Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/3.3.1
3.3.1 De weg naar 1864
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS701918:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vergoeding van de waarde van de ontnomen goederen.
Vergoeding van de waardedaling van hetgeen overblijft vanwege het feit dat de band met het onteigende, door de onteigening, is verbroken.
Thorbecke 1880, p. 190.
Wijting 1984, p. 66.
In dezelfde lijn: Sluysmans 2011, p. 28.
Er werd in de wet van 1851 zelfs rekening gehouden met het feit dat de deskundigen niet konden schrijven. De werkzaamheden van de deskundigen voltrokken zich in het veld; zij waren niet aanwezig op de pleitzitting. Dit meen ik te ontlenen aan art. 37 Ow 1851, dat artikel verwees naar art. 235 Rv 1838, waarin is bepaald dat als de rechter nader advies nodig heeft, hij zelf deskundigen kon benoemen. Bezwaren tegen de taxaties konden schriftelijk aan de rechtbank, met tussenkomst van de rechter-commissaris, kenbaar worden gemaakt. Deze konden dan worden herhaald of aangevuld tijdens de kort daaropvolgende pleidooien.
Wijting 1984, p. 66.
Verpaalen 1974, p. 127.
Van der Woud 2006.
‘Uiteraard’ denk ik ook aan de schaduwzijden van de industrialisatie zoals slechte arbeidsomstandigheden, sociale zekerheid en gezondheid.
Drentje 2004, p. 245.
Sluysmans 2011, p. 23.
Slechts drie artikelen waren aan de bepaling der schadeloosstelling gewijd. Jonckers Nieboer geeft als aanvullende reden van de beknopte doch strakke schadeloosstellingsregels dat Thorbecke wilde breken met de praktijk van de wet van 1841, waar de schadeloostelling naar billijkheid begroot moest worden. Dit gaf de rechter veel vrijheid aangezien de wet zweeg over welke elementen aan deze schadeloosstelling ten grondslag diende te liggen. Zie: Jonckers Nieboer 1931, p. 133-134.
Sluysmans 2011, p. 28.
Lubbers 1919, p. 7.
HR 7 maart 1864, W. 1864, 2569 en HR 23 december 1864, W. 1864, 2652.
In de wet van 1851 was er dus uitsluitend ruimte voor een vergoeding van de werkelijke waarde1 plus de eventuele waardevermindering van het overblijvende.2 Deze twee componenten vormden volgens Thorbecke een – vanuit het oogpunt van de billijkheid – volledige schadeloosstelling. Hoe de waardering in concreto diende te geschieden, werd door Thorbecke in het midden gelaten. De rechter en de deskundigen waren daarin vrij, zolang zij bleven binnen de twee wettelijke schadecomponenten. 3
In het licht van dat uitgangspunt, acht ik het logisch dat Thorbecke de rol van deskundigen aldus zag dat zij in loco de te onteigenen percelen konden taxeren. Het betrof immers relatief eenvoudige schadecomponenten, die naar eigen inzicht konden worden gewaardeerd.4 Ook is dan eenvoudig te verklaren de rol en belangrijke positie van de rechter-commissaris, namelijk het toezien op een adequate wetshantering en het fungeren als verlengstuk van de bodemrechter. 5De deskundigen hoefden geen juridische kennis te hebben, taxatiekennis volstond. 6Deze kale taxatiefunctie, zoals Thorbecke die zag, heeft aanleiding gegeven tot enkele spitsvondige vergelijkingen. Zo schreef Wijting in zijn omvangrijke dissertatie uit 1984 dat de rechter-commissaris de deskundigen met hun neus op de rechtsregels moest drukken “zo in de orde van: deze waarde komt in aanmerking, welk bedrag is daarvoor naar uw mening toe te schatten?”7 en stelde Verpaalen tien jaar eerder, in minstens zo scherpe bewoordingen: “de taak van de rechter was geen andere dan te controleren of het levend rekentuig (lees: de deskundigen) overeenkomstig het programma had gefunctioneerd.”8
Een dergelijk schadeloosstellingssysteem kon de tand des tijds onmogelijk doorstaan. Om dat te begrijpen richt ik mij op de historische achtergrond waartegen de wet van 1851 is ontworpen. Voor zover industrie kan bloeien, was Nederland een laatbloeier.9 Terwijl de ons omliggende landen al volop industrialiseerden – met alle positieve gevolgen van dien –10was Nederland omstreeks het midden van de 19e eeuw, op de handel na, nog veelal agrarisch. Voor Thorbecke, die tussen 1825 en 1830 in Gent verbleef en daar al volop industrialisatie waarnam, was dit een doorn in het oog.11 Hij beschouwde de nieuw te ontwerpen onteigeningswet als een geschikt instrumentarium om ook Nederland vooruit te stuwen.12 Zijn onteigeningswet was dientengevolge doordrenkt van het idee dat staat en politiek richting moeten geven aan de inrichting van het land, veel meer dan het – tot dan toe geheiligde – beschermen van het eigendomsrecht. Het zwaartepunt van zijn wet ligt dan ook in de administratieve fase; eens het ‘algemeen nut’ van de onteigening is vastgesteld en het onderzoek in de administratieve fase zorgvuldig is verlopen, kan het vervolg – de schadeloosstellingsprocedure – als relatief eenvoudig worden beschouwd. 13
Waar Thorbecke zich op heeft verkeken, is de exponentiele groei die Nederland vanaf de tweede helft van de 19e eeuw doormaakte en de complexe eigendomsverhoudingen, samenlevingsvormen en bedrijfsvoeringen die daarmee gepaard gingen. Hij schreef zijn wet met het oog op de onteigening van veelal agrarisch of braakliggend land, met name voor de aanleg van spoor- en waterwegen. Meer dan een incidentele opstal, bestemd voor het landbouwbedrijf, was er in de periode vóór 1851 niet. Zoals ik reeds eerder schreef, is het bepalen van de schadeloosstelling in zulke gevallen bepaald geen ingewikkelde exercitie, waardoor (zelfs) taxatie ter plekke mogelijk werd geacht. Het gevolg: een beknopt schadeloosstellingsrecht, bestaande uit slechts twee schadecomponenten, dat steeds minder beantwoordde aan de maatschappelijke vraagstukken van haar tijd. Sluysmans vervatte dit treffend in zijn proefschrift waar hij overwoog: “De fictie dat werkelijke waarde en waardevermindering van het overblijvende tot een volledige schadeloosstelling zouden leiden, werd links en rechts door de werkelijkheid achterhaald.”14
De werkelijkheid was er een waar de vraag om een volledige schadevergoeding – in de moderne zin des woords – toenam. Er ontstonden veel schadeposten die onder het knellende systeem van Thorbecke niet voor vergoeding in aanmerking kwamen, ik noem dan bijvoorbeeld wederbeleggingskosten, verhuiskosten en schade door het verlies aan winkelclientèle. Aan het woord laat ik Lubbers die het netelige vraagstuk waar de onteigeningsrechter zich voor gesteld zag duidelijk verwoordde:
“Ik kan me zeer goed een stelsel van onteigening denken waarbij wordt uitgegaan van het standpunt, dat de schadeloosstelling niet in alle opzichten volledig behoeft te zijn. Even goed, als het in abstracto denkbaar is, dat in het geheel geen schade vergoed wordt. Daarbij wordt dan de kans op een onvolledige schadevergoeding eenvoudigweg een der risico’s, aan den privaten eigendom verbonden. Maar wie een dergelijk stelsel wil, breekt met de eisch van volledige schadeloosstelling. Wie aan dien eisch vasthoudt, en Thorbecke zegt herhaaldelijk dat hij dit doet, kan zich met een beperking der schadeloosstelling tot een vergoeding van de waarde en de waardevermindering niet tevreden stellen.”15
Uiteindelijk breekt De Hoge Raad in 1864 met Thorbeckes beperkte schadebegrip en zet daarmee de poorten naar een volledige schadeloosstelling open.16 Deskundigen konden vanaf dat moment niet langer volstaan met het becijferen van de twee wettelijke schadeposten.