HR, 24-09-2021, nr. 21/00449
ECLI:NL:HR:2021:1349
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
24-09-2021
- Zaaknummer
21/00449
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2021:1349, Uitspraak, Hoge Raad, 24‑09‑2021; (Cassatie)
Beroepschrift, Hoge Raad, 09‑02‑2021
- Vindplaatsen
V-N 2021/39.12 met annotatie van Redactie
NLF 2021/1874 met annotatie van Nick van den Hoek
Belastingblad 2021/402 met annotatie van R.A. Eskes
USZ 2021/379
JB 2021/215
FED 2022/10 met annotatie van E. POELMANN
NTFR 2021/3203 met annotatie van mr. R.C.H. Graves
Viditax (FutD) 2021092415
FutD 2021-2951
Uitspraak 24‑09‑2021
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Artikelen 6:5, 6:6 en 8:54 Awb. Beroepschrift zonder gronden. Beroep kennelijk niet-ontvankelijk?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 21/00449
Datum 24 september 2021
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 december 2020, nrs. BRE 19/2097 tot en met BRE 19/2099, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 14 augustus 2019 betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2012 tot en met 2014 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door L.A.M. Schalk, heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Beoordeling van de klachten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Het bij de Rechtbank ingediende beroepschrift bevat niet de gronden van het beroep. In het beroepschrift werd de Rechtbank verzocht het beroep gezamenlijk te behandelen met eerder aanhangig gemaakte beroepen van de besloten vennootschap waarvan belanghebbende aandeelhouder is (hierna: de BV).
2.1.2
Met dagtekening 14 mei 2019 heeft de griffier van de Rechtbank de gemachtigde twee brieven toegezonden die betrekking hebben op het beroep van belanghebbende. Dat betreft een brief waarin de ontvangst van het hiervoor vermelde beroepschrift wordt bevestigd, en een brief (hierna: de verzuimbrief) waarbij belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld binnen vier weken na die datum onder meer de gronden van het beroep in te dienen. De griffier van de Rechtbank heeft met dagtekening 14 mei 2019 aan de gemachtigde vergelijkbare brieven toegezonden die betrekking hebben op door de partner van belanghebbende bij de Rechtbank ingestelde beroepen. Voorts heeft de griffier van de Rechtbank met dagtekening 14 mei 2019 brieven toegezonden aan de gemachtigde waarin wordt meegedeeld dat het voor 26 juli 2019 geplande onderzoek ter zitting van de door de BV bij de Rechtbank ingestelde beroepen zal worden uitgesteld in verband met de samenhang met de zaken van belanghebbende en haar partner.
2.1.3
De gronden van het beroep zijn niet ingediend binnen vier weken na 14 mei 2019. De griffier van de Rechtbank heeft bij per aangetekende post verzonden brief van 18 juni 2019 (hierna: de herinneringsbrief) de gemachtigde het volgende meegedeeld:
“Op 14 mei 2019 heb ik u een brief gestuurd. U hebt hierop niet gereageerd.
Ik verzoek u binnen twee weken na de datum van verzending van deze brief uw schriftelijke reactie aan mij toe te sturen. Maakt u van deze gelegenheid geen gebruik dan kan de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren.”
2.1.4
De gronden van het beroep zijn ook binnen de in de herinneringsbrief genoemde termijn niet ingediend. De Rechtbank heeft daarop met toepassing van artikel 8:54 Awb het beroep nietontvankelijk verklaard op de grond dat het beroepschrift in strijd met artikel 6:5 Awb niet de gronden van het beroep bevat en belanghebbende dit verzuim niet heeft hersteld binnen de daartoe gestelde termijn.
2.1.5
Het tegen die uitspraak gedane verzet is door de Rechtbank ongegrond verklaard. Deze beslissing berust onder meer op het oordeel dat belanghebbende de gronden van het beroep niet heeft ingediend, hoewel belanghebbende daartoe bij de verzuimbrief en daarna nogmaals bij de herinneringsbrief in de gelegenheid is gesteld.
2.2.1
De klachten herhalen onder meer het ook in verzet aangevoerde betoog dat het de gemachtigde niet duidelijk was dat de herinneringsbrief refereerde aan de verzuimbrief en dat hem met de herinneringsbrief een laatste gelegenheid werd geboden de gronden van het beroep in te dienen.
2.2.2
Op grond van artikel 6:6 Awb kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan een of meer van de vereisten van artikel 6:5 Awb, mits de indiener van het beroepschrift gelegenheid heeft gehad het verzuim binnen een hem daartoe gestelde termijn te herstellen. De gelegenheid tot herstel moet op een zodanige wijze worden geboden, dat voor de indiener van het beroepschrift in redelijkheid geen twijfel kan bestaan welk verzuim moet worden hersteld en binnen welke termijn.
2.2.3
Uit de bewoordingen van de herinneringsbrief blijkt niet op welke brief van 14 mei 2019 het verzoek in de herinneringsbrief betrekking heeft. De bewoordingen van de herinneringsbrief (“uw schriftelijke reactie”) maken ook niet duidelijk dat gelegenheid tot herstel van verzuimen wordt geboden, en dat de verwijzing naar een brief van 14 mei 2019 daarom betrekking moet hebben op de verzuimbrief. Uit de bestreden uitspraak op verzet blijkt niet dat de Rechtbank heeft onderzocht of het niettemin redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat de herinneringsbrief verwees naar de verzuimbrief , en dat met de herinneringsbrief dus alsnog gelegenheid werd geboden de gronden van het beroep in te dienen. Het hiervoor in 2.1.5 weergegeven oordeel van de Rechtbank berust daarom, gelet op hetgeen hiervoor in 2.2.2 is overwogen, ofwel op een onjuiste rechtsopvatting ofwel op een gebrekkige motivering. De hiervoor in 2.2.1 vermelde klacht slaagt daarom.
2.3
Op grond van hetgeen hiervoor in 2.2.3 is overwogen, kan de uitspraak op het verzet niet in stand blijven. De klachten behoeven voor het overige geen behandeling. Verwijzing moet volgen.
3. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 21/00545 met deze zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Over de kosten van het verzet bij de Rechtbank dient de verwijzingsrechtbank te beslissen.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
- verwijst het geding naar de Rechtbank Den Haag ter verdere behandeling van en beslissing op het verzet met inachtneming van dit arrest,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht van € 134 dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op de helft van € 2.992, derhalve € 1.496, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren E.F. Faase en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2021.
Beroepschrift 09‑02‑2021
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
t.a.v. de Belastingkamer
Postbus 20303
2500 EH 's‑Gravenhage
[…], 9 februari 2021
Kenmerk: […]
Betreft: | Cassatieberoep tegen de uitspraak van het gerechtshof Zeeland — West-Brabant 30 december2020 metals kenmerk BRE 19/2093 t/m 19/2096 en BRE 19/2097 t/m |
van | 19/2099 |
Edelhoogachtbare heer/vrouwe,
Hierbij tekenen wij beroep aan tegen bovengenoemde uitspraak van het gerechtshof Zeeland — West-Brabant.
Naam;: [A], […]
Besluit: Uitspraak 30 december 2020.
Naam: [X], […]
Besluit: Uitspraak 30 december 2020.
Uitgangspunt inzake dit beroep is de behandeling van bovengenoemde dossiers door het gerechtshof te Breda.
Op 14 augustus 2019 heeft het gerechtshof te Breda bovengenoemde dossiers in behandeling genomen, ondanks dat wij op 14 mei 2019 een schrijven van het gerechtshof hebben ontvangen dat de behandeling gelijktijdig met de behandeling van de zaaknummer BRE 19/1412 en BR 19/1413, betreffende aanslagen vennootschapsbelasting zou plaatsvinden. Volgens de uitspraak van 14 augustus hebben wij op 14 mei 2019 en 18 juni 2019 brieven ontvangen voor herstel van de motivering. Deze zijn inderdaad ontvangen, maar wij zijn er van uit gegaan dat wij een motivering moesten geven met betrekking tot ons bezwaar tegen het niet gelijktijdig behandelen van de verschillende dossiers, zoals in de brief van 14 mei 2019 is aangegeven. Vervolgens hebben wij in ons schrijven van 28 augustus 2019 aangegeven dat ik als gevolg van medische klachten (een burn out) een halfjaar uit de roulatie ben geweest en dit de reden van de late reactie was. We hebben ook in dit schrijven een korte motivering gegeven, met daarbij de melding dat na het vaststellen van de behandel datum het complete dossier ter beschikking zou worden gesteld. Er is ook verwarring ontstaan, omdat wij op 14 mei 2019 zowel een brief voor het beroep van de inkomstenbelasting hebben ontvangen als ook een brief waarin vermeld staat dat de behandeling van zowel de inkomstenbelasting, als de vennootschapsbelasting gezamenlijk behandeld zou worden.Tevens hebben wij gevraagd om mondeling gehoord te worden bij de inhoudelijke behandeling, wat ook niet is gedaan door de rechtbank.
Ook hebben wij de rechtbank (zie bijlage) uitstel gegeven en pas recent uitstel gevraagd voor de behandeling op 27 november j.l. , aangezien [A], in verband met de complexiteit van de zaak, zelf bij de mondelinge behandeling aanwezig moest zijn. [A] verblijft op dit moment in Spanje en kan als gevolg van de Covid-19, niet naar Nederland terug keren, (zie bijlage).
[A] heeft diverse telefonische- en mailverkeer met de rechtbank, waaronder met de griffier [D], gehad om aan te tonen dat hij zelf bij de mondelinge behandeling aanwezig zou moeten zijn en met zijn uitdrukkelijke verzoek tot uitstel van de 27e november. Daarnaast heeft [A] aangegeven dat ik niet gemachtigd was om een juridische behandeling te voeren, hierop werd hem telefonisch, door [D], medegedeeld ‘dat het toch verstandig was voor dhr Schalk om bij de zitting te verschijnen’, ook ivm bepalen nieuwe behandeldatum’ De rechtbank had al aangegeven dat de rechtbank hiertoe kon beslissen tijdens de zitting! (zie bijlage)
Betreffende het vonnnis van 30 december hebben wij hierop nog de volgende opmerkingen: Bij de feiten en gronden van het verzet staan helaas grove fouten waardoor wij van mening zijn dat de behandeling niet zorgvuldig is gedaan Bij punt 2.5 staat dat wij een brief hebben verzonden op 27 juni 2020, binnengekomen bij de rechtbank op 28 juni 2020, echter hebben wij deze brieven in 2019 gezonden.
Bij de beoordeling in punt 3.1.1 staat dat de gedaagde het uitstelverzoek niet heeft herhaald, echter, dit was genoegzaam bekend, hier heeft de rechter niet om gevraagd of wij het uitstelverzoek wilde herhalen en, [D] heeft dit ook niet kenbaar gemaakt. Wij wisten ook niet dat dit mogelijk was, want anders hadden wij dit natuurlijk zeer zeker gedaan. Wij hebben hier wel schriftelijk de rechtbank om verzocht!
In punt 3.3, waarin de rechtbank ook weer de periode vanaf mei 2020 tot na mijn vakantie benoemd, ben ik ingegaan op de gronden waarom er geen vervanging gezocht is in de periode van mijn ziekte. Aangezien wij een klein kantoor zijn en ik zelf alle balangrijke zaken in behandeling neem en mijn medewerkers alleen administratie verzorgen, is het zowel financieel als technisch niet mogelijk om voor deze zaak een ander in te schakelen i.v.m. de complexiteit en tijdsduur (ca 19 jaar) van de totale procedure Informix/IBM/Belastingdienst.
Ook wordt in punt 3.5 geschreven dat wij, ondanks mijn ziekte, toch 2 brieven (volgens punt 2.5 27 juni 2020) hebben gezonden. Dit betreft alleen de machtigingen en een melding dat het kantoor in de periode 31 juli t/m 27 augustus 2019 gesloten is, dus geen brieven waarin inhoudelijk ingegaan wordt op de zaak.
Verder stelt de rechter dat de voortgang, en dus snelheid, van het proces belangrijker is dan het zorgvuldig afwikkelen van de procedure, iets wat niet te begrijpen valt en waardoor het recht van belanghebbende , die door de covid-19 niet persoonlijk bij de behandeling aanwezig kon/mocht zijn, geschaad wordt.
Daarnaast zenden wij u (als bijlage) diverse correspondentie waaruit blijkt dat [A] al vanaf het begin doormiddel van foute rapportages, een door hem afgewezen‘schikking’, welke ongevraagd naar ons is toegezonden, een aantal malen geen notulen oa van de belangrijkste vergaderingen zoals van 14 febr 2018 en foute weergaves van hoorzittingen, waarna wij diverse malen de opname op tape hebben gevraagd maar nooit ontvangen, door de Belastingdienst is gepasseerd.
Wij verzoeken u om de uitspraak d.d. 30 december 2020 onjuist te verklaren op grond van een onzorgvuldige procedure en fouten in het vonnis en het vonnis in deze te vernietigen en om het geheel terug te verwijzen, om ons alsnog in de gelegenheid te stellen om het complete dossier met de motivering hiervan aan het gerechtshof te leveren en de inhoudelijke behandeling opnieuw vast te stellen met deze keer wel de mogelijkheid voor [A] en [C] om zelf gehoord te worden, zodat er van een juiste rechtsgang sprake zal zijn.
Aangezien [A] en [C] in Spanje verblijven verzoeken wij u om de correspondentie en de nota voor het griffierecht naar het […] kantoor te zenden, zodat zij kunnen zorgen voor tijdige betaling van de nota en voor eventuele aanvullingen.
Hopende u hiermede voldoende geïnformeerd te hebben, verblijven wij.
Hoogachtend,