Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/5.5.0
5.5.0 Introductie
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS455262:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor dezelfde vraag ten aanzien van de artikelen 47, 67 en 81 Gw: Boogaard 2017, p. 320-321.
Zie par. 1.2.
Zie met name par. 10.2.2.2. Wel nam de Tweede Kamer op 6 juni 2017 een wetsvoorstel aan om een algemene bepaling aan de Grondwet toe te voegen (Handelingen II 2016/17, 83, 11). De tekst van die bepaling luidt, na aanvaarding van een amendement van VVD-Kamerlid Koopmans: ‘De Grondwet waarborgt de grondrechten en de democratische rechtsstaat’ (Kamerstukken II 2016/17, 34516, 10; Handelingen II 2016/17, 66, 15, p. 2; Handelingen II 2016/17, 83, 11.). Zie over dit voorstel ook par. 10.13 en par. 11.5.
Warmelink 1993, p. 53; Minderman 2000, p. 82.
Zie hierover uitgebreider: Janse de Jonge 1993, p. 335-455; Warmelink 1993, p. 9-52; Buijs 1883, p. 669-674; Oud 1970, p. 473-478.
Nu is vastgesteld wat in dit proefschrift onder het formele en het materiële budgetrecht wordt verstaan, is het de vraag hoe het budgetrecht precies moet worden geïnterpreteerd.1 Moet dit recht nu formeel of materieel worden uitgelegd?
Voor deze vraag is het in de inleiding aangestipte verschil tussen de wijze waarop in Nederland en in Duitsland naar het leerstuk van soevereiniteit wordt gekeken, van belang.2 Waar het idee van volkssoevereiniteit en het democratiebegrip in Duitsland fundamentele principes zijn met belangrijke staatsrechtelijke consequenties voor de inrichting van het Duitse staatsbestel, spelen dezelfde punten in Nederland geen vergelijkbare rol van betekenis. Anders dan in Duitsland, zoals in hoofdstuk 10 aan de orde komt, bevat de Nederlandse Grondwet dan ook geen algemene bepaling waarin de democratische staatsinrichting of het principe van volkssoevereiniteit is vastgelegd.3 Dat betekent voor de invulling van het budgetrecht dat die interpretatie niet genormeerd wordt door deze notie van soevereiniteit en een bijbehorende democratieopvatting. Voor de invulling van het budgetrecht moet daarom voornamelijk worden aangesloten bij de betekenis van artikel 105 Gw, waarin het budgetrecht is vastgelegd, en bij de algemene uitgangspunten van het parlementaire stelsel.
De tekst van artikel 105 Gw biedt niet direct een antwoord op de vraag of het budgetrecht formeel of materieel moet worden uitgelegd. Die bepaling stelt in het eerste lid immers uitsluitend:
‘De begroting van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt bij de wet vastgesteld.’
Op basis daarvan kan enerzijds betoogd worden dat deze bepaling aansluit bij een formele interpretatie van het budgetrecht, vanwege de nadruk op het bij wet vaststellen van begrotingen. De zeggenschap van het parlement over de besteding van overheidsgelden en de omvang van het budgetrecht zijn daarmee niet uitdrukkelijk in de Grondwet vastgelegd.4 Anderzijds zorgt het vereiste dat begrotingen bij wet worden vastgesteld ervoor dat het parlement moet instemmen met voorgenomen uitgaven. Op die manier is ook een materiële lezing van deze bepaling, gericht op de zeggenschap van het parlement bij de besteding van overheidsgelden, mogelijk. De tekst van de bepaling geeft dus geen eenduidige interpretatie van het budgetrecht.
Daarom wordt hierna ingegaan op de totstandkoming en de ontwikkeling van het budgetrecht.5 Op die manier kan worden vastgesteld hoe het budgetrecht door de grondwetgever bedoeld is, om aan de hand daarvan vast te kunnen stellen of artikel 105 Gw een formele of een materiële norm behelst.