Rb. Zeeland-West-Brabant, 03-06-2022, nr. BRE-21, 5070
ECLI:NL:RBZWB:2022:3033
- Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum
03-06-2022
- Zaaknummer
BRE-21_5070
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBZWB:2022:3033, Uitspraak, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 03‑06‑2022; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Uitspraak 03‑06‑2022
Inhoudsindicatie
Voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummer BRE 21/5070
uitspraak van 3 juni 2022
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[belanghebbende], gevestigd te [vestigingsplaats],
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
de inspecteur.
Motivering
Belanghebbende heeft bij de inspecteur een beroepschrift ingediend betreffende de aanslag vennootschapsbelasting 2017 met aanslagnummer [aanslagnummer] en de bij beschikking opgelegde boete. De inspecteur heeft het beroepschrift doorgezonden naar de rechtbank omdat de rechtbank bevoegd is het beroep te behandelen. Voor het beroep is belanghebbende griffierecht verschuldigd van € 360,00. De griffier heeft belanghebbende daarover schriftelijk geïnformeerd. Belanghebbende heeft de brief retour gezonden naar de rechtbank met daarop de opmerking: “Retour: want géén contract met de levende mens!!”
De griffier heeft belanghebbende in een aangetekende brief van 24 december 2021 nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht.
In verband met het beroep op betalingsonmacht heeft de griffier bij brief van 7 januari 2022 belanghebbende in de gelegenheid gesteld om de betalingsonmacht te onderbouwen zowel van belanghebbende zelf als voor iedere bestuurder en aandeelhouder afzonderlijk. De enveloppe waarin deze brief is verzonden, is ongeopend ter griffie terugontvangen. Deze brief is aangetekend verstuurd naar het door belanghebbende opgegeven adres. Daarop is de brief op 11 januari 2022 nogmaals naar het opgegeven adres gestuurd, nu per gewone post en met een laatste termijn van twee weken. Belanghebbende heeft bij brief van 13 januari 2022 informatie verstrekt. De griffier heeft vervolgens het beroep op betalingsonmacht afgewezen.
De griffier heeft belanghebbende in een aangetekende brief van 25 februari 2022 nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht. De enveloppe waarin deze brief is verzonden, is ongeopend ter griffie terugontvangen. Deze brief is aangetekend verstuurd naar het door belanghebbende opgegeven adres. Daarop is de brief op 4 maart 2022 nogmaals naar dat adres gestuurd, nu per gewone post.
Bij brief van 24 maart 2022 stuurt [naam] de op 4 maart 2022 per gewone post verzonden betalingsherinnering retour aan de rechtbank en merkt daarbij op dat “volgens onze gegevens [hoeven] wij niet de zekerheid op voorhand [te] betalen, dat is diefstal vooraf (…)”.
Uit de administratie van de rechtbank blijkt dat het griffierecht niet is ontvangen. Dit betekent dat het beroep niet-ontvankelijk is, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest.
Hier is niet gebleken dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest. Opmerking verdient daarbij dat het beroep op betalingsonmacht terecht is afgewezen. De rechtbank volgt de lijn van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch dat rechtspersonen eveneens een beroep kunnen doen op betalingsonmacht1.. Bij de beoordeling of een rechtspersoon met succes een beroep kan doen op betalingsonmacht, moet niet alleen worden beoordeeld of de rechtspersoon inkomen of vermogen heeft waaruit het verschuldigde griffierecht kan worden voldaan, maar ook of de aandeelhouders en/of bestuurders van de rechtspersoon in staat moeten kunnen worden geacht de financiële middelen te verstrekken om het verschuldigde griffierecht te voldoen2.. Op basis van de door belanghebbende ingebrachte gegevens kan niet worden vastgesteld dat sprake is van betalingsonmacht. Belanghebbende heeft namelijk geen gegevens van bankrekeningen, inkomen (of de winst) en het vermogen van de rechtspersoon ingebracht, hoewel de griffier daar in de brief wel expliciet om had gevraagd.
De door [naam] ingebrachte klacht over het vooraf heffen van griffierecht vindt geen steun in het recht. Het door de griffier geheven griffierecht is in overeenstemming met artikel 8:41 van de Awb.
Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van P. van der Hoeven, griffier, op 3 juni 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 03‑06‑2022
Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 20 februari 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:706 en Hoge Raad 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV2020.