Hof Amsterdam, 23-06-2009, nr. 200.029.827/01
ECLI:NL:GHAMS:2009:2762
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
23-06-2009
- Magistraten
Mrs. A. Bockwinkel, R.J.Q. Klomp, C.T. Barbas
- Zaaknummer
200.029.827/01
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHAMS:2009:2762, Uitspraak, Hof Amsterdam, 23‑06‑2009
Uitspraak 23‑06‑2009
Mrs. A. Bockwinkel, R.J.Q. Klomp, C.T. Barbas
Partij(en)
ARREST van 23 juni 2009 in de zaak met zaaknummer 200.029.827/01 van:
[appellante],
wonende [adres],
[postcode] [woonplaats],
APPELLANTE,
advocaat: mr. E.M. Hoorenman te Hoorn.
1. Het geding in hoger beroep
1.1.
Appellante — [appellante] — is bij per fax op 3 april 2009 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van de beslissing van de rechtbank te Alkmaar van 27 maart 2009 met rekestnummer 109319/FT-RK 09.167, waarbij het verzoek van [appellante] tot faillietverklaring op eigen aangifte, is afgewezen.
1.2.
Het hoger beroep is behandeld ter terechtzitting van 2 juni 2009. Bij die behandeling is [appellante] verschenen, bijgestaan door haar advocaat voornoemd.
2. De gronden van de beslissing
2.1.
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het volgende gebleken.
2.2.
[appellante] is een vrouw van 39 jaar oud. Zij heeft een zoon van 13 jaar oud die bij haar woont. [appellante] werkt ongeveer 20 á 25 uur in de week.
Inclusief belastingtoeslagen bedragen haar inkomsten ongeveer € 1.340,- netto per maand. [appellante] heeft last van depressies en had daarnaast een koop-, drugs- en alcoholverslaving. Voor deze problematiek heeft zij begeleiding van Brijder Verslavingszorg. Daarnaast heeft zij hulp bij de opvoeding en verzorging van haar zoon van het Leger des Heils. De goederen van [appellante] staan sinds 23 september 2008 onder civiel bewind bij Vader & Van Dijk Bewindvoering.
Volgens de verklaring ‘eigen aangifte tot faillietverklaring (natuurlijk persoon)’ van 24 maart 2009 heeft [appellante] een totale schuldenlast van € 62.595,73. Hieronder bevindt zich een zogenoemde fraudeschuld aan de gemeente [gemeente] van € 56.794,75.
2.3.
De rechtbank heeft in de beslissing waarvan beroep overwogen dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat er voldoende baten aanwezig zijn of zullen zijn om de kosten van het faillissement te bestrijden, laat staan dat enige uitkering aan schuldeisers valt te verwachten. Haar faillissement dient, aldus de rechtbank, derhalve geen redelijk, door de faillissementswet beschermd, belang, zodat het verzoek tot faillietverklaring van [appellante] wordt afgewezen.
2.4.
[appellante] heeft gemotiveerd gesteld dat de rechtbank een onjuiste maatstaf heeft toegepast bij haar oordeel tot afwijzing van het verzoek van [appellante] tot faillietverklaring op eigen aangifte. Immers gebleken is dat [appellante] in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen. Als de druk op haar minder wordt, is de kans groter dat zij haar leven kan opbouwen en meer kan gaan werken. Uit de opbrengsten daarvan kunnen de faillissementskosten worden voldaan. Ook is het zo dat zij de heer Zijp van Fidus Advies en Bewindvoering te Castricum bereid heeft gevonden om tegen geringe kosten als curator in het faillissement op te treden. De curator kan dan proberen een akkoord te bereiken met de schuldeisers, dan wel trachten omzetting van het faillissement in een schuldsaneringsregeling te bewerkstelligen. Tot nu toe heeft zij, naar eigen zeggen, op de rekening van de civiele bewindvoerder ongeveer € 1.100,- gespaard.
2.5.
Het hof komt tot de volgende beoordeling. Voldoende aannemelijk is geworden dat [appellante] verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen. Art 1 lid 1 Fw. bepaalt — voorzover hier van belang — dat de schuldenaar die in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen op eigen aangifte bij rechterlijk vonnis in staat van faillissement wordt verklaard. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, behoeft — wil een dergelijk verzoek kunnen worden toegewezen — niet aannemelijk te zijn dat er voldoende baten aanwezig zijn of zullen zijn om (tenminste) de kosten van het faillissement te bestrijden (waaronder het salaris van de curator), aangezien de wet een dergelijke eis niet stelt. Evenmin kan gezegd worden dat de gedane aangifte geen redelijk, door de Fw. beschermd belang dient. Nog daargelaten immers dat de wet imperatief voorschrijft dat de schuldenaar van wie aannemelijk is dat deze in de toestand verkeert van te hebben opgehouden te betalen, op eigen aangifte in staat van faillissement verklaard wordt, is het belang bij een dergelijke aangifte ook daarin gelegen dat de te benoemen faillissementscurator niet alleen de stand van de boedel nader onderzoekt, maar ook eventuele mogelijkheden kan bezien om door de gefailleerde (alsnog) een akkoord te doen aanbieden dan wel om het faillissement op de voet van het bepaalde bij artikel 15b Fw. in een schuldsanering te doen omzetten.
2.6.
Het voorgaande brengt mee dat de uitspraak waarvan beroep moet worden vernietigd en dat het oorspronkelijke verzoek alsnog op de hierna te melden wijze dient te worden toegewezen.
3. De beslissing
Het hof:
- —
vernietigt de uitspraak waarvan beroep;
- —
verklaart [appellante] in staat van faillissement;
- —
verwijst de zaak terug naar de rechtbank Alkmaar teneinde met inachtneming van deze beslissing verder te worden afgedaan, de benoeming van een rechter-commissaris en aanstelling van een curator daaronder begrepen.
Dit arrest is gewezen door mrs. A. Bockwinkel, R.J.Q. Klomp en C.T. Barbas en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het hof van 23 juni 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.
Van dit arrest kan gedurende acht dagen na die van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.