Vgl. HR 14 november 2017, rov. 2.1, ECLI:NL:HR:2017:2861, NJ 2018/229 m.nt. F. Vellinga-Schootstra onder NJ 2018/230, en HR 11 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1014.
HR, 30-09-2025, nr. 24/00533 B
ECLI:NL:HR:2025:1443
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
30-09-2025
- Zaaknummer
24/00533 B
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1443, Uitspraak, Hoge Raad, 30‑09‑2025; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1050
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:550
ECLI:NL:PHR:2025:1050, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 26‑08‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1443
ECLI:NL:PHR:2025:550, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 20‑05‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1443
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0293
Uitspraak 30‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag ex art. 94 Sv op 3 mobiele telefoons onder klager t.z.v. verdenking van drugshandel en witwassen, waarna OM de teruggave van telefoons aan klager heeft gelast. 1. Ontvankelijkheid cassatieberoep, art. 134.2.a Sv. 2. Afhandeling van beslag nadat last tot teruggave is gegeven. Mogelijke gevolgen aIs bericht dat telefoons konden worden afgehaald naar achterhaald adres is gestuurd en telefoons vervolgens zijn vernietigd omdat deze niet tijdig waren opgehaald. Ad 1. Uit door griffie HR ingewonnen inlichtingen blijkt dat OM inmiddels teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen aan klager heeft gelast. Hieruit volgt dat beslag inmiddels o.g.v. art. 134.2.a Sv is beëindigd. Daarom zal HR het cassatieberoep van klager niet in behandeling nemen. Ad 2. HR (overweging ten overvloede): Ook als beslag is beëindigd door bevel tot teruggave van betreffend voorwerp, moet bewaarder zorgvuldig met dat voorwerp omgaan en het nodige doen om dit bevel uit te voeren, bijvoorbeeld door zich in te spannen betrokkene op actueel adres te bereiken. Dat volgt ook uit nota van toelichting bij totstandkoming van art. 12 Besluit inbeslaggenomen voorwerpen, inhoudende dat uitgangspunt is dat van overheid voldoende inspanning mag worden verwacht om bekende rechthebbende (oorspronkelijk beslagene of iemand wiens recht op voorwerp evident aannemelijker werd geacht) op de hoogte te brengen dat voorwerp aan hem ter beschikking staat. Wordt niet aan deze zorgvuldigheideis voldaan dan kan betrokkene zich desgewenst wenden tot OM en zo nodig tot nationale ombudsman of civiele rechter. Klager n-o.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/00533 B
Datum 30 september 2025
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Den Haag van 6 februari 2024, nummer RK 23/025805, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
hierna: de klager.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft de advocaat K. Hoesenie bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft bij conclusie en aanvullende conclusie geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het cassatieberoep.
De raadsvrouw van de klager heeft schriftelijk op de conclusie en aanvullende conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep
2.1
Het gaat in deze zaak om de inbeslagneming onder de klager van drie mobiele telefoons. De rechtbank heeft het klaagschrift van de klager dat strekt tot teruggave aan hem van de inbeslaggenomen voorwerpen ongegrond verklaard.
2.2
Uit door de griffie van de Hoge Raad ingewonnen inlichtingen blijkt dat het openbaar ministerie inmiddels de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen aan de klager heeft gelast.
2.3
Hieruit volgt dat het beslag inmiddels op grond van artikel 134 lid 2, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering is beëindigd. Daarom zal de Hoge Raad het cassatieberoep van de klager niet in behandeling nemen.
2.4
Gelet op het voorgaande komt de Hoge Raad niet toe aan de bespreking van de klacht van het cassatiemiddel die ziet op de afhandeling van het beslag nadat een last tot teruggave was gegeven en die, kort gezegd, inhoudt dat het bericht dat de telefoons konden worden afgehaald naar een achterhaald adres is gestuurd en dat die telefoons vervolgens zijn vernietigd omdat deze niet tijdig waren opgehaald.De Hoge Raad merkt naar aanleiding van die klacht wel het volgende op. Ook als het beslag is beëindigd door een bevel tot teruggave van het betreffende voorwerp, moet de bewaarder zorgvuldig met dat voorwerp omgaan en het nodige doen om dit bevel uit te voeren, bijvoorbeeld door zich in te spannen de betrokkene op een actueel adres te bereiken. Dat volgt ook uit de nota van toelichting bij de totstandkoming van artikel 12 van het Besluit inbeslaggenomen voorwerpen, die onder meer inhoudt:
“Uitgangspunt is dat van de overheid voldoende inspanning mag worden verwacht om de bekende rechthebbende (de oorspronkelijk beslagene of iemand wiens recht op het voorwerp evident aannemelijker werd geacht) op de hoogte wordt gebracht dat het voorwerp aan hem ter beschikking staat.” (Staatsblad 1995, 699, p. 11.)
Wordt niet aan deze zorgvuldigheideis voldaan dan kan de betrokkene zich desgewenst wenden tot het openbaar ministerie, en zo nodig tot de nationale ombudsman of de civiele rechter.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 september 2025.
Conclusie 26‑08‑2025
Inhoudsindicatie
Aanvullende conclusie.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00533 B
Zitting 26 augustus 2025
AANVULLENDE CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klager],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
hierna: de klager
1. Nadere conclusie
1.1
In deze zaak heb ik op 20 mei 2025 geconcludeerd dat de klager niet-ontvankelijk is in het cassatieberoep. Uit inlichtingen verkregen van het openbaar ministerie bleek dat volgens de systemen van het openbaar ministerie de teruggave was “geboekt” van de drie telefoons waarop het klaagschrift betrekking heeft, en een afhaalbericht gedateerd 10 september 2024 aan de klager was verstuurd. Omdat door het openbaar ministerie reeds was beslist tot teruggave concludeerde ik tot niet-ontvankelijkheid van de klager omdat, gelet op art. 134 lid 2 aanhef en onder a Sv, het beslag op de telefoons reeds was beëindigd.
1.2
In de schriftelijke reactie op mijn conclusie heeft de raadsvrouw van de klager betwist dat het openbaar ministerie een beslissing tot teruggave heeft genomen en dat een afhaalbericht is verstuurd. De klager noch de raadsvrouw zijn met die beslissing of een afhaalbericht bekend.
1.3
Naar aanleiding van dit schrijven van de raadsvrouw, heeft de griffie van de Hoge Raad nadere informatie ingewonnen bij het openbaar ministerie. Ik ga daar hierna op in. De rolraadsheer van de Hoge Raad heeft naar aanleiding van die nieuwe inlichtingen de raadsvrouw de gelegenheid gegeven, kort gezegd, de schriftuur aan te vullen. Van die gelegenheid heeft de raadsvrouw tijdig gebruik gemaakt, wat mij aanleiding geeft voor deze aanvullende conclusie.
2. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
2.1
Na mijn conclusie van 20 mei 2025 zijn door de griffie van Hoge Raad inlichtingen verkregen van een medewerker van het arrondissementsparket en de toenmalige zaaksofficier van justitie in de strafzaak waarin het beslag is gelegd. In die correspondentie wordt bevestigd dat door het openbaar ministerie is beslist tot teruggave van de drie telefoons waarop het klaagschrift betrekking heeft. Ook wordt bevestigd dat er op 10 september 2024 afhaalbrieven zijn verstuurd naar een huisadres van (kennelijk) de klager. Die brieven zelf zijn (inmiddels) niet meer beschikbaar. Omdat de telefoons niet zijn afgehaald, is in december 2024 door het arrondissementsparket beslist tot vervreemding / vernietiging (die termen worden in de correspondentie door elkaar gebruikt) van de telefoons.
2.2
Daarmee zijn de kaarten niet wezenlijk anders komen te liggen dan ten tijde van mijn eerste conclusie in deze zaak. Art. 134 lid 2, aanhef en onder a, Sv houdt in dat het beslag wordt beëindigd doordat het inbeslaggenomen voorwerp wordt teruggegeven. Voor beëindiging van het beslag in de zin van die bepaling, is niet vereist dat het voorwerp feitelijk door de bewaarder is teruggegeven aan de beslagene en de beslagene daar dus weer over beschikt. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat van beëindiging van het beslag in de hiervoor bedoelde zin reeds sprake is als een last tot teruggave is gegeven.1.Nu die last in dit geval is gegeven, moet de conclusie zijn dat de klager onvoldoende belang heeft bij zijn cassatieberoep tegen de beschikking van de rechtbank waarin de rechtbank het beklag ongegrond heeft verklaard. Het klaagschrift tegen de inbeslagneming of het uitblijven van een last tot teruggave (art. 552a lid 1 Sv) is zinloos geworden, nu die last tot teruggave er reeds ligt en daarmee het beslag is beëindigd.
2.3
In dit geval is kennelijk drie maanden na de beslissing tot teruggave, beslist dat de telefoons mochten worden vernietigd / vervreemd omdat de beslissing tot teruggave “niet uitvoerbaar is gebleken”. Het heeft er veel van weg dat hiermee uitvoering is gegeven aan art. 11 lid 3 in samenhang met art. 12 van het Besluit inbeslaggenomen voorwerpen. Op grond van die bepalingen is de bewaarder van een inbeslaggenomen voorwerp bevoegd te handelen als ware het een verbeurdverklaard voorwerp, als de rechthebbende drie maanden na de opdracht tot teruggave nog geen aanspraak heeft gemaakt op het voorwerp en het dus niet mogelijk is gebleken de last tot teruggave uit te voeren. De raadsvrouw van de klager heeft in haar aanvullende schriftuur naar voren gebracht dat uit de correspondentie met het openbaar ministerie blijkt dat de afhaalbrieven van 10 september 2024 zijn verstuurd naar een huisadres, terwijl de klager op die datum gedetineerd was, en was ingeschreven op het adres van de penitentiaire inrichting. Dat laatste zie ik inderdaad terug op een uittreksel van de Basisregistratie Personen. Dat verandert echter niet mijn conclusie over de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Zoals ik hiervoor schreef is met de last tot teruggave het beslag formeel beëindigd. Net zo min als dat daarvoor vereist is dat het voorwerp feitelijk is geretourneerd, geldt ook niet de voorwaarde dat komt vast te staan dat de bewaarder (of het openbaar ministerie) zich voldoende heeft gekweten van de last de voorwerpen terug te geven. Dat vraagstuk gaat het bestek van deze cassatieprocedure te buiten.
3. Conclusie
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 26‑08‑2025
Conclusie 20‑05‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Cassatieberoep tegen ongegrondverklaring van klaagschrift ex art. 552a Sv niet-ontvankelijk omdat het beslag na instelling van het cassatieberoep door teruggave is geëindigd. Conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid van klager in het cassatieberoep.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00533 B
Zitting 20 mei 2025
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klager],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
hierna: de klager
1. Het cassatieberoep
1.1
De rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 6 februari 2024 het op grond van art. 552a Sv ingediende klaagschrift van de klager, strekkende tot opheffing van het beslag op drie telefoons en teruggave daarvan aan de klager, ongegrond verklaard.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en K. Hoesenie, advocaat in Rotterdam, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.
1.3
In deze conclusie beperk ik mij tot de vraag of de klager in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen.
2. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
Uit uitlichtingen verkregen van het openbaar ministerie op 30 oktober 2024 blijkt dat volgens de systemen van het openbaar ministerie de teruggave van de drie telefoons waarop het klaagschrift betrekking heeft is “geboekt” en een afhaalbericht gedateerd 10 september 2024 is verstuurd (kennelijk: aan de klager). Hieruit volgt dat door het openbaar ministerie tot teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen aan de klager is beslist. Gelet op art. 134 lid 2 aanhef en onder a Sv, brengt dit mee dat het beslag is beëindigd. De klager heeft daarom geen belang meer bij zijn cassatieberoep.1.
3. Conclusie
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 20‑05‑2025
Vgl. HR 11 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1413 voor een geval waarin uit ingewonnen inlichten volgde dat de teruggave van het inbeslaggenomen goed was bevolen en “geboekt”.De correspondentie met het openbaar ministerie in de onderhavige zaak houdt tevens in dat (op 31 oktober 2024) de goederen nog niet waren afgehaald door de klager. Dit doet er niet aan af dat met de beslissing tot teruggave sprake is van teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen in de zin van art. 134 lid 2 aanhef en onder a Sv en daarmee van beëindiging van het beslag, vgl. HR 11 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1014.