Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/3.7
3.7 Wijzigingen in het Burgerlijk Wetboek en (onmiddellijke) voorzieningen
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS370875:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Het zij herhaald, dat het het bestek van dit onderzoek te buiten gaat om de gehele wetsgeschiedenis van het rechtspersonen recht buiten Afdeling 2 van Titel 8 Boek 2 BW te bespreken.
HR 25 februari 2011, NJ 2011, 335 m.nt. Van Schilfgaarde, JOR 2011/115 m.nt. Doorman,Ondernemingsrecht 2011/40 m.nt. Assink, AA mei 2012 m.nt. Raaijmakers (Inter Access).
Kamerstukken TK 16551, nr. 3 (MvT), p. 9.
Advies van de Commissie vennootschapsrecht over het wetsvoorstel inzake de vereenvoudiging en flexibilisering van het b.v.-recht, bijlage bij Kamerstukken TK 31058, nr. 3 (MvT).
Rapport van de expertgroep ingesteld door de minister van Justitie en de Staatssecretaris van Economische Zaken Bijlage bij Kamerstukken TK 31058, nr. 3 (MvT).
Bij het verrichten van dit onderzoek is de indruk ontstaan dat bij de wijzigingen1 van het recht buiten Afdeling 2 van Titel 8 Boek 2 BW (te) weinig tot niet wordt stilgestaan bij de bevoegdheden van de ondernemingskamer. Met name lijkt over het hoofd te worden gezien dat het creëren van (meer) mogelijkheden om in de statuten af te wijken van de bepalingen van Boek 2, ten einde de gebruikers van rechtspersonen meer inrichtingsvrijheid te bieden, tevens het paradoxale gevolg heeft dat er voor de ondernemingskamer meer ruimte ontstaat om ten detrimente van deze gebruikers in te grijpen in de rechtspersoon. Zoals in hoofdstuk 10 en 13 ter sprake zal komen, kan de ondernemingskamer immers eerder afwijken van statutaire bepalingen, dan van dwingendrechtelijke bepalingen. Waar dus eerder een hogere drempel bestond voor de ondernemingskamer om rechten van (bijvoorbeeld) aandeelhouder ter zijde te schuiven omdat deze dwingendrechtelijk in de wet waren vastgelegd, creëert men onder het mom de aandeelhouders tegemoet te komen door hen meer flexibiliteit te geven, tevens de mogelijkheid om hun rechten gemakkelijker opzij te zetten.
Ook als vervolgens het enquêterecht wordt herzien, lijkt men er niet over na te denken of dit alsnog moet worden geadresseerd.
Bij wijze van voorbeeld zij gewezen op de vele pennen die in beweging zijn gebracht door de noodzaakfinancieringsjurisprudentie, in het bijzonder Inter Access-beschikking.2 Zoals in par. 13.5.5.3 nader ter sprake komt, is in art. 2:206 lid 1 BW nu eenmaal bepaald dat de statuten een ander orgaan van de vennootschap kunnen aanwijzen om emissiebesluiten te nemen en in art. 2:206a lid 1 BW dat de aandeelhouders geen voorkeursrecht hebben bij een emissie. Als reden voor deze mogelijkheden werd gegeven dat in de besloten kring van aandeelhouders van een BV de aandeelhouders nauw genoeg betrokken zijn bij de vaststelling en wijziging van de statuten om dit aan de statuten over te laten.3 Het logische gevolg van deze statutaire mogelijkheden is echter dat de ondernemingskamer bij wijze van tijdelijk afwijken van de statuten aan het bestuur de bevoegdheid kan verlenen om aandelen uit te geven zonder inachtneming van het voorkeursrecht, dus bijvoorbeeld ook aan een volledige buitenstaander. Een meerderheidsaandeelhouder kan aldus zijn grip op de vennootschap volledig kwijtraken. Dat gaat inderdaad heel ver en dat zonder dat de wetgever zich deze mogelijkheid lijkt te hebben gerealiseerd.
Een ander voorbeeld is de Memorie van Toelichting bij de invoering van het huidige art. 2:228 lid 5 BW, waarin sinds 1 oktober 2012 is vastgelegd dat de statuten kunnen bepalen dat geen stemrecht is verbonden aan een aandeel. Deze aandelen kunnen worden gecreëerd door óf voorafgaand aan de uitgifte reeds in de statuten vast te leggen dat geen stemrecht aan het aandeel is verbonden, óf doordat alle houders van de desbetreffende klasse aandelen instemmen met een statutenwijziging die inhoudt dat aan hun aandelen geen stemrecht meer is verbonden. Blijkens de parlementaire geschiedenis van art. 2:228 lid 5 BW komt deze bepaling tegemoet aan de wens van de gebruikers van BV’s om stemrechtloze aandelen mogelijk te maken. Welke mogelijkheden deze bepaling voor de ondernemingskamer biedt kwam echter slechts zijdelings ter sprake. In zijn advies vermeldt de Commissie Vennootschapsrecht4 dat de ondernemingskamer zou kunnen ingrijpen, indien een aandeelhouder zonder stemrecht in de knel komt, en in het rapport van de zogeheten expertgroep5 komt ter sprake dat de ondernemingskamer soms bij wijze van een onmiddellijke voorziening het stemrecht van een aandeelhouder schorst. Maar betekent dat nu dat de ondernemingskamer de zegen van de wetgever heeft om naar goeddunken van art. 2:228 lid 5 BW gebruik te maken in het kader van haar bevoegdheid om tijdelijk af te wijken van de statuten? Kan de ondernemingskamer stemrechten afnemen van aandeelhouders, ook als deze aandeelhouders daarmee niet instemmen (zie par. 13.5.6)? Kan de ondernemingskamer, in het geval de vennootschap stemrechtloze aandelen heeft uitgegeven, de desbetreffende aandeelhouders toch stemrechten toekennen (zie par. 13.5.7)? En zo ja, staat dat niet haaks op de wens van de wetgever om gebruikers van BV’s meer inrichtingsvrijheid te bieden? Impliceert de vrijheid om de rechtspersoon naar eigen inzicht in te richten immers niet dat de vervolgens getroffen regelingen worden gerespecteerd? En wat is eigenlijk de rechtvaardiging om op dit punt een onderscheid tussen NV’s en BV’s te maken?