De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting
Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/7.6:7.6 Hoofdstuksamenvatting, conclusies en aanbevelingen
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/7.6
7.6 Hoofdstuksamenvatting, conclusies en aanbevelingen
Documentgegevens:
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS389754:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij veel soorten stichtingen is de raad van toezicht bevoegd om zijn eigen leden te benoemen en te ontslaan en ontbreekt een “verantwoordingsorgaan”. Mede om die reden is het van belang dat de raad van toezicht in het kader van good governance uitgebreid aandacht besteedt aan zijn profiel, zijn diverse samenstelling, het onafhankelijk (kunnen) functioneren van zijn leden, het structureren van het besluitvormingsproces binnen de raad en het opstellen van een duidelijke taakverdeling.
De raad van toezicht kan objectieve criteria en eisen voor zijn leden formuleren en vastleggen in een reglement. Dit bewerkstelligt dat de raad bij de (her)benoeming van zijn leden en bij zijn (zelf)evaluatie toetst en beargumenteert of aan de vastgestelde criteria is voldaan.
In het voorgaande hoofdstuk werd geconcludeerd dat de specifieke taakopdracht van de raad van toezicht van een bepaalde stichting afhangt van het doel van de stichting, het type stichting, de omvang (van de onderneming, organisatie of het vermogen) van de stichting en de omstandigheden waarin de stichting zich bevindt. Afhankelijk van de taakopdracht van de raad van toezicht, bestaat binnen de raad behoefte aan specifieke en/of algemene kennis, expertise en vaardigheden van leden. Deze behoefte bepaalt in belangrijke mate de samenstelling en omvang van de raad van toezicht.
Besluiten van de raad van toezicht zijn de vrucht van onderling overleg. Het voeren van een discussie vanuit verschillende invalshoeken, expertises en achtergronden bevordert afgewogen besluitvorming binnen de raad van toezicht. Mede om die reden (ook in verband met de hierna te noemen zelfevaluatie en de mogelijkheid van schorsing van eigen leden) zou in de wet vastgelegd dienen te worden dat de raad in beginsel uit ten minste drie leden bestaat en streeft naar een evenwichtige, diverse samenstelling. Aangezien het voor sommige, bijvoorbeeld “kleinere” stichtingen kostbaar kan zijn om een raad van toezicht van ten minste drie leden te hebben, zou in de wet een uitzonderingsmogelijkheid geformuleerd kunnen worden. Sectorregels zouden dan voor bepaalde soorten stichtingen, zoals in ieder geval semipublieke instellingen, moeten bepalen dat zij geen gebruik mogen maken van deze uitzonderingsbepaling.
Diversiteit in karakters is belangrijk voor (het bevorderen van) de discussie binnen de raad. Bovendien is van belang dat de leden van de raad feitelijk onafhankelijk en integer zijn en kritisch kunnen opereren. Diversiteit kan worden gezocht in man-vrouwverdeling, maar ook in leeftijd en achtergrond, zeker wanneer de stichting zich richt op of diensten verricht ten behoeve van een breed samengesteld publiek.
Objectief bepaalbare onafhankelijkheidscriteria, maximale zittingstermijnen en maximale aantallen toezichthoudende en bestuurlijke functies die zijn opgenomen in governancecodes zouden, evenals diversiteitscriteria, in de eerste plaats indicatief van aard moeten zijn, dat wil zeggen: gemotiveerde afwijking door de raad van toezicht zou mogelijk moeten zijn.
In het Wetsvoorstel btrp is terecht een regeling opgenomen die er op neerkomt dat leden van de raad van toezicht, die een tegenstrijdig belang hebben bij een bepaald voorstel, zich dienen te onthouden van deelname aan de beraadslaging en de besluitvorming. In geval van tegenstrijdig belang van alle leden van de raad van toezicht is escalatie naar een ander orgaan doorgaans niet mogelijk. Escalatie naar een derde is mijns inziens onwenselijk. Volgens het Wetsvoorstel btrp dienen, in het geval de raad van toezicht het besluit neemt omdat alle leden van de raad van toezicht een tegenstrijdig belang hebben, de overwegingen die aan het besluit ten grondslag hebben gelegen schriftelijk vastgelegd te worden. Dit is mijns inziens een nuttige toevoeging, aangezien het de raad van toezicht dwingt het besluit op rationele wijze te beargumenteren. Wel is van belang dat de raad van toezicht aan dit vereiste inhoud geeft door aan te geven op welke gronden het besluit is genomen en in hoeverre het besluit bijdraagt aan het verwezenlijken van het stichtingsdoel.
Een zorgvuldig en gestructureerd en, in sommige gevallen, transparant besluitvormingsproces draagt bij aan de kwaliteit van de besluiten van de raad van toezicht. Ieder lid van de raad van toezicht moet aan de besluitvorming kunnen meewerken en moet tijdens de vergadering voldoende ruimte hebben om zijn standpunt naar voren te brengen. De voorzitter speelt hierbij een belangrijke rol. Voorts zijn heldere notulen van de vergadering van belang, ook voor de raad van toezicht zelf (bijvoorbeeld in verband met de zelfevaluatie), teneinde inzichtelijk te maken hoe een besluit tot stand gekomen is en wat de inhoudelijke afwegingen waren om tot het besluit te komen.
Een verdeling van taken tussen leden van de raad van toezicht bevordert deskundig en efficiënt toezicht. Het toebedelen van een bepaalde taak aan één of meer leden (waaronder een commissie) doet niet af aan de collectieve verantwoordelijkheid van de raad van toezicht. Een taakverdeling betekent dat het lid, de leden of de commissie die met een bepaalde taak is belast, voorbereidende en adviserende werkzaamheden verrichten, zodat de gehele raad van toezicht goed onderbouwde besluiten kan nemen over de desbetreffende onderwerpen.
Aanbevelingen aan de wetgever:
[Zie paragraaf 7.2.7 en 8.5.2] Boek 2 BW zou dienen te bepalen dat de raad van toezicht van een stichting, indien deze wordt ingesteld, uit ten minste drie leden bestaat, tenzij de statuten anders bepalen.
[Zie paragraaf 7.3.4] Wat betreft het maximumaantal toezichthoudende functies hebben (indicatieve) voorschriften in sectorale governancecodes, waarvan gemotiveerd afgeweken kan worden, mijns inziens de voorkeur boven de huidige starre regeling in Boek 2 BW.
[Zie paragraaf 7.2.6] Streefcijfers in verband met evenwichtige verdeling van zetels tussen mannen en vrouwen gelden op dit moment op grond van Boek 2 BW slechts voor (besturen en) raden van commissarissen van grote NV’s en BV’s. Indien en zolang dergelijke diversiteitsbepalingen met concrete streefcijfers voor man-vrouw verdeling in de wet zijn opgenomen, zouden zij ook voor (besturen en) raden van toezicht van grote stichtingen moeten gelden. Wat betreft streefcijfers voor man-vrouwverdeling hebben (indicatieve) voorschriften in sectorale governancecodes mijns inziens de voorkeur.
Aanbevelingen voor sectorale governancecodes:
Sectorale governancecodes zouden voornamelijk indicatief moeten zijn en algemene principes in plaats van afvinklijstjes moeten bevatten die in individuele statuten, reglementen, bestuursverslagen en toezichtverslagen geadresseerd, toegelicht en gemotiveerd uitgewerkt moeten worden.
[Zie paragraaf 7.3.5] In sectorcodes of handreikingen van brancheorganisaties dient benadrukt te worden dat de raad van toezicht, in geval van tegenstrijdig belang van alle leden, weliswaar een besluit kan nemen maar dat de overwegingen die aan het besluit ten grondslag liggen deugdelijk vastgelegd moeten worden.
[Zie paragraaf 7.4.3] In (bijlagen bij) sectorale governancecodes of handreikingen die door brancheorganisaties worden opgesteld zouden nadere aanwijzingen en voorbeelden gegeven kunnen worden op het gebied van effectief vergaderen, evenwichtige besluitvorming en zorgvuldige notulering.
[Zie paragraaf 7.2.4] Aan de raad van toezicht zelf zou een duidelijke(re) verantwoordelijkheid gegeven moeten worden in het kader van de beoordeling of zijn eigen leden geschikt zijn voor hun functie. Sectorale governancecodes zouden moeten voorschrijven dat de raad van toezicht een procedure vaststelt voor (a) zijn periodieke (zelf)evaluatie en (b) de (her) benoeming van leden van de raad van toezicht aan de hand van duidelijke, van tevoren opgestelde, objectieve criteria (waarbij inspiratie kan worden opgedaan bij wettelijke geschiktheidseisen in bepaalde sectoren).
[Zie paragraaf 7.3.4] Sectorale governancecodes zouden indicatieve onafhankelijkheidscriteria moeten bevatten. In sectorcodes zou voorgeschreven moeten worden dat de raad van toezicht jaarlijks in een (openbaar te maken) verslag ten aanzien van elk van de leden afzonderlijk verklaart of zij geacht worden onafhankelijk te zijn. Afwijking van deze indicatieve onafhankelijkheidscriteria dient gemotiveerd te worden toegelicht.