FED 2025/53
Bij de toepasselijkheid van het zozeer-indruistcriterium is het niet van belang of de inspecteur zonder wettelijke belemmering kennis had kunnen nemen van de bewijsmiddelen en is niet vereist dat opzettelijk onrechtmatig is gehandeld bij de bewijsverkrijging.
HR 31-01-2025, ECLI:NL:HR:2025:154, m.nt. mr. E.J.F.C. van Nijnatten
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
31 januari 2025
- Magistraten
Mrs. Van Eijsden, Feteris, Boerlage, Van der Voort Maarschalk, Kuiper
- Zaaknummer
22/04816
- Noot
mr. E.J.F.C. van Nijnatten
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD13577:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:154, Uitspraak, Hoge Raad, 31‑01‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 31‑01‑2025
ECLI:NL:PHR:2023:1076, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 24‑11‑2023
- Wetingang
Essentie
Bij de toepasselijkheid van het zozeer-indruistcriterium is het niet van belang of de inspecteur zonder wettelijke belemmering kennis had kunnen nemen van de bewijsmiddelen en is niet vereist dat opzettelijk onrechtmatig is gehandeld bij de bewijsverkrijging.
Samenvatting
Bij een doorzoeking is een schenkingsakte aangetroffen, waarvan tussen de belanghebbende en de Inspecteur niet in geschil is dat deze strafrechtelijk onrechtmatig is verkregen. De belanghebbende heeft in zijn aangifte geen inkomsten vermeld die verband houden met het bezit van (economisch eigendom van) aandelen in een of meer van de 21 vennootschappen die hij volgens de schenkingsakte van zijn vader geschonken ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.