Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/1.1.1
1.1.1 De grondslag van de beslissing in de zin van artikel 149 Rv
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS361910:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Verder dient het exploot de bewijsmiddelen te vermelden waarover eiser kan beschikken en de getuigen die hij kan doen horen ter staving van de aldus betwiste gronden van de eis.
Ynzonides 2002, (T&C Rv), art. 112, aant. 3.
Over de invulling van de stelplicht als zodanig kan in het licht van HR 23 oktober 1992, NJ 1992, 814 en HR 20 oktober 2000, NJ 2001, 118, alsook in het licht van de (onderbouwing van de) betwisting, nog het nodige gezegd worden. In het kader van dit boek zal ik in eerste aanleg volstaan met hetgeen in de hoofdtekst is weergegeven. Daar waar het (onvoldoende) onderbouwen van stellingen bewijsrechtelijk verdere gevolgen heeft (te denken valt aan het niet tot bewijslevering toelaten) zal ik op de betreffende materie nader ingaan.
Op deze uitzondering op de hoofdregel wordt in de tweede zinsnede van art. 149 lid 1 weer een uitzondering gemaakt, in die zin dat de rechter bevoegd is 'bewijs te verlangen, zo vaak aanvaarding van de stellingen zou leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat'. De bedoeling van deze bevoegdheid is te vermijden dat door een rechterlijk vonnis rechtsgevolgen in het leven worden geroepen in strijd met de wil van de wetgever. Zie hierover uitgebreid (losbl.) Burgerlijke Rechtsvordering bij art. 149 Rv (p. 32-36, suppl. 279, dec. 2001). Vanuit de verwachting dat dit artikel in het verzekeringsrecht geen rol speelt - de wetgever heeft bij het opstellen van bedoelde bepaling vooral gedacht aan familierechtelijke gedingen, gedingen betreffende de persoonlijke staat en scheidingen tussen echtgenoten - zal hier op deze uitzondering niet nader worden ingegaan. Zie voor een helder overzicht over de achtergrond van de uitzondering Veegens-Wiersma 1973, p. 68 e.v. en de conclusie van A-G Franx bij HR 25 september 1987, NJ 1988, 152 over de vrijheid van de rechter om ook wanneer een vordering (tot ontkenning van vaderschap) niet wordt bestreden, bewijs op te dragen.
Zie (losbl.) Burgerlijke Rechtsvordering bij art. 149 (p. 26-30 suppl. 279, dec. 2001) en Vee-gens-Wiersma 1973, p. 35 e.v.
Morée 2002 (T&C Rv), art. 149 Rv, aant. 4. Parl. Gesch. Bewijsrecht p. 85.
Zie Parl. Gesch. Bewijsrecht p. 79 resp. 85.
Zoals hiervoor onder de inleiding reeds aangegeven, vormt het bepaalde in de eerste zin van artikel 149 Rv de aanloop naar de bewijsrechtelijke verhoudingen:
'Tenzij uit de wet anders voortvloeit, mag de rechter slechts die feiten of rechten aan zijn beslissing ten grondslag leggen, die in het geding aan hem ter kennis zijn gekomen of zijn gesteld en die overeenkomstig de voorschriften van deze afdeling zijn komen vast te staan.'
Vanuit de achtergrond dat partijen zelf de omvang van het geschil bepalen en de rechter in beginsel gebonden is aan hetgeen partijen stellen, vormt de stelplicht van partijen de basis van de procedure. Naar het op 1 januari 2002 ingevoerde Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient de eisende partij in de dagvaardingsprocedure op grond van het bepaalde in art. 111 lid 3 (de zgn. substantiëringsplicht) al meteen in het exploot van dagvaarding de door gedaagde tegen de eis aangevoerde verweren en de gronden daarvoor vermelden. In het verlengde hiervan dient eiser op die punten waarop gedaagde de gronden van de eis heeft betwist, aan te geven hoe hij zijn stellingen kan bewijzen.1 Dit wordt ook wel aangeduid als de bewijsaandraag-plicht, waarbij ervan wordt uitgegaan dat het gaat om stellingen waarvan eiser ingevolge art. 150 de bewijslast draagt.2 Voor gedaagde is de bewijs-aandraagplicht gebaseerd op art. 128 lid 5 Rv.3
Als vaststaand moet de rechter - blijkens de tweede zinsnede van genoemd artikel - beschouwen 'die feiten of rechten die door de ene partij zijn gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende zijn betwist.'4 Algemeen aanvaard is de opvatting dat in dat geval sprake is van een processueel feit ('de processuele waarheid'), waardoor bewijs overbodig is.5 Dat geldt ook voor feiten of omstandigheden van algemene bekendheid, alsmede algemene ervaringsregels. In de parlementaire geschiedenis zijn de feiten of omstandigheden van algemene bekendheid omschreven als 'de notoire feiten die ieder normaal ontwikkeld mens kent of uit voor ieder toegankelijke bronnen kan kennen.' Ten aanzien van de algemene ervaringsregels wordt het criterium gehanteerd of het al dan niet gaat om een 'algemeen weten'.6Zowel de feiten of omstandigheden van algemene bekendheid als de algemene ervaringsregels mogen door de rechter aan zijn beslissing ten grondslag worden gelegd, ongeacht of zij zijn gesteld, en zij behoeven, blijkens art. 149 lid 2 Rv, dus ook geen bewijs. De minister merkt daarbij op dat de rechtspraak geneigd is het begrip algemene ervaringsregel en algemeen bekend feit ruim te nemen.7