zal hij om die reden ook aansprakelijk kunnen zijn jegens de rechthebbende. Art. 7:417 lid BW bepaalt onder meer dat een lasthebber geen recht heeft op loon jegens een lastgever ten opzichte van wie hij in strijd met het vorige !eden bepaalde (tegenstrijdig belang) handelt,9 onverminderd zijn gehoudenheid tot vergoeding van de dientengevolge door de lastgever geleden schade. Blijkens de parlementaire geschiedenis is de vruchtgebruiker die zijn (interne) bevoegdheid te buiten gaat, schadeplichtig jegens de hoofdgerechtigde.10 Komt de vruchtgebruiker zijn verplichting tot het afscheiden houden van het geïnde niet na, dan kan de hoofdgerechtigde schadevergoeding vorderen als het niet afgescheiden houden een verlies van recht voor de hoofdgerechtigde tot gevolg heeft. Hiervan is geen sprake als hij nog kan bewijzen welke goederen van hem zijn.11
De bevoegde derde kan niet alleen schadeplichtig zijn jegens de rechthebbende, maar ook jegens een ander dan de rechthebbende, zoals een schuldeiser van de rechthebbende of een beperkt gerechtigde. Een curator kan jegens de pandhouder op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk zijn als hij afstand doet van een verpande vordering.12 Hij is jegens hem ook aansprakelijk als hij diens bevoegdheid tot het doen van mededeling en de inning van de vorderingen frustreert door aanstonds aan de schuldenaren van de stil verpande vorderingen mee te delen dat zij de stil verpande vorderingen op de rekening van de boedel moeten voldoen of de pandhouder niet de benodigde informatie geeft die noodzakelijk is om mededeling te doen.13 Gaan de bestuurders van een gefailleerde rechtspersoon over tot inning van een verpande vordering, dan zijn zij niet alleen jegens de faillissementsboedel (de curator q.q.) aansprakelijk, maar ook jegens de pandhouder. 14 Wanneer een door de rechter benoemde vereffenaar aan schuldeisers der nalatenschap schade heeft toegebracht, doordat hij opzettelijk goederen der nalatenschap aan het verhaal van de schuldeisers heeft onttrokken, kunnen zij van hem de voldoening van hun vorderingen eisen, voor zover hij niet bewijst dat hun schade op een lager bedrage moet worden gesteld (art. 4:212 BW).15 Beschikt een curator over zaken die niet tot de boedel behoren, zoals voorraden waarop een eigendomsvoorbehoud rust, door deze zaken over te dragen of deze in de feitelijke macht van een derde te brengen, dan is hij aansprakelijk jegens de eigenaar daarvan op grond van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW).16 Ontbreekt de machtiging van de rechter-commissaris, waar die vereist is of het inwinnen van ad vies van de commissie van schuldeisers, dan heeft dit voorzover het derden betreft geen invloed op de geldigheid van de door de curator verrichte rechtshandeling, maar is hij deswege jegens de gefailleerde en de gezamenlijke schuldeisers aansprakelijk (art. 72 lid 1 Fw).
Is de bevoegde derde aansprakelijk jegens de rechthebbende, dan betreft de aansprakelijkheid hem in beginsel in persoon. Handelt hij onrechtmatig door de werkzaamheden die hij verricht in het kader van zijn aanstelling, dan kan hij ook in hoedanigheid aansprakelijk zijn.
726. Bestaat tussen de stille cedent en de stille cessionaris een overeenkomst van lastgeving, dan kan de stille cessionaris bij schending van een of meer van de verplichtingen door de stille cessionaris schadevergoeding vorderen op grond van wanprestatie zoals hiervoor beschreven. De stille cedent kan aansprakelijkheid voorkomen door van tevoren toestemming aan de stille cessionaris toestemming te vragen voor het verrichten van bepaalde rechtshandelingen. Is sprake van tegenstrijdig belang bij het handelen door de stille cedent als lasthebber, dan is art. 7:417 lid 3 BW van toepassing.