Invloed van schuldeisers in insolventieprocedures
Einde inhoudsopgave
Invloed van schuldeisers in insolventieprocedures (IVOR nr. 129) 2023/6.1:6.1 Inleiding
Invloed van schuldeisers in insolventieprocedures (IVOR nr. 129) 2023/6.1
6.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. H.J. de Kloe, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. H.J. de Kloe
- JCDI
JCDI:ADS708352:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de opzet van de Faillissementswet zijn de schuldeisersvergadering1 en de schuldeiserscommissie belangrijke middelen voor schuldeisers om invloed uit te oefenen op de afwikkeling van het faillissement. Tijdens de verificatievergadering beslissen de schuldeisers of al dan niet een definitieve schuldeiserscommissie wordt ingesteld (art. 75 Fw). Als op de verificatievergadering geen akkoord wordt aangeboden of als een aangeboden akkoord definitief niet is gehomologeerd, verkeert de boedel in staat van insolventie (art. 173 Fw). Daarmee vangt de vereffeningsfase aan en gaat de curator over tot vereffening van de boedel. Het is mogelijk dat de curator al voor aanvang van de vereffeningsfase belangrijke beslissingen neemt, maar voor die situatie kan een voorlopige schuldeiserscommissie worden ingesteld.2
In de praktijk komt de opzet van de Faillissementswet niet tot zijn recht. De curator is ook voor de verificatievergadering bevoegd goederen te vervreemden (art. 101 Fw). Daarnaast moest de rechter-commissaris op grond van artikel 108 Fw (oud) binnen veertien dagen na het in kracht van gewijsde gaan van het faillissementsvonnis bepalen wanneer een verificatievergadering zou worden gehouden, maar bepaalt de rechter-commissaris op basis van het huidige artikel 108 Fw pas als dat nodig is dat een verificatievergadering wordt gehouden. Artikel 101 en 108 Fw zijn in deze zin aangepast met de Wet modernisering faillissementsprocedure (WMF)3 die op 1 januari 2019 in werking is getreden, maar deze aanpassingen zijn niet meer dan een wettelijke vastlegging van wat in de praktijk gebruikelijk was. In veel gevallen kunnen geen uitkeringen worden gedaan aan de concurrente schuldeisers, waarmee het niet nodig is een verificatievergadering te houden. Wordt wel een verificatievergadering gehouden, dan vindt deze in de regel plaats nadat de boedel (grotendeels) is vereffend.4 In veel faillissementen wordt daarom niet door de schuldeisers besloten over de instelling van een definitieve schuldeiserscommissie. Als een schuldeiserscommissie wordt gewenst, is men afhankelijk van de rechtbank voor het instellen van een voorlopige schuldeiserscommissie.
In dit hoofdstuk worden de schuldeisersvergadering en de schuldeiserscommissie nader bestudeerd. De vragen die in dit hoofdstuk centraal staan is welke invloed kan worden uitgeoefend op de afwikkeling van het faillissement met en door de schuldeisersvergadering en de schuldeiserscommissie en of wijzigingen van het huidige systeem wenselijk zijn. Net als in het vorige hoofdstuk staat het schuldeisersperspectief centraal, maar komt de positie van andere belanghebbenden met name in het kader van de schuldeiserscommissie ook zijdelings aan bod.
In paragraaf 6.2 komt de schuldeisersvergadering naar huidig recht aan de orde. 6.3 gaat in op de schuldeiserscommissie naar geldend recht. In 6.4 komt het hoofdstuk over de schuldeiserscommissie uit het richtlijnvoorstel van de Europese Commissie van 7 december 2022 aan bod. Paragraaf 6.5 behandelt een aantal buitenlandse regelingen over de schuldeisersvergaderingen en schuldeiserscommissie. Het gaat dan om het Engelse, Amerikaanse, Belgische en Duitse recht. De behandeling van dit vreemde recht is niet uitputtend, maar dient ter illustratie van de verschillende manieren waarop in andere landen omgegaan wordt met de schuldeisersvergadering en de schuldeiserscommissie. Het vreemde recht dient ook ter inspiratie bij de evaluatie van de schuldeisersvergadering en schuldeiserscommissie en het doen van aanbevelingen in paragraaf 6.6. Paragraaf 6.7 sluit af met een conclusie.