Einde inhoudsopgave
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/7.3.3
7.3.3 Blijvende onmogelijkheid en verzuim
mr. D. Haas, datum 02-12-2008
- Datum
02-12-2008
- Auteur
mr. D. Haas
- JCDI
JCDI:ADS377499:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Streefkerk 2004, p. 5-6.
Vgl. Parl. Gesch. Inv., p. 1248; en Parl. Gesch. Boek 6, p. 289.
Dit geldt alleen voor de absolute onmogelijkheid. In geval van relatieve onmogelijkheid kan nakoming nog plaatsvinden, maar kan de schuldenaar zich aan nakoming onttrekken door zich te beroepen op de onevenredige nadeligheid daarvan (130%-richtlijn). In geval van relatieve onmogelijkheid kan er derhalve niet op voorhand van worden uitgegaan dat het bieden van een tweede kans zinloos is. Voor de relatieve onmogelijkheid heeft m.i. dan ook te gelden dat de schuldeiser zijn wederpartij in een staat van verzuim moet brengen, tenzij de schuldenaar zich op de relatieve onmogelijkheid heeft beroepen. In dat laatste geval zou verdedigd kunnen worden dat het verzuimvereiste niet van toepassing is. Materieel maakt dit overigens niet veel uit, omdat ook als het verzuimvereiste wel van toepassing zou zijn geweest het verzuim in dit geval van rechtswege zou zijn ingetreden (art. 6:83 onder c).
Parl. Gesch. Boek 6, p. 311.
Parl. Gesch. Boek 6, p. 262. In dezelfde zin Parl. Gesch. Boek 6, p. 301.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 2008 (6-I*), nr. 381 en 382; Brunner & De Jong 2004, nr. 202; De Jong 2006a, nr. 12; De Vries 1997a, p. 75; Stolp 2007, p. 176; en Hijma & Olthof 2008, nr. 384.
Vgl. De Jong 2006a, nr. 10; Wissink (Verbintenissenrecht), art. 6:87, aant. 3; en Olthof 2007, art. 6:87, aant. 2.
Hetzelfde geldt overigens voor overmacht, zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 2008 (6-I*), nr. 373. Vgl. voor het Duitse recht Müko/Ernst 2007, § 275, nr. 134; Fehre 2005, p. 210-211; en Canaris 2001, p. 500.
Vgl. Rabel (1911) 1965, p. 60-61, volgens wie bij onmogelijkheid de morele gehoudenheid (`sollen') blijft bestaan en de schuldenaar alleen ontslagen wordt van de afdwingbare verplichting tot nakoming (`mussen').
Vegter 1991, p. 171 e.v. Zie ook Parl. Gesch. Boek 6, p. 488; en Houwing 1953, p. 573. Anders Tjong Tjin Tai 2004, p. 364.
Vgl. De Vries 1997a, p. 105-106.
In het geval dat een schuldenaar willens en wetens een gebrekkige prestatie levert die schade toebrengt aan het vermogen of de persoon van de schuldenaar (gevolgschade), zou een wilsverklaring van de schuldeiser bij wijze van uitzondering overbodig kunnen zijn, zie Parl. Gesch. Boek 6 p. 258.
De wetgever heeft met de verzuimregeling een instrument gecreëerd aan de hand waarvan het moment kan worden vastgesteld waarop sprake is van een vertraging in de nakoming.1 Uit de Parlementaire Geschiedenis blijkt dat volgens de wetgever het verzuim in de eerste plaats tot doel heeft de sancties op niet (correcte) nakoming te koppelen aan het tijdstip waarop kan worden vastgesteld dat de schuldenaar op de hoogte is, of behoort te zijn, van het feit dat hij achterblijft bij wat de verbintenis vergt.2 In beginsel treedt het verzuim in door het verlopen van een bij ingebrekestelling gestelde termijn. Behalve dat de verzuimregeling de functie heeft het nakomingstijdstip te preciseren, strekt de ingebrekestelling ertoe de schuldenaar een tweede en laatste kans te geven om de verbintenis uit te voeren. Na het verlopen van de termijn hoeft de schuldeiser in beginsel geen medewerking meer te verlenen aan nakomingspogingen van de schuldenaar. Als ratio van de ingebrekestelling kan voorts worden aangemerkt, dat het partijen aanzet tot communicatie over problemen bij de uitvoering van de overeenkomst.
Bij blijvende (absolute) onmogelijkheid is het zinloos de schuldenaar een laatste kans te bieden, omdat hij die kans niet kan benutten.3 Ook overleg tussen partijen over de problemen rond de uitvoering zal geen effect hebben, omdat bij blijvende (absolute) onmogelijkheid die problemen onoplosbaar zijn.
Uit de Parlementaire Geschiedenis blijkt dat blijvende onmogelijkheid niet alleen leidt tot het uitschakelen van het verzuimvereiste, maar ook tot het 'van rechtswege' ontstaan van een recht op vervangende schadevergoeding:4
Ook is de ondergetekende met de Commissie van mening, dat wanneer de schuldeiser een prestatie met een tekortkoming waarvan opheffing onmogelijk is, weigert de gehele prestatie blijvend onmogelijk wordt en dat deze onmogelijkheid aan de schuldenaar kan worden toegerekend, tenzij de oorspronkelijke tekortkoming niet aan hem toegerekend kon worden. De schuldenaar
zal derhalve in beginsel op grond van artikel 1 lid 1 (art. 6:74 lid 1, DB) terzake van de gehele prestatie vervangende schadevergoeding verschuldigd worden, zodat geen omzetting op de voet van artikel 11 (art. 6:87, DB) behoeft plaats te vinden.
Een andere passage uit de Parlementaire Geschiedenis luidt:5
Is de prestatie blijvend onmogelijk, dan zal de schuldenaar zondermeer vervangende schadevergoeding verschuldigd zijn, uiteraard tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend.
Op basis van de Parlementaire Geschiedenis wordt in de literatuur algemeen aangenomen dat blijvende onmogelijkheid de primaire verbintenis van rechtswege doet oplossen in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding, dus zonder dat de schuldeiser hiertoe een wilsrecht uitoefent.6 Dat de schuldeiser zijn wederpartij niet in gebreke hoeft te stellen als nakoming blijvend onmogelijk is, behoeft geen betoog, maar de vraag is wat de rechtvaardiging is voor het van rechtswege ontstaan van een recht op vervangende schadevergoeding. Is de voorstellingswijze dat bij blijvende onmogelijkheid een recht op vervangende schadevergoeding van rechtswege ontstaat om dogmatische redenen noodzakelijk? De enige reden die ik voor deze zienswijze zou kunnen bedenken, is dat het gat dat de blijvende onmogelijkheid slaat — de rechtsvordering tot nakoming gaat teniet7 — moet worden opgevuld, omdat anders geen voor ontbinding vereiste wederkerige overeenkomst resteert. Een verbintenis tot vervangende schadevergoeding die van rechtswege ontstaat, zou dat vacuum opvullen. Van een vacuum is echter geen sprake. Het obligatoire karakter van de overeenkomst wordt door het wegvallen van de primaire verbintenis namelijk niet (volledig) aangetast.8 Blijvende onmogelijkheid leidt slechts tot het verval van de rechtsvordering tot nakoming, maar heeft niet het tenietgaan van de primaire verbintenis ten gevolg.9 Als nakoming blijvend onmogelijk is, resteert een natuurlijke verbintenis. Een schuldenaar die ondanks de relatieve onmogelijkheid toch erin slaagt na te komen, betaalt niet onverschuldigd.10 Het is mijns inziens dan ook een overbodige fictie om bij blijvende volledige onmogelijkheid uit te gaan van omzetting van rechtswege. Bij blijvende onmogelijkheid heeft de schuldeiser de keuze tussen ontbinding en omzetting van de primaire verbintenis in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding. Indien de schuldeiser vervangende schadevergoeding verlangt, dient hij zijn keuze voor omzetting, mogelijk bij dagvaarding,11 uit te oefenen.12 Voor een van rechtswege ontstaand recht op vervangende schadevergoeding dient mijns inziens dan ook geen sprake te zijn.