Rb. Noord-Nederland, 17-05-2023, nr. C/18/222466/ KG RK 23-141
ECLI:NL:RBNNE:2023:2387
- Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
- Datum
17-05-2023
- Zaaknummer
C/18/222466/ KG RK 23-141
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBNNE:2023:2387, Uitspraak, Rechtbank Noord-Nederland, 17‑05‑2023; (Eerste aanleg - enkelvoudig, Wraking, Op tegenspraak)
Uitspraak 17‑05‑2023
Inhoudsindicatie
Wrakingsverzoek niet ingediend door een partij
Partij(en)
beslissing
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Wrakingskamer
zaaknummer: C/18/222466/ KG RK 23-141
Beslissing van 17 mei 2023
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende op een geheim adres,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. M.R. Gans,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van 25 april 2023 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en
de gronden daarvoor zijn vermeld;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 10 mei 2023.
2. Het wrakingsverzoek
2.1
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer [zaaknummer]
tussen verzoeker en [belanghebbende] .
2.2
Blijkens het proces-verbaal van het mondelinge verzoek is onder meer en samengevat aan het verzoek ten grondslag gelegd dat de rechter en de griffier niet bevoegd zijn indien zij als ambtenaar niet zijn ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Hierbij is aangegeven dat de rechter geen rechter is maar een trustee en de griffier geen griffier is maar een curator. Ook is aangegeven dat rechters over de gehele wereld lid moeten zijn van de British Accredited Register (BAR), welke valt onder de Britse Kroon. Hiermee zijn rechters in dienst van een buitenlandse mogendheid en dus onbevoegd om recht te spreken.
2.3
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.
3. De beoordeling
3.1
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
3.2
Uit artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) volgt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uit artikel 37, eerste lid, van het Rv volgt dat het verzoek wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.
3.3
De wrakingskamer overweegt allereerst dat niet duidelijk is door wie het verzoek tot wraking is ingediend. Hiertoe overweegt de wrakingskamer dat uit het proces-verbaal van de zitting op 25 april 2023 blijkt dat verzoeker zich daar heeft laten begeleiden door een onbekende man. Op de vraag van de rechter hoe deze begeleidende persoon heet en wat zijn hoedanigheid ter zitting is, is door deze begeleidende persoon het antwoord “Ik ben een levend mens” gegeven. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat de begeleidende persoon een partij is bij het bodemgeschil. Nu uit het wrakingsverzoek dan wel het proces-verbaal van de zitting ook niet blijkt dat de begeleidende man de gemachtigde dan wel de vertegenwoordiger van verzoeker is, is het wrakingsverzoek, naar het oordeel van de wrakingskamer, niet ingediend door een partij. Dit is wel een voorschrift, zoals opgenomen in artikel 36 van het Rv, voor het kunnen indienen van een wrakingsverzoek. Daarnaast overweegt de wrakingskamer dat aan het verzoek tot wraking geen feiten of omstandigheden ten grondslag zijn gelegd waaruit vooringenomenheid van de rechter of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kunnen worden afgeleid. Nu aan al deze voorschriften niet is voldaan kan verzoeker niet in het wrakingsverzoek worden ontvangen.
3.4
Voor een behandeling van het verzoek ter zitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.
4. De beslissing
De rechtbank
- -
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking;
- -
bepaalt dat de procedure met nummer [zaaknummer] wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking;
- -
beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan:
- verzoeker;
- de gewraakte rechter; en
- [belanghebbende]
Deze beslissing is gegeven door mr. Th. A. Wiersma, voorzitter, mr. L.T. de Jonge en
mr. L. Mulder, rechters in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.I. Havinga en in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2023.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.