Rb. Rotterdam, 06-12-2017, nr. C/10/491118 / HA ZA 15-1255
ECLI:NL:RBROT:2017:9754
- Instantie
Rechtbank Rotterdam
- Datum
06-12-2017
- Zaaknummer
C/10/491118 / HA ZA 15-1255
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBROT:2017:9754, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 06‑12‑2017; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:RBROT:2016:4006, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 25‑05‑2016; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
- Vindplaatsen
AR 2017/6697
AR 2016/1571
OR-Updates.nl 2016-0180
Uitspraak 06‑12‑2017
Inhoudsindicatie
Na bewijslevering staat vast dat de in 1998 en in 2005 genomen besluiten tot wijziging van de statuten nietig zijn. De statutenwijzigingen zijn daarom niet rechtsgeldig, de notariële akten hoeven daarvoor niet nietig te worden verklaard.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team haven en handel
zaaknummer / rolnummer: C/10/491118 / HA ZA 15-1255
Vonnis in verzet van 6 december 2017
in de zaak van
de stichting
STICHTING GEMEENSCHAP ESSALAM MOSKEE,
gevestigd te Rotterdam,
eiseres,
gedaagde in het verzet,
advocaat mr. J.H. van Deuren te Rotterdam,
tegen
de stichting
STICHTING MOSKEE ESSALAM,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde,
eiseres in het verzet,
advocaat mr. J.C. Debije te Rotterdam.
Partijen zullen hierna SGEM en de Stichting genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 25 mei 2016 en de daarin genoemde processtukken;
- -
de bij B-formulier van 29 augustus 2016 overgelegde notulen van de bestuursvergadering van 18 september 1998 van de Stichting;
- -
het proces-verbaal van getuigenverhoor van 12 september 2016;
- -
het proces-verbaal van getuigenverhoor van 10 januari 2017;
- -
de conclusie na enquête van SGEM, met producties;
- -
de antwoordconclusie na enquête van de Stichting;
- -
de akte uitlating volmacht en procedurele totstandkomingsvoorschriften van SGEM;
- -
de brief van de rechtbank van 20 juli 2017 waarbij het pleidooiverzoek van de Stichting is afgewezen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
2.1.
Bij tussenvonnis van 25 mei 2016 (hierna: het tussenvonnis) heeft de rechtbank SGEM opgedragen te bewijzen dat de besluiten tot statutenwijziging in 1998 en 2005 niet zijn genomen conform de vereisten voor geldigheid als vermeld in artikel 14 (eerste statuten) respectievelijk artikel 15 (tweede statuten). Ter voldoening aan deze opdracht heeft SGEM [getuige 1] (hierna [getuige 1] ), [getuige 2] (hierna: [getuige 2] ) en [getuige 3] (hierna: [getuige 3] ) als getuigen doen horen.
De Stichting heeft afgezien van het doen horen van getuigen aan haar zijde. Zij heeft bij conclusie na enquête onder meer betoogd dat eerst geoordeeld moet worden over de ontvankelijkheid van SGEM alvorens kan worden onderzocht of SGEM geslaagd is aan de aan haar gegeven bewijsopdracht.
ontvankelijkheid van SGEM
2.2.
De Stichting heeft aangevoerd dat in het tussenvonnis geen bindende eindbeslissing is gegeven over de ontvankelijkheid van SGEM. Zij heeft (opnieuw) aangevoerd dat SGEM niet kwalificeert als een stichting als bedoeld in artikel 305a Rv én niet is voldaan aan het vereiste van voorafgaand overleg. In het geval deze bezwaren niet in de weg staan aan de ontvankelijkheid van SGEM, staat daaraan in de visie van de Stichting wel in de weg dat de personen wier belangen SGEM stelt te behartigen geen jegens de Stichting af te dwingen subjectief recht hebben noch betrokken zijn bij enige rechtsverhouding met de Stichting; de moskeegangers zijn buitenstaanders. Daarnaast is SGEM in de visie van de Stichting geen bij de rechtsverhouding onmiddellijk betrokken persoon.
2.3.
De rechtbank ziet in hetgeen door de Stichting naar voren is gebracht over de vraag of 1) SGEM kwalificeert als een stichting als bedoeld in artikel 3:305a lid 1 BW en 2) of SGEM voldoende heeft getracht voorafgaand overleg met de Stichting te voeren, geen aanleiding haar overwegingen ten aanzien van de ontvankelijkheid van SGEM in het tussenvonnis onder 4.10 en 4.12 te herzien.
In het bijzonder wordt overwogen dat een stichting in de zin van artikel 3:305a BW niet alleen vermogensrechtelijke belangen van haar achterban kan behartigen, maar ook ideële belangen, of in de woorden van de Stichting "emotionele belangen" (zie: HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4549). De ideële belangen van de achterban van SGEM zijn verwoord in haar statuten.
2.4.
De rechtbank ziet evenmin aanleiding terug te komen op haar overwegingen in het tussenvonnis onder 4.13 omtrent de vraag of SGEM - kort gezegd - een bij de rechtsverhouding onmiddellijk betrokken persoon is, welke voorwaarde artikel 3:302 BW stelt aan het uitspreken van een verklaring voor recht.
De Stichting heeft daarover nog aangevoerd dat de vraag of iemand voldoende belang heeft bij een beroep op nietigheid van een besluit, los staat van de vraag of degene die dat belang heeft een verklaring voor recht kan vorderen dat een besluit nietig is. Volgens de Stichting heeft iemand die met de gevolgen van een besluit geconfronteerd wordt voldoende belang bij een beroep op nietigheid van een besluit, maar betekent dat niet dat diegene ook een onmiddellijk betrokken persoon in de zin van art. 3:302 BW is.
Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 3:305a BW vloeit voort dat het de bedoeling is geweest dat een belangenorganisatie zou kunnen volstaan met het vorderen van een verklaring voor recht. De minister heeft daarbij als zijn oordeel te kennen gegeven dat uit artikel 3:302 BW niet mag worden afgeleid dat de belangenorganisatie zelf onmiddellijk betrokken zou moeten zijn. Die opvatting is in de verdere parlementaire behandeling van het wetsvoorstel niet tegengesproken (zie: Parket bij de Hoge Raad 9 april 2010 ECLI:NL:PHR:2010:BK4547 alinea 3.22). Daarom staat artikel 3:302 BW niet in de weg aan de ontvankelijkheid van SGEM.
2.5.
De conclusie is derhalve dat SGEM ontvankelijk is in haar vorderingen. Hierna wordt onderzocht of SGEM is geslaagd in de aan haar gegeven bewijsopdracht.
nietige besluiten
2.6.
De in het kader van de bewijsopdracht door [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] als getuige afgelegde verklaringen houden onder meer in dat [getuige 2] ervoor heeft gezorgd dat [getuige 1] en [getuige 3] in 1998 in het handelsregister van de Kamer van Koophandel waren vermeld als lid van het bestuur van de Stichting. [getuige 2] was (vice-)voorzitter, [getuige 1] secretaris en [getuige 3] penningmeester. Volgens [getuige 1] en [getuige 2] heeft [getuige 2] [getuige 1] en [getuige 3] benaderd om bestuurslid te worden. [getuige 3] heeft verklaard dat de gemeenschap - de moskeegangers - hem heeft voorgedragen als bestuurslid.
Over de statutenwijziging van 1998 heeft [getuige 2] verklaard dat de Al Maktoum Foundation investeerde in de nieuw te bouwen moskee, daarover de controle wilde hebben en daarom wilde toetreden tot het bestuur van de Stichting. Hiervoor was een statutenwijziging noodzakelijk. Volgens [getuige 2] was haast geboden omdat de gemeente dreigde de bouwvergunning voor de nieuwe moskee in te trekken. Hij heeft meegedeeld dat hij in 1998 de statutenwijziging heeft doorgevoerd zonder daarover iemand van het bestuur te informeren omdat hij bang was voor vertraging. Er is voorafgaand aan de statutenwijziging geen bestuursvergadering gehouden. De notulen van de bestuursvergadering van 18 september 1998 zijn door de notaris opgesteld en door hem en [getuige 3] ondertekend. [getuige 2] heeft zijn handtekening herkend.
Ook [getuige 3] heeft verklaard dat hij zijn handtekening bij die notulen heeft geplaatst en dat hij dat heeft gedaan toen hij met [getuige 2] mee was gegaan naar iemand die achteraf een notaris bleek te zijn. [getuige 3] heeft daarbij opgemerkt dat hij geen Nederlands kan lezen of schrijven en alleen een klein beetje Nederlands verstaat. Hij wist niet wat er in het door hem ondertekende stuk stond. Dit wordt bevestigd door [getuige 2] , die heeft meegedeeld dat hij [getuige 3] alleen heeft verteld dat er iets moest worden ondertekend maar niet wat dat was.
[getuige 1] en [getuige 3] hebben beiden verklaard dat zij nooit een oproep voor een bestuursvergadering hebben ontvangen en dat zij nooit met het bestuur hebben vergaderd, ook niet in 1998 toen een statutenwijziging aan de orde was. Beiden hebben meegedeeld dat zij niet op de hoogte waren van een (voorgenomen) statutenwijziging. Volgens [getuige 1] namen [getuige 2] en [getuige 3] de bestuursbeslissingen en volgens [getuige 3] besliste [getuige 2] alles.
Over de statutenwijziging van 2005 heeft [getuige 2] verklaard dat de Al Maktoum Foundation aandrong op een nieuwe statutenwijziging en dat hij er op vergelijkbare wijze als in 1998 voor heeft gezorgd dat die wijziging plaatsvond. Er is geen vergadering gehouden op de bouwplaats van de nieuwe moskee en daarvoor zijn geen uitnodigingen verstuurd. Hij heeft meegedeeld dat de door hem ondertekende bij dagvaarding (als productie 7) overgelegde notulen niet juist zijn, waaronder de vermelding dat hij, [persoon] en [getuige 3] bij die - niet gehouden - vergadering op de bouwplaats aanwezig waren.
[getuige 3] heeft bevestigd dat hij in 2005 niet bij een vergadering op de bouwplaats aanwezig is geweest. Hij was niet op de hoogte van een dergelijke vergadering, hij was ernstig ziek in die periode. Hij heeft voorts verklaard dat hij niet op de hoogte was van een voornemen om de statuten te wijzigen.
2.7.
Uit de verklaringen van de getuigen volgt dat het bestuur in 1998 niet schriftelijk in vergadering bijeen is geroepen en dat er geen speciale vergadering is belegd waar alle bestuursleden aanwezig waren om een besluit te nemen over wijziging van de statuten. Uit die verklaringen volgt voorts dat dat in 2005 evenmin is gebeurd.
De Stichting heeft de door de getuigen geschetste gang van zaken niet bestreden en heeft zich niet langer op het standpunt gesteld dat de bestuursvergadering van 5 december 2005 een tweede vergadering betrof als bedoeld in artikel 15 lid 2 van de tweede statuten.
De conclusie is dat SGEM erin is geslaagd te bewijzen dat de besluiten tot statutenwijziging in 1998 en 2005 niet zijn genomen conform alle vereisten als vermeld in artikel 14 (eerste statuten) respectievelijk artikel 15 (tweede statuten).
2.8.
De vervolgens te beantwoorden vraag is of de hiervoor geschetste gang van zaken de geldigheid van de bestuursbesluiten aantast en moet leiden tot nietigheid van die besluiten. Zoals in het tussenvonnis onder 4.15 is overwogen, zijn de besluiten nietig indien geen vergadering is gehouden en de vereiste meerderheid niet is verkregen.
De Stichting heeft daarover betoogd dat uit de afgelegde getuigenverklaringen hooguit kan worden afgeleid dat niet is voldaan aan de procedurele totstandkomingsvoorschriften van artikel 14 (eerste statuten) en artikel 15 (tweede statuten), maar niet dat de besluiten niet voldoen aan het ook in die artikelen vastgelegde geldigheidsvereiste van steun van twee/derde van de bestuursleden. In de visie van de Stichting volgt uit de verklaring van de getuigen [getuige 1] en [getuige 3] - volgens de Stichting inhoudende dat zij alles wat [getuige 2] deed "wel best" vonden - dat zij [getuige 2] feitelijk een volmacht hebben gegeven om bestuursbesluiten te nemen. Daarom zijn de bestuursbesluiten tot wijziging van de statuten in de visie van de Stichting niet nietig, maar zouden deze hooguit vernietigbaar kunnen zijn.
2.9.
Dat [getuige 1] en [getuige 3] een volmacht aan [getuige 2] hebben verleend én dat [getuige 2] deze vervolgens heeft gebruikt om namens hen in hun naam te stemmen over een bestuursbesluit tot wijziging van de statuten, is niet uit de afgelegde getuigenverklaringen af te leiden. [getuige 1] heeft een verklaring afgelegd inhoudende dat [getuige 2] en [getuige 3] namens het bestuur handelden en [getuige 3] heeft verklaard dat [getuige 2] de baas was. Voor zover daaruit al zou zijn op te maken dat zij een volmacht aan [getuige 2] hebben verleend, is uit de verklaring van [getuige 2] niet af te leiden dat hij gebruik heeft gemaakt van die volmachten. [getuige 2] heeft juist verklaard dat hij zijn medebestuurders en de "deelnemers" niet heeft geïnformeerd om niet het risico te lopen dat er mensen tegen zouden zijn. Het handelen van [getuige 2] in flagrante strijd met de statuten kan achteraf niet worden uitgelegd als handelen door [getuige 2] op basis van een impliciet door zijn medebestuurders aan hem verleende (blanco) volmacht. Er is nimmer een volmacht gevraagd of verleend, noch is er door [getuige 2] als gevolmachtigde gehandeld. Het aannemen van een impliciet aan [getuige 2] verleende volmacht zou bovendien in strijd zijn met het wezen van collegiaal bestuur zoals dat ook in de oorspronkelijke statuten van de Stichting is vastgelegd. De statuten hebben juist de strekking de Stichting bescherming te bieden tegen het risico van toekomstig misbruik van feitelijke macht door een of meer op enig moment invloedrijke personen binnen de Stichting.
Het wordt er daarom voor gehouden dat in 1998 geen bestuursbesluit tot wijziging van de statuten is genomen met steun van twee/derde van alle bestuursleden. Dat leidt ertoe dat sprake is van een nietig besluit.
2.10.
Gelet op het oordeel dat het bestuursbesluit tot wijziging van de eerste statuten nietig is, hebben de tweede statuten geen werking gekregen. Bij beantwoording van de vraag of de statutenwijziging van 2005 nietig is, moet daarom uitgegaan worden van de eerste statuten. Dat leidt ertoe dat de bestuursleden die namens de Al Maktoum Foundation in 2005 zitting hadden in het bestuur niet rechtsgeldig benoemd zijn omdat zij niet voldeden aan de voorwaarde dat de bestuursleden woonachtig zijn in één van de in artikel 4 van de eerste statuten genoemde wijken van Rotterdam. Voor het overige bestond het bestuur in 2005 blijkens het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel (productie 3 bij dagvaarding) alleen uit [getuige 2] . Anders dan SGEM heeft aangevoerd blijkt uit dat uittreksel niet dat [getuige 3] (bestuurder van 7 april 1994 tot 13 maart 2000) en [persoon] (bestuurder van 1 mei 1997 tot 13 maart 2000 en van 10 april 2000 tot 4 augustus 2003) op 5 december 2005 deel uitmaakten van het bestuur. Nu het bestuur op grond van artikel 4 van de eerste statuten uit minimaal tien personen diende te bestaan en aan dit vereiste niet is voldaan, is geen rechtsgeldig bestuursbesluit tot wijziging van de statuten genomen.
Daarbij komt nog dat [getuige 2] als getuige over de statutenwijziging in 2005 heeft verklaard dat er geen uitnodiging voor een vergadering is verzonden en dat de notulen waarin is vermeld dat op 5 december 2005 na een tweede oproep een vergadering is gehouden, niet juist zijn omdat in het geheel geen vergadering is gehouden. Het wordt er daarom voor gehouden dat er geen besluitvorming over een statutenwijziging heeft plaatsgehad. Ook om deze reden is het besluit tot wijziging van de statuten nietig.
2.11.
De Stichting heeft aangevoerd dat in het geval de besluiten tot wijziging van de statuten nietig zijn, ook [getuige 2] ten tijde van de statutenwijzigingen geen bestuurder meer van de Stichting was omdat hij ingevolge artikel 4 van de eerste statuten slechts voor een periode van één jaar was benoemd en er geen vergaderingen zijn gehouden waarbij hij is herbenoemd. Als gevolg daarvan zijn in de visie van de Stichting geen bestuursbesluiten genomen die aan de statutenwijzigingen ten grondslag kunnen hebben gelegen zodat een verklaring voor recht dat die bestuursbesluiten nietig zijn niet mogelijk is.
Nu een nietig besluit achteraf bezien in juridische zin nooit heeft bestaan, terwijl dat ook het geval is als het betoog van de Stichting wordt gevolgd, staat de opvatting van de Stichting niet aan toewijsbaarheid van de vordering in de weg. Partijen zijn gebaat bij duidelijkheid omtrent de status van de bestuursbesluiten.
2.12.
De Stichting heeft voorts nog aangevoerd dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat SGEM zich op de nietigheid van de bestuursbesluiten kan beroepen. De besluiten zijn lang geleden genomen en raken het fundament van de Stichting. Sindsdien heeft het vanaf 1998 functionerende bestuur allerlei besluiten genomen die op losse schroeven zouden komen te staan, ook ten aanzien van de nieuwe moskee, aldus de Stichting.
2.13.
Slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan toch werking toekomen aan een nietig besluit, hetgeen in essentie is wat de Stichting voorstaat. De door de Stichting genoemde gevolgen geven daartoe geen aanleiding. Indien het - naar voorstelbaar is - voor de Al Maktoum Foundation belangrijk was om in het bestuur vertegenwoordigd te zijn, had het in de omstandigheden van het geval op de weg van de foundation gelegen zich ervan te vergewissen dat de daarvoor benodigde statutenwijziging op de geëigende wijze plaatsvond. Dat hij dat voor- of achteraf heeft gedaan, heeft de Stichting niet duidelijk gemaakt terwijl dat relatief eenvoudig te realiseren zou zijn geweest. De foundation heeft de procedure tot wijziging echter geheel en al aan [getuige 2] - die niet bij uitstek deskundig moet worden geacht - overgelaten.
Evident is dat door de thans vastgestelde nietigheden een complexe situatie ontstaat. Deze kan echter niet worden "opgelost" door te handelen als ware van nietigheid geen sprake. De oorspronkelijke statuten dien(d)en reële belangen van de Stichting, en van al degenen die vanaf de aanvang bij de Stichting of bij de activiteiten die door de Stichting werden uitgeoefend waren betrokken (en dat mogelijk nog zijn). Die door de statuten beschermde belangen dienen te worden gerespecteerd. Tegelijkertijd heeft ook de foundation te respecteren belangen. Het zou niet onverstandig zijn om te trachten buiten rechte oplossingen te vinden die zoveel mogelijk recht doen aan de te respecteren belangen van alle betrokkenen. De rechtbank heeft eerder in deze procedure aan partijen voorgehouden dat het wellicht een goed idee zou zijn om te trachten door middel van mediation te komen tot breed gedragen oplossingen voor de bestaande problemen. Dat lijkt de rechtbank nog immer een verstandige route. Immers, met dit vonnis zijn de praktische problemen nog allerminst opgelost. Wat daar verder ook van zij, het in deze procedure gedane beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid slaagt niet.
2.14.
Gelet op het voorgaande is de primaire vordering - weergegeven in het tussenvonnis onder 3.1 sub 1 - dat voor recht wordt verklaard dat de bestuursbesluiten tot wijziging van de eerste, respectievelijk de tweede statuten van de Stichting voor zover deze zien op de besluiten tot aanpassing van de statuten, toewijsbaar. Het verstekvonnis zal in zoverre worden bekrachtigd, met dien verstande dat de uitvoerbaarheid bij voorraad slechts betrekking heeft op de veroordelingen en niet op de verklaringen voor recht, zodat de uitvoerbaarverklaring bij voorraad in zoverre alsnog zal worden afgewezen.
2.15.
Het voorgaande leidt ertoe dat de (subsidiaire) vordering tot vernietiging van de bestuursbesluiten geen bespreking behoeft, zodat het verweer van de Stichting dat de bevoegdheid om vernietiging te vorderen op grond van artikel 2:15 lid 5 BW is vervallen evenmin bespreking behoeft.
de notariële akten van 1998 en 2005
2.16.
SGEM heeft voorts gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat de akten van 22 oktober 1998 en 16 december 2005 - waarin de tekst van de tweede en derde statuten zijn opgenomen - nietig zijn, althans dat de rechtbank die akten vernietigt. Meer subsidiair heeft SGEM gevorderd dat de Stichting wordt veroordeeld tot wijziging van de statuten, met dien verstande dat de tekst en inhoud in overeenstemming wordt gebracht met de eerste statuten.
2.17.
Nu de statuten niet rechtsgeldig zijn gewijzigd, hebben de notariële akten met betrekking tot die wijzigingen in zoverre geen betekenis meer. Dat betekent echter niet dat de notariële akten als zodanig nietig of vernietigbaar zijn. Het ligt in de rede dat thans een bestuur zal worden samengesteld in overeenstemming met de tekst van de eerste statuten. Het is vervolgens aan dat bestuur om eventueel noodzakelijke of gewenste besluiten met betrekking tot (aanpassing van) de statuten en de correcte vastlegging daarvan - mede met het oog op de kenbaarheid voor derden - te nemen. De vorderingen van SGEM met betrekking tot de notariële akten zullen derhalve alsnog worden afgewezen.
2.18.
De Stichting zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. Onder handhaving van de proceskostenveroordeling in het verstekvonnis, zal de Stichting tevens worden veroordeeld in de kosten die SGEM heeft gemaakt nadat het verstekvonnis is gewezen. Deze worden begroot op € 1.582,00 (3,5 punten × tarief € 452,00) aan salaris advocaat.
2.19.
Duidelijkheidshalve zullen de te bekrachtigen onderdelen van het verstekvonnis onder de beslissing worden aangehaald.
3. De beslissing
De rechtbank
3.1.
bekrachtigt het door deze rechtbank op 17 juni 2015 onder zaaknummer / rolnummer C10/476076 / HA ZA 15-518 gewezen verstekvonnis voor zover gericht tegen de Stichting, alleen voor wat betreft de navolgende onderdelen en met dien verstande dat de uitvoerbaarheid bij voorraad slechts betrekking heeft op de veroordelingen en niet op de verklaringen voor recht:
"verklaart voor recht dat de navolgende besluiten op grond van artikel 2:14 lid 1 BW nietig zijn:
˗ het bestuursbesluit tot wijziging van de Eerste Statuten van de Stichting, met dien verstande dat nietig is het bestuursbesluit tot aanpassing van de Eerste Statuten in de tekst zoals die luidt in de Tweede Statuten;
˗ het bestuursbesluit tot wijziging van de Tweede Statuten van de Stichting, met dien verstande dat nietig is het bestuursbesluit tot aanpassing van de Tweede Statuten in de tekst zoals die luidt in de Derde Statuten;
[…]
veroordeelt gedaagden sub 1 en 2 [de Stichting] hoofdelijk, des dat de één betalend de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van eiseres [SGEM] vastgesteld op € 709,16 aan verschotten en € 452,00 aan salaris voor advocaat;
veroordeelt gedaagde sub 1 en 2 [de Stichting], eveneens hoofdelijk, tot betaling van € 131,00 aan nakosten verhoogd met € 68,00 aan betekeningskosten in het geval betekening van de executoriale titel plaatsvindt;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad […]"
3.2.
vernietigt het gewezen verstekvonnis voor zover gericht tegen de Stichting voor wat betreft de niet bekrachtigde onderdelen en wijst de betreffende vorderingen alsnog af;
3.3.
veroordeelt de Stichting in de proceskosten die gemaakt zijn nadat het verstekvonnis is gewezen, aan de zijde van SGEM tot op heden begroot op € 1.582,00;
3.4.
veroordeelt de Stichting in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat de Stichting niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;
3.5.
verklaart dit vonnis voor zover het betreft de onder 3.3 en 3.4 gegeven veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 6 december 2017.
[2066/1729]
Uitspraak 25‑05‑2016
Inhoudsindicatie
Een stichting die de belangen van de moskeebezoekers behartigt is van mening dat de statutenwijzigingen van de Stichting Moskee Essalam ongeldig zijn omdat de besluiten in strijd met statutaire bepalingen zijn genomen. Bewijsopdracht.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team haven en handel
zaaknummer / rolnummer: C/10/491118 / HA ZA 15-1255
Vonnis in verzet van 25 mei 2016
in de zaak van
de stichting
STICHTING GEMEENSCHAP ESSALAM MOSKEE,
gevestigd te Rotterdam,
eiseres,
gedaagde in het verzet,
advocaat mr. J.H. van Deuren te Rotterdam,
tegen
de stichting
STICHTING MOSKEE ESSALAM,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde,
eiseres in het verzet,
advocaat mr. J.C. Debije te Rotterdam.
Partijen zullen hierna SGEM en de Stichting genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het door deze rechtbank op 17 juni 2015 tussen SGEM als eiseres en [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) en de Stichting als gedaagden bij verstek gewezen vonnis onder zaaknummer / rolnummer C/10/476076 / HA ZA 15-518
- -
de verzetdagvaarding (aan te merken als de conclusie van antwoord), met producties;
- -
de akte houdende overlegging nadere producties van SGEM;
- -
het proces-verbaal van de zitting van 4 april 2016, met daaraan gehecht schriftelijke reacties van de Stichting en SGEM, beide van 26 april 2016.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast:
2.2.
SGEM is op 24 oktober 2006 opgericht en heeft blijkens haar statuten onder meer tot doel: het behartigen van belangen van bezoekers van de Essalam Moskee te Rotterdam. In het handelsregister van de Kamer van Koophandel is vermeld dat [bestuurder 1] , [bestuurder 2] en [bestuurder 3] haar bestuurders zijn.
2.3.
De Stichting is op 24 april 1987 opgericht en heeft blijkens haar oorspronkelijke statuten (hierna: de eerste statuten) onder meer tot doel: behartiging van de geestelijke belangen van diegenen van Marokkaanse oorsprong die in Nederland verblijven, in het bijzonder in (delen van) Rotterdam-Zuid, speciaal door het bieden van mogelijkheden ten behoeve van het houden van godsdienstoefeningen en het (doen) geven van godsdienstig onderwijs en onderricht, alles binnen de leer van de Islam. In het handelsregister van de Kamer van Koophandel is vermeld dat [persoon 1] (in elk geval tot 11 mei 2015), [bestuurder 4] , [bestuurder 5] , [bestuurder 6] en [bestuurder 7] (hierna: [bestuurder 7] ) haar bestuurders zijn. Drie van hen zijn aangesteld namens de Al Maktoum Foundation, een rechtspersoon naar het recht van het Emiraat Dubai.
2.4.
De eerste statuten van de Stichting houden onder meer in:
"BESTUUR
Artikel 4
- 1.
Het bestuur is belast met het besturen van de stichting.
- 2.
Het bestuur der stichting bestaat uit een door dat bestuur zelf te bepalen aantal van tien personen of vijftien personen.
- 3.
De leden van het bestuur der stichting worden door het bestuur der stichting krachtens een door haar met gewone meerderheid van stemmen genomen besluit benoemd, en wel:
drie bestuursleden - waarvan twee in de functie van penningmeester der stichting en één in de functie van vice-penningmeester der stichting op bindende voordracht, opgesteld door de vergadering van deelnemers der stichting als bedoeld in artikel 9 der statuten, en op welke voordracht ten aanzien van elke vacature de namen van tenminste twee kandidaten zijn geplaatst; en de overige bestuursleden door het bestuur der stichting zonder gebondenheid aan enige voordracht vrij te benoemen.
Bij de voorzieningen in bestuursvacatures draagt het bestuur der stichting er zorg voor dat het bestuur der stichting als volgt zal zijn samengesteld:
- twee bestuursleden der stichting dienen woonachtig te zijn in de wijk Rotterdam-Charlois;
- twee bestuursleden der stichting dienen woonachtig te zijn in de wijk Rotterdam-Bloemhof;
- twee bestuursleden der stichting dienen woonachtig te zijn in de wijk Rotterdam-Afrikaanderbuurt;
- twee bestuursleden der stichting dienen woonachtig te zijn in de wijk Rotterdam-Hillesluis;
- twee bestuursleden der stichting dienen woonachtig te zijn in de wijk Rotterdam Feijenoord.
Ingeval het totaal aantal bestuursleden der stichting op vijftien is vastgesteld, zullen telkens drie bestuursleden der stichting woonachtig dienen te zijn in elk der voormelde wijken.
[…]
DEELNEMERS
Artikel 9
Deelnemer der stichting zijn zij, aan wie het werk der stichting rechtstreeks ten goede komt en die tevens - na aanmelding als zodanig bij het bestuur der stichting - door het bestuur der stichting slechts worden toegelaten, degene, die woonachtig is in de wijk Rotterdam-Charlois dan wel in de wijk Rotterdam-Bloemhof, dan wel in de wijk Rotterdam-Afrikaanderbuurt dan wel in de wijk Rotterdam-Hillesluis dan wel in de wijk Rotterdam-Feijenoord.
[…]
STATUTENWIJZIGING
Artikel 14
- 1.
Een besluit tot wijziging of aanvulling van de statuten van de stichting of tot ontbinding van de stichting kan slechts worden genomen in een speciaal daartoe belegde en schriftelijk bijeengeroepen vergadering van het bestuur, waarin alle bestuursleden aanwezig zijn, met een meerderheid van tenminste twee/derden der stemmen.
- 2.
Indien geen besluit kan worden genomen, omdat niet alle bestuursleden aanwezig zijn, dan wordt binnen dertig dagen, doch niet eerder dan veertien dagen, na de dag der eerste vergadering een nieuwe vergadering van het bestuur gehouden, waarin tot de in lid 1 bedoelde wijziging of aanvulling van de statuten der stichting of ter ontbinding van de stichting kan worden besloten met een meerderheid van twee/derden der stemmen, ongeacht het ter vergadering aanwezige aantal bestuursleden.
- 3.
Wijzigingen of aanvullingen in de statuten der stichting zullen eerst van kracht zijn, nadat zij in een notariële akte zijn opgenomen."
2.5.
Bij notariële akte van 22 oktober 1998 is een wijziging van de statuten van de Stichting vastgelegd (hierna: de tweede statuten). In de akte is onder meer vermeld dat [persoon 1] en [bestuurder 8] - toen één van de bestuurders - voor de notaris zijn verschenen en handelden ter uitvoering van een op 18 september 1998 in vergadering genomen besluit van het bestuur van de Stichting en dat de comparanten zijn gemachtigd de statuten te wijzigen. In de akte is verder onder meer het volgende opgenomen:
"STATUTENWIJZIGING; FUSIE; SPLITSING; ONTBINDING
Artikel 15
- 1.
Elk besluit tot wijzing (aanvulling daaronder mede begrepen) van de statuten, tot het aangaan van een fusie en tot het aangaan van een splitsing, beide zoals bedoeld in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, waarbij de stichting betrokken is en tot ontbinding van de stichting kan slechts worden genomen in een vergadering die voor dat doel speciaal - schriftelijk - wordt bijeen geroepen en waarin alle bestuurders aanwezig zijn, en uitsluitend met een meerderheid van ten minste twee/derden van de uitgebrachte stemmen.
- 2.
Als in een hier bedoelde vergadering niet alle bestuurders aanwezig zijn, wordt tussen de veertiende en de een en dertigste dag daarna opnieuw een vergadering gehouden. Daarin kan ongeacht het aantal aanwezige bestuurders over het desbetreffende voorstel worden besloten, echter niet anders dan met een meerderheid van ten minste twee/derden van de uitgebrachte stemmen.
- 3.
Geen wijziging van de statuten is van kracht dan nadat deze is opgenomen in een notariële akte. Tot ondertekening van die akte is iedere bestuurder afzonderlijk en zelfstandig bevoegd.
[…]
RAAD
Artikel 16.
1. Het bestuur is bevoegd om een Raad in het leven te roepen ten einde het bestuur van advies te dienen bij de uitoefening van zijn bestuurstaak en/of het bestuur op andere wijze bij de uitoefening van zijn bestuurstaak terzijde te staan. […]
- BESLUITVORMING
- Van het voormelde besluit van het bestuur van de stichting blijkt uit de notulen van het in de betrokken vergadering verhandelde;
- exemplaar daarvan wordt aan het origineel van deze akte (minuut-akte) vastgehecht."
2.6.
Bij notariële akte van 16 december 2005 is opnieuw een wijziging van de statuten van de Stichting vastgelegd (hierna: de derde statuten). In de akte is onder meer vermeld dat [persoon 1] voor de notaris is verschenen en handelde als vicevoorzitter van de Stichting ter uitvoering van een op 5 december 2005 genomen besluit van het bestuur, waartoe hij volgens het bepaalde in de statuten alleen/zelfstandig bevoegd was. Aan het slot van de akte is een aan de tweede statuten vrijwel gelijkluidende bepaling over de besluitvorming opgenomen (hiervoor weergegeven onder 2.5).
2.7.
De Stichting is eigenaar van het aan het [adres moskeegebouw] gelegen moskeegebouw. Het moskeegebouw is gebouwd door en voor rekening van de Al Maktoum Foundation en deze foundation financiert sinds de ingebruikname in 2010 de exploitatie, waarvoor zij personeel heeft aangesteld. Voor 2010 werden de gebedsdiensten gehouden in een gebouw aan de [adres] . Het betreffende moskeegebouw is mede op aandringen van de gemeente Rotterdam vervangen door de huidige Essalam Moskee.
3. Het geschil
3.1.
SGEM heeft in de verstekprocedure jegens de Stichting gevorderd dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
1.
primair
verklaart voor recht dat de navolgende besluiten op grond van artikel 2:14 lid 1 BW nietig zijn:
- A.
het bestuursbesluit tot wijziging van de eerste statuten van de Stichting, met dien verstande dat nietig is het bestuursbesluit tot aanpassing van de eerste statuten in de tekst zoals die luidt in de tweede statuten;
- B.
het bestuursbesluit tot wijziging van de tweede statuten van de Stichting, met dien verstande dat nietig is het bestuursbesluit tot aanpassing van de tweede statuten in de tekst zoals die luidt in de derde statuten;
subsidiair
voornoemde besluiten vernietigt op grond van artikel 2:15 lid 1 sub a BW;
2.
primair
verklaart voor recht dat de akte van statutenwijzigingen d.d. 22 oktober 1998 en die van 16 december 2005 nietig zijn;
subsidiair
voornoemde akten van statutenwijzigingen te vernietigen;
meer subsidiair
de Stichting veroordeelt de statuten van de Stichting binnen 21 dagen nadat vonnis is gewezen en op haar eigen kosten via een notaris te (laten) wijzigen, met dien verstande dat de tekst en inhoud van de meest recente statuten van de Stichting gelijkluidend dienen te zijn aan de tekst en inhoud van de eerste statuten,
op straffe van het verbeuren van een dwangsom van € 500,00 aan SGEM voor iedere dag of ieder dagdeel dat de Stichting geen gevolg geeft aan deze veroordeling, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;
en steeds
( [persoon 1] en) de Stichting hoofdelijk veroordeelt in de kosten van het geding, met inbegrip van de nakosten.
3.2.
Bij het verstekvonnis zijn de primaire vorderingen van SGEM integraal toegewezen en is de Stichting - en [persoon 1] - hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van SGEM tot de dag van de uitspraak begroot op in totaal € 1161,16, alsmede in de nakosten.
3.3.
De Stichting vordert in het verzet dat het verstekvonnis wordt vernietigd en dat SGEM alsnog niet ontvankelijk in haar vorderingen wordt verklaard, althans de vorderingen van SGEM alsnog worden afgewezen, met - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van SGEM in de kosten van het geding.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
4.1.
SGEM verlangt dat voor recht wordt verklaard dat de bestuursbesluiten tot wijziging van de statuten nietig zijn, althans vernietigd worden omdat deze niet rechtsgeldig zijn genomen. De eerste statuten hebben daarom volgens SGEM hun werking behouden en het bestuur dient derhalve te zijn samengesteld als in artikel 4 van de eerste statuten is bepaald. De Stichting meent daarentegen dat de statuten steeds correct zijn gewijzigd zodat de derde statuten werking hebben en de eis dat bestuursleden woonachtig zijn in delen van Rotterdam is vervallen. Voordat de rechtbank toekomt aan een onderzoek hiernaar, zullen eerst een aantal voorvragen worden besproken.
tijdigheid van het verzet
4.2.
SGEM heeft zich op het standpunt gesteld dat de Stichting niet tijdig verzet heeft ingesteld. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het verstekvonnis op 24 juni 2015 aan [persoon 1] , de toenmalige bestuursvoorzitter, is betekend en dat [persoon 1] op of omstreeks 26 juni 2015 het verstekvonnis ter inzage heeft gegeven aan [bestuurder 7] , de secretaris van de Stichting. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft SGEM het exploot van betekening van het vonnis, alsmede een schriftelijke verklaring van [bestuurder 7] overgelegd.
4.3.
De Stichting heeft bestreden dat zij te laat verzet heeft ingesteld en heeft daarbij het volgende betoogd. Het vonnis is niet aan de Stichting betekend. Het is aan [persoon 1] betekend, doch alleen aan hem in persoon. [persoon 1] was op dat moment geen bestuurder meer van de Stichting omdat hij in mei 2015 is ontslagen. Hij was op dat moment echter nog niet uitgeschreven uit het handelsregister van Kamer van Koophandel omdat er een procedure liep met betrekking tot die inschrijving, hetgeen aan SGEM bekend was. De betekening van het vonnis aan [persoon 1] is een opzetje als onderdeel van de poging van SGEM om invloed en macht te verkrijgen binnen de Essalam Moskee. Onderdeel van dat opzetje is ook dat de inleidende dagvaarding alleen als [persoon 1] is betekend, die de Stichting hier niet van op de hoogte heeft gesteld en die er ook niet voor heeft gezorgd dat de Stichting in rechte is verschenen, waardoor de Stichting niet op de hoogte was van de procedure en geen verweer heeft kunnen voeren.
De Stichting is eerst op 28 oktober 2015 op de hoogte geraakt van het vonnis, terwijl de verzetdagvaarding op 17 november 2015 (en dus tijdig) is uitgebracht.
4.4.
Op grond van artikel 143 lid 2 Rv moet verzet worden gedaan binnen vier weken na - onder meer - betekening van het vonnis aan de veroordeelde in persoon of na het plegen door de veroordeelde van enige daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis aan hem bekend is. Betekening in persoon betekent in het geval van een rechtspersoon betekening aan een bestuurder (artikel 50 Rv).
4.5.
Wat de betekening in persoon betreft wordt het volgende overwogen. Niet is betwist dat het bestuur van de Stichting in mei 2015 heeft besloten tot ontslag van [persoon 1] . SGEM, althans één van de personen die in SGEM verenigd zijn, heeft kennelijk - in het kader van de procedure die is gevoerd in verband met de uitschrijving van [persoon 1] uit het handelsregister - gesteld dat voor het ontslag volgens artikel 16 van de tweede statuten toestemming moest worden gegeven door de Raad, maar niet in geschil is dat die Raad nooit is ingesteld. Onbetwist is voorts dat door voornoemd argument over de Raad de procedure in verband met de uitschrijving is gerekt, maar dat [persoon 1] uiteindelijk met terugwerkende kracht als bestuurder is uitgeschreven. In rechte moet derhalve worden aangenomen dat in mei 2015 sprake was van een rechtsgeldig besluit tot ontslag van [persoon 1] , zodat [persoon 1] vanaf mei 2015 geen bestuurder meer was van de Stichting. Ook als wordt aangenomen dat het vonnis aan [persoon 1] als bestuurder van de Stichting is betekend, is deze betekening niet rechtsgeldig.
SGEM heeft een beroep gedaan op de bescherming van artikel 25 van de Handelsregisterwet. Dit beroep faalt. Onbetwist is dat SGEM in mei 2015 op de hoogte was van het bestuursbesluit van de Stichting tot ontslag van [persoon 1] . Er is derhalve geen sprake van onkundigheid van SGEM met het in te schrijven feit. Daaraan doet niet af de stelling van SGEM dat de Raad zich nog over het besluit moest uitlaten. In deze procedure staat immers vast dat die Raad nooit is ingesteld, hetgeen bij SGEM bekend mag worden verondersteld.
Afgezien daarvan is, zoals hierna aan de orde zal komen, de vordering van SGEM tot het - kort gezegd - buiten werking stellen van bestuursbesluiten van de Stichting voor een belangrijk deel gebaseerd op een verklaring van [persoon 1] . Als SGEM in een dergelijk geval, wetende dat er - minst genomen - een ontslagprocedure ten aanzien van [persoon 1] loopt en ook wetende dat het door haar in de inleidende dagvaarding ingenomen standpunt niet (noodzakelijkerwijs) overeenkomt met het standpunt van de Stichting, er toch voor kiest de dagvaarding aan [persoon 1] te betekenen, komt haar geen beroep toe op de bescherming die artikel 25 van de Handelsregisterwet biedt aan degene die onkundig is van een in te schrijven feit (namelijk het ontslag van [persoon 1] ). Zij kan zich er in dat verband niet achter verschuilen dat de deurwaarder het vonnis heeft betekend op grond van informatie uit het handelsregister. Onder de hiervoor genoemde omstandigheden had SGEM er zorg voor moeten dragen dat de deurwaarder op de hoogte werd gesteld van (de perikelen rond) het ontslag van [persoon 1] , zodat de deurwaarder het vonnis aan één van de andere (als zodanig ingeschreven) bestuurders van de Stichting had kunnen betekenen.
4.6.
Wat de daad van bekendheid betreft heeft SGEM heeft aangevoerd dat de Stichting bekend was met het verstekvonnis omdat [persoon 1] dit op 26 juni 2015 aan [bestuurder 7] ter inzage heeft gegeven en er met hem en anderen die de Stichting vertegenwoordigden over heeft gesproken. Dit is echter niet te beschouwen als een daad van bekendheid; hieruit volgt niet dat de Stichting een handeling heeft verricht waaruit ondubbelzinnig is op te maken dat zij toen reeds over voldoende gegevens met betrekking tot (de inhoud van) haar veroordeling beschikte. Daarbij komt nog dat de Stichting ter comparitie onbetwist heeft meegedeeld dat [bestuurder 7] sinds februari 2015 niet meer actief was vanwege ziekte en onenigheid. Dat [bestuurder 7] niet meer actief was vindt bevestiging in het kort gedingvonnis van 3 juni 2015 - dat door de Stichting is overgelegd - waarin onder 2.7 is vermeld dat hij op 6 mei 2015 is uitgeschreven als bestuurder van de Stichting.
4.7.
Gelet op al het voorgaande moet er in rechte van worden uitgegaan dat het vonnis eerst op 28 oktober 2015 bij de Stichting bekend is geworden, zodat de Stichting tijdig verzet heeft gedaan.
ontvankelijkheid van SGEM
4.8.
De Stichting heeft vervolgens aangevoerd dat SGEM niet ontvankelijk in haar vorderingen moet worden verklaard. Zij heeft hiertoe een aantal omstandigheden aangevoerd.
4.9.
In de eerste plaats betoogt de Stichting dat SGEM niet kwalificeert als een stichting als bedoeld in artikel 3:305a lid 1 BW omdat zij niet daadwerkelijk de in de statuten genoemde gelijksoortige belangen van anderen behartigt.
4.10.
In de statuten van SGEM is vermeld dat zij de belangen van bezoekers van de Essalam Moskee behartigt. SGEM stelt dat zij in dit kader diverse activiteiten ontplooit. Door de Stichting wordt dat evenwel betwist; zij stelt dat weliswaar binnen de moskee een aantal personen actief is en dat deze personen thans verenigd lijken te zijn in SGEM, maar dat dat niet meebrengt dat SGEM de belangen van de moskeebezoekers daadwerkelijk behartigt.
Vast staat dat SGEM, althans personen die zijn verenigd in SGEM, in ieder geval op 23 februari 2015 een brief aan de Stichting heeft geschreven, waarvan een exemplaar naar het privéadres van [persoon 1] is verzonden en een exemplaar is gericht aan het adres van de Essalam Moskee. Voorts is SGEM de procedure gestart die is uitgemond in het verstekvonnis. Daarmee staat vast dat SGEM activiteiten heeft verricht ter behartiging van de belangen van de bezoekers van de Essalam Moskee.
4.11.
De Stichting heeft voorts betoogd dat SGEM geen voorafgaand overleg met de Stichting heeft gevoerd zodat zij op grond van het bepaalde in artikel 3:305a lid 2 BW niet ontvankelijk moet worden verklaard.
4.12.
Waar het in het kader van artikel 3:305a lid 2 BW om gaat is of SGEM in de gegeven omstandigheden voldoende heeft getracht het gevorderde door overleg te bereiken. Vast staat dat SGEM geen daadwerkelijk overleg met de Stichting heeft gevoerd. Er is volstaan met de verzending van de brief van 23 februari 2015. Deze brief is gelet op haar inhoud bezwaarlijk als een vorm van overleg aan te merken. Aangenomen moet echter worden dat het daadwerkelijk voeren van overleg zinloos geweest zou zijn. Daarbij wordt in aanmerking genomen hetgeen ter zitting namens SGEM door [persoon 2] naar voren is gebracht. Hij heeft verklaard dat de statutenwijziging en de samenstelling van het bestuur al diverse keren door moskeebezoekers aan de orde is gesteld, dat daarover brieven en e-mails zijn verstuurd naar het bestuur van de Stichting, ook naar de bestuurders die zijn aangesteld namens de Al Maktoum Foundation, maar dat er nooit uitleg is verschaft en dat overleg van de Stichting met SGEM, althans met één van de personen die zijn verenigd in SGEM , altijd is geblokkeerd. Onder die omstandigheden kon worden volstaan met de uiteenzetting van het standpunt van SGEM in de brief van 23 februari 2015. De brief is aangetekend verzonden naar [persoon 1] die op dat moment de bestuurder was van de Stichting, zodat in rechte moet worden aangenomen dat die brief de Stichting heeft bereikt.
4.13.
De Stichting heeft in dit kader voorts aangevoerd dat een verklaring voor recht dat een besluit nietig is op grond van artikel 3:302 BW alleen uitgesproken kan worden op vordering van een bij die rechtsverhouding onmiddellijk betrokken persoon. Daarbij ziet zij er echter aan voorbij dat de nietigheid van een besluit van een rechtspersoon kan worden ingeroepen door een ieder die daarbij voldoende belang heeft. Waar het om gaat is of (onder meer) tussen SGEM en de Stichting rechtens geldt dat de statuten tot twee keer toe zijn gewijzigd, of dat, vanwege de nietigheid van de besluiten tot wijziging van de statuten, uitgegaan moet worden van de eerste statuten. Die vraag is van belang voor SGEM. SGEM komt immers op voor de belangen van de bezoekers van de Essalam Moskee, welke bezoekers voornamelijk van Rotterdams-Marokkaanse oorsprong zijn. Zoals ter zitting is meegedeeld, is een deel van deze bezoekers van mening dat de zeggenschap over de gang van zaken in de Essalam Moskee is "gekaapt" door de Al Maktoum Foundation, die niet van Marokkaanse origine is en waarvan de vertegenwoordigers niet woonachtig zijn in Rotterdam-Zuid. Deze bezoekers wensen een terugkeer naar de - door de eerste statuten gewaarborgde - situatie dat de Stichting een Rotterdams-Marokkaans karakter heeft. Zij hebben daarom voldoende belang bij de ingestelde vordering.
Op het voorgaande stuit (ten slotte) ook het door de Stichting gestelde over het ontbreken van een belang in de zin van artikel 3:303 BW af.
nietige besluiten
4.14.
SGEM heeft aan haar primaire vordering om voor recht te verklaren dat de bestuursbesluiten tot wijziging van de eerste en tweede statuten nietig zijn, ten grondslag gelegd (samengevat) dat aan de statutenwijzigingen in 1998 en 2005 geen vergaderingen zijn voorafgegaan en dat de andere bestuursleden niet eens zijn geraadpleegd. Daardoor is in de visie van SGEM in strijd gehandeld met artikel 14 van de eerste statuten en/of met artikel 15 van de tweede statuten. SGEM heeft in dit kader een verklaring overgelegd d.d. 1 januari 2015, ondertekend door [persoon 1] , waarin staat:
"Hierbij verklaar ik [persoon 1] [geboorte datum] te Tazourakht Marokko de statuten wijziging van de Essalam Moskee in Rotterdam van 1998 en 2005 geheel in mijn eentje heb gedaan, hierbij zijn geen vergaderingen gehouden en de andere bestuursleden zijn hier in niet geraadpleegd.
Ik heb in mijn eentje de notulen opgesteld van de vergadering ik ging er van uit dat dit de juiste manier was."
4.15.
In artikel 14 lid 1 van de eerste statuten - en artikel 15 lid 1 van de tweede statuten - is bepaald dat een besluit tot statutenwijziging slechts kan worden genomen met een versterkte meerderheid in een speciaal daartoe belegde, schriftelijk bijeengeroepen vergadering van het bestuur waarin alle bestuursleden aanwezig zijn. Voorts is in lid 2 bepaald dat als geen besluit kan worden genomen omdat niet alle bestuursleden aanwezig zijn, een nieuwe vergadering wordt gehouden, waarin tot de statutenwijziging kan worden besloten met een versterkte meerderheid doch ongeacht het aantal ter vergadering aanwezige bestuursleden. Dit betreft een vereiste voor de geldigheid van een besluit. In het geval het door SGEM gestelde juist is, te weten dat geen vergadering is gehouden en de vereiste meerderheid niet is verkregen, is op grond van artikel 2:14 lid 1 BW sprake van een nietig besluit.
4.16.
De Stichting heeft de juistheid van de verklaring van [persoon 1] betwist. Zij heeft voorts aangevoerd dat ervan uitgegaan moet worden dat de betreffende bestuursbesluiten zijn genomen, nu deze besluiten beide keren zijn gehecht aan de minuutaktes van de statutenwijzigingen. Volgens de Stichting is sprake van dwingend bewijs.
Op grond van artikel 157 lid 1 Rv leveren authentieke akten slechts dwingend bewijs op van hetgeen de notaris binnen de kring van zijn bevoegdheid omtrent zijn waarnemingen en verrichtingen heeft verklaard. Daartoe behoort niet dat de notaris de juistheid van de notulen onderzoekt. Dit leidt ertoe dat op dit punt aan de notariële aktes geen dwingende bewijskracht toekomt.
4.17.
Het bewijs van de stelling van SGEM is niet reeds geleverd met de schriftelijke verklaring van [persoon 1] . Daarvoor is alleen al van belang dat [persoon 1] tegenover de notaris destijds kennelijk anders heeft verklaard dan is weergegeven in zijn later afgelegde schriftelijke verklaring. Voorts is - naar de Stichting heeft opgemerkt - in de akte waarin de tweede statuten zijn neergelegd vermeld dat [persoon 1] samen met [bestuurder 8] voor de notaris is verschenen. Dat laat zich niet zonder meer rijmen met de verklaring van [persoon 1] dat hij in zijn eentje heeft gehandeld.
De Stichting heeft voorts aangevoerd dat in de van de bestuursvergadering van 5 december 2005 opgemaakte notulen staat dat [persoon 1] , [bestuurder 7] ( [bestuurder 7] ?, rb) en [bestuurder 3] ( [bestuurder 3] ?, rb) aanwezig waren. De advocaat van de Stichting heeft ter zitting meegedeeld dat de vergadering op zijn initiatief is gehouden in de bouwkeet bij het in aanbouw zijnde moskeegebouw. Het betrof een tweede vergadering in de zin van artikel 15 lid 2 van de tweede statuten. Deze lezing laat zich moeilijk verenigen met de door [persoon 1] afgelegde verklaring.
4.18.
De rechtbank zal SGEM - conform de hoofdregel van artikel 150 Rv - opdragen bewijs te leveren van haar stelling dat de besluiten tot statutenwijziging in 1998 en 2005 niet zijn genomen conform de vereisten voor geldigheid als vermeld in artikel 14 (eerste statuten) respectievelijk artikel 15 (tweede statuten).
4.19.
Het besluit uit 2005 is overgelegd als processtuk. Dat van 1998 niet; beide partijen hebben verklaard dat zij dit stuk niet in hun bezit hebben. Ter comparitie hebben beide partijen verklaard dat zij dit besluit hebben opgevraagd bij de notaris maar dat hij dit stuk niet heeft verstrekt. De rechtbank geeft partijen in overweging de notaris gezamenlijk te verzoeken een afschrift van het besluit te verstrekken, zodat dat voorafgaand aan de eventuele getuigenverhoren in het geding gebracht kan worden.
4.20.
De datum of data en tijdstippen voor eventuele getuigenverhoren aan de zijde van SGEM (in enquête) en aan de zijde van de Stichting (in contra-enquête) zullen na het wijzen van dit vonnis aan de hand van door partijen op te geven verhinderdata worden bepaald. Daarbij zal zowel een datum of data voor de enquête worden gepland als een datum of data worden gereserveerd voor de contra-enquête. Dit laat onverlet het recht van de Stichting om zich na de enquête nader te beraden over de contra-enquête. Omdat de rechter die dit vonnis wijst ten tijde van de getuigenverhoren niet langer werkzaam zal zijn bij deze rechtbank, zullen de verhoren worden gehouden voor een nader te noemen rechter.
4.21.
In afwachting van de opgedragen bewijslevering wordt iedere verdere beslissing aangehouden. Dit betreft ook de beslissing op het subsidiaire betoog van SGEM dat sprake is van vernietigbare besluiten ex artikel 2:15 BW en de in dat kader door de Stichting gevoerde verweren.
5. De beslissing
De rechtbank
5.1.
draagt SGEM op te bewijzen dat de besluiten tot statutenwijziging in 1998 en 2005 niet zijn genomen conform de vereisten voor geldigheid als vermeld in artikel 14 (eerste statuten) resp. artikel 15 (tweede statuten);
5.2.
bepaalt dat indien SGEM dit bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, deze zullen worden gehoord in het gerechtsgebouw te Rotterdam aan Wilhelminaplein 100/125, voor een nader te noemen rechter;
5.3.
bepaalt dat SGEM, indien deze getuigen wil laten horen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank - Administratie haven en handel, afdeling planningsadministratie, kamer E12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam, faxnummer 088-36 10555 - de namens hem/haar te horen getuigen en de verhinderdagen van de getuigen, alle partijen en hun advocaten in de maanden september 2016 tot en met november 2016 moet opgeven, waarna dag/dagen en uur van het getuigenverhoor zal worden bepaald;
5.4.
bepaalt dat de Stichting, indien deze getuigen in contra-enquête wil voorbrengen, bij de opgave van verhinderdata rekening moet houden met de in dat kader (vermoedelijk) te horen getuigen; voor contra-enquête zal een dag/dagen en uur worden gereserveerd na de voor het getuigenverhoor bepaalde dag en tijd;
5.5.
bepaalt dat SGEM, indien deze het bewijs niet door getuigen wil leveren maar door overlegging van bewijsstukken en/of door een ander bewijsmiddel, het voornemen hiertoe binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank - Administratie haven en handel, afdeling roladministratie, kamer E12.55, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam, faxnummer 088-36 10554 - en aan de wederpartij moet opgeven, waarna de verdere procesvoering zal worden bepaald;
5.6.
bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken, voor zover nog niet in het geding gebracht, aan de rechtbank - Administratie haven en handel, afdeling planningsadministratie, kamer E12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam, faxnummer 088-36 10555 - en de wederpartij moeten toesturen;
5.7.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. F. Damsteegt-Molier en in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2016.
[2066/2148]