Einde inhoudsopgave
Afscheid van de klassieke procedure (NJV 2017-1) 2017/III.8
Hoofdstuk III.8 Verhouding met het recht op een eerlijk proces
J.H. Crijns en R.S.B. Kool, datum 08-06-2017
- Datum
08-06-2017
- Auteur
J.H. Crijns en R.S.B. Kool
- JCDI
JCDI:ADS303143:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover onder meer Hildebrandt 2002, Lauwaert 2009, Wergens 2014 en Vriend 2016.
Zie voor kanttekeningen bij de mate van vrijwilligheid in de praktijk onder meer Hartmann 2002, p. 98-101 en Hildebrandt 2002 en 2003.
Anders Hildebrandt 2002 en 2003; zij ziet het recht op toegang tot de rechter als een constitutief bestanddeel van de verhouding tussen de strafvorderlijke overheid en de burger waarvan geen afstand kan worden gedaan. Een vergelijkbare, maar minder strikte opvatting is te vinden bij Lauwaert (Lauwaert 2009, p. 20).
Zie EHRM 8 juni 1976, nr. 5100/71 (Engel e.a. t. Nederland).
Zie Vriend 2016, p. 41, met verwijzing naar EHRM 21 februari 1984, nr. 8544/79 (Öztürk t. Duitsland).
Zie onder meer EHRM 23 november 2006, AB 2007/51 (Jussila t. Finland).
Zie Vriend 2016, p. 31: ‘proceedings may be called ‘fair’ if, and only if, the accused has been able to participate effectively in the proceedings’.
Vgl. het vereiste van ‘informed involvement’ als onderdeel van het participatory model zoals Vriend dat hanteert. Zie Vriend 2016, p. 35-36.
Zie Vriend 2016, p. 36-38.
Zie over de positionering van het slachtoffer als procesdeelnemer: Kamerstukken II 2015/16, 29 279, nr. 284, p. 7 en par. 3.3
Zie Wemmers 2009; Lens, Pemberton en Groenhuijsen 2010. Zie in dit verband ook Cleven e.a. die voor de herstelbemiddeling wijzen op het belang van een adequate selectie van zaken (Cleven, Lens en Pemberton 2015, p. 74). Een aanzet tot een adequate informatie-uitwisseling ligt besloten in de in het kader van het project Modernisering Wetboek van Strafvordering voorgestelde art. 51aa en 51ca Sv. Zie ook art. 15b onder 2 van het Besluit slachtoffers van strafbare feiten van 24 augustus 2016, Stb. 2016, 310 (nog niet in werking getreden).
Zie Richtlijn 2012/29/EU onder 19 en Besluit slachtoffers van strafbare feiten van 24 augustus 2016, Stb. 2016, 310 (nog niet in werking getreden), artikel 12 lid 1 onder d.
Zie Lauwaert 2009, hoofdstuk 5.
Tot slot gaan wij in op de vraag hoe de verschillende vormen van buitengerechtelijke afdoening zich verhouden tot het recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM.1 Bewust hebben we deze vraag tot het einde van ons betoog bewaard, teneinde te voorkomen dat het gehele betoog alsmede onze voorstellen voor verbetering van de verschillende buitengerechtelijke modaliteiten volledig zouden worden bepaald door de eisen die het recht op een eerlijk proces met zich brengen, met het gevaar dat onvoldoende aandacht zou uitgaan naar andere gezichtspunten als de opportuniteit en subsidiariteit van strafrechtelijke handhaving. Dat neemt evenwel niet weg dat het zonder meer van belang is op deze plaats in het betoog aangekomen alsnog te bezien welke eisen art. 6 EVRM in dit verband met zich brengt.
Art. 6 EVRM lijkt op het eerste gezicht niet onverkort van toepassing te zijn op de context van buitengerechtelijke afdoening, al was het alleen al omdat bij op consensualiteit gebaseerde vormen van buitengerechtelijke afdoening de verdachte het recht op berechting door een onafhankelijke en onpartijdige rechter en daarmee het recht op een eerlijk proces (min of meer)2 vrijwillig prijsgeeft (een zogenoemde ‘waiver’), maar daarmee is niet gezegd dat art. 6 EVRM en de daarin besloten gelegen notie van ‘fairness’ in zijn geheel geen rol meer zouden spelen bij dergelijke consensuele vormen van afdoening buiten de rechter om. Betoogd zou kunnen worden dat er in dergelijke gevallen niet zozeer sprake is van een volledige afstand van het recht op een eerlijk proces, maar veeleer van een gedeeltelijke afstand, te weten enkel van het recht op beoordeling van de zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechter.3 In die opvatting zou de bescherming van het recht op een eerlijk proces ook in gevallen van consensuele buitengerechtelijke afdoening overeind blijven, zij het in gemodificeerde vorm.
In gevallen waarin de buitengerechtelijke afdoening is gebaseerd op een eenzijdige rechtshandeling van de strafvorderlijke overheid – zoals het geval is bij de strafbeschikking – lijkt art. 6 EVRM in meer directe zin van toepassing te zijn, omdat in die constellatie een rechtsgeldige afstand van recht zich moeilijker laat construeren en de strafbeschikking zelf – gelet op de welbekende Engel-criteria4 – moeiteloos als criminal charge in de zin van art. 6 EVRM zal kwalificeren. Dat neemt niet weg dat ook in dergelijke gevallen het recht op een eerlijk proces in gemodificeerde vorm van toepassing zal zijn, al was het alleen al omdat de rechter voorafgaand aan en bij de uitvaardiging van de strafbeschikking geen rol heeft.
Vriend betoogt in zijn recente dissertatie dat het standpunt dat art. 6 EVRM slechts ziet op het klassieke strafproces ten overstaan van de rechter en dat de verschillende vormen van buitengerechtelijke afdoening zich reeds om die reden onttrekken aan de reikwijdte van art. 6 EVRM, onhoudbaar is. We laten Vriend zelf aan het woord met de volgende principiële overweging ten aanzien van de toepasselijkheid van art. 6 EVRM op buitengerechtelijke vormen van afdoening:
‘It is against the object and purpose of the protections of the Convention to regard fairness as a principle that should be respected solely during trial proceedings conducted before a judge. It is unacceptable to have diversions operate in a normative vacuum: this would allow States to circumvent fairness considerations by simply using diversion mechanisms on a massive scale. As the Court noted, the use of such mechanisms by decriminalizing petty offences cannot result in the exclusion of the principle of fairness. This does not mean, however, that all guarantees of Article 6 are applicable to diversions: on the contrary, such mechanisms were put in place to avoid public hearings by an independent and impartial tribunal, which is one of the essential rights of Article 6 (1). The accused can waive certain fair trial guarantees, provided he has been able to participate effectively in the diversion proceedings.’5
Ook Vriend gaat derhalve uit van toepasselijkheid van het recht op een eerlijk proces op buitengerechtelijke afdoening, zij het in gemodificeerde vorm. De vervolgvraag is dan wel in hoeverre het recht op een eerlijk proces van toepassing is op de verschillende vormen van afdoening buiten de rechter om. Het recht op toegang tot de onafhankelijke en onpartijdige rechter speelt uit de aard der zaak niet, althans niet tijdens de buitengerechtelijke procedure (maar vanzelfsprekend wel als mogelijk vervolg daarop). Maar hoe zit het met de andere deelrechten uit art. 6 EVRM? Geldt de onschuldpresumptie in volle omvang? Heeft de verdachte recht op het horen van getuigen? Heeft hij recht op een raadsman en zo ja, in hoeverre? In dat verband is – zoals eerder opgemerkt – van belang dat de Straatsburgse jurisprudentie aanknopingspunten bevat voor het maken van een onderscheid tussen strafrechtelijke procedures in de zin van art. 6 EVRM die behoren tot de zogenoemde hard core of criminal law en procedures die eerder gerekend kunnen worden tot de soft core of criminal law, welk onderscheid vervolgens consequenties heeft voor de vraag in hoeverre aanspraak kan worden gemaakt op alle deelrechten van art. 6 EVRM.6 Tegelijkertijd moet worden vastgesteld dat de verschillende vormen van buitengerechtelijke afdoening alle aanleiding vinden in de verdenking van een strafbaar feit binnen de bredere context van het strafproces, hetgeen maakt dat er weinig aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat zij geen deel zouden uitmaken van de zogenoemde hard core of criminal law. Art. 6 EVRM lijkt dan ook in beginsel in volle omvang van toepassing op de context van de buitengerechtelijke afdoening. Enkel de geringe zwaarte van de aan de orde zijnde sanctie lijkt hier ingevolge voornoemde Straatsburgse jurisprudentie nog enige relativering op te kunnen aanbrengen. Wat betekent dit nu concreet?
In aansluiting op hetgeen Vriend in zijn dissertatie heeft betoogd, betekent dit naar ons oordeel bovenal dat de verdachte moet kunnen participeren in het traject van buitengerechtelijke afdoening.7Art. 6 EVRM staat in die lezing in de weg aan vormen van afdoening waaraan de verdachte part noch deel heeft. Een eerste vereiste voor participatie is afdoende informatievoorziening jegens de verdachte, zodat hij geïnformeerd kan bepalen op welke wijze hij wenst te participeren.8 Een tweede vereiste is het bieden van gelegenheid tot het leveren van daadwerkelijke inbreng ten aanzien van de inhoud van de beschuldiging en tot het ter discussie stellen van de informatie die ten grondslag ligt aan de verdenking.9 Hier komt derhalve het eerder geconstateerde belang van het bieden van gelegenheid tot hoor en wederhoor naar voren. Ook het belang van effectieve rechtsbijstand tijdens de buitengerechtelijke procedure dringt zich in dit verband op.
Maar niet alleen de verdachte, ook het slachtoffer kan aanspraak maken op participatie.10 Weliswaar is het recht op een eerlijk strafproces niet geschreven voor het slachtoffer, jegens hem is immers geen criminal charge ingesteld, maar uit hoofde van diens status van procesdeelnemer heeft het slachtoffer participatoire rechten, in het bijzonder het recht te worden geïnformeerd en informatie aan te bieden.11 Bovendien heeft het slachtoffer ook recht op toegang tot de rechter (art. 6 lid 1 EVRM); die aanspraak is echter minder omvattend, althans aan minder expliciete rechtswaarborgen gebonden dan de aanspraak van de verdachte. Niettemin mag worden verondersteld dat ook voor het slachtoffer geldt dat het antwoord op de vraag in hoeverre hij het proces als eerlijk ervaart mede wordt bepaald door de vraag of en in hoeverre hij hierin heeft kunnen participeren.12 Er mag dan ook geen druk worden uitgeoefend op het slachtoffer om in te stemmen met de herstelbemiddeling.13
Betekent dit alles nu dat het recht op een eerlijk proces zodanige vereisten met zich brengt dat elke vorm van buitengerechtelijke afdoening zwaar moet worden opgetuigd met procedurele waarborgen alvorens deze de toets der kritiek kan doorstaan? Dat lijkt niet het geval, mede gezien de eerder beschreven jurisprudentiële lijn dat enige differentiatie in rechtswaarborgen afhankelijk van de aard van de procedure en de zwaarte van de aan de orde zijnde sanctie toelaatbaar is. Wel betekent dit dat de notie van eerlijkheid – en als uitvloeisel daarvan het vereiste dat de verdachte en, in geval van slachtoffergerelateerde criminaliteit, het slachtoffer effectief moeten kunnen participeren – het vertrekpunt van denken dient te vormen en dat niet te gemakkelijk met een verwijzing naar de buitengerechtelijke aard van de betreffende procedure op elementaire rechtswaarborgen mag worden beknibbeld. Wij lezen daar een bevestiging in dat de verdere versterking van de rechtsbescherming binnen het buitengerechtelijk spoor zoals wij die in het voorgaande hebben bepleit (meer in het bijzonder ten aanzien van de uitbreiding van de hoorplicht in het kader van de strafbeschikking en de verdere effectuering van het recht op rechtsbijstand binnen de ZSM-werkwijze) geen overbodige luxe is.14 Dit geldt temeer in zaken waarin de op het spel staande belangen toch aanzienlijk zijn.