Einde inhoudsopgave
Vertrouwen voorop (IVOR nr. 114) 2019/8.2.1
8.2.1 Materialiteit: definitie en totstandkoming
E.V.A. Eijkelenboom, datum 01-05-2019
- Datum
01-05-2019
- Auteur
E.V.A. Eijkelenboom
- JCDI
JCDI:ADS611038:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Tros (2015, noot 21) beschrijft de term materialiteit op een duidelijke en beeldende manier door het begrip materialiteit te vergelijken met “de afstand tussen de tanden van de hark. Hoe groter de afstand tussen de tanden van een hark hoe groter de kans dat afwijkingen in het jaarverslag kunnen worden genegeerd door de accountant”. Hoewel Tros in zijn uitleg van materialiteit verwijst naar het jaarverslag meen ik dat de materialiteit primair de jaarrekening betreft.
RJ 2018/930.30. Zie voor vergelijkbare definities IAS 1 en de beschrijving van materialiteit in de Exposure Draft die door de IASB is gepubliceerd in 2015, zie IASB 2015, p. 10 par. 7. De IASB heeft in 2017 een voorstel tot aanpassing van de term materieel belang gepubliceerd die luidt: “Information is material if omitting, misstating or obscuring it could reasonably be expected to influence decisions that the primary users of a specific reporting entity’s general purpose financial statements make on the basis of those financial statements.” (IASB 2017a) Deze definitie verschilt van de eerdere definitie door de toevoeging materiële informatie niet ‘obscured’ (versluierd) mag zijn, materialiteit ziet op primary users (en niet op gebruikers in het algemeen) en ‘reasonably […] influence’ (i.p.v. influence). Door deze toevoegingen aan de definitie wordt deze smaller, zie nader onder meer IASB 2017 en Eumedion 2017a.
Zie bijvoorbeeld het onderzoek van Hofstedt en Hughes uit 1977 waaruit volgt dat er substantiële verschillen zijn in de wijze waarop personen informatie waarderen, Hofstedt en Hughes 1977, p. 379.
De Bos 1996, p. 48.
Zie NBA 2015, p. 7 en De Bos 1996, p. 48.
Holstrum en Messier 1982, p. 48. Er kunnen risico’s kleven aan het gebruik van de gegevens uit de jaarrekening door het enigszins subjectieve karakter ervan bij bijvoorbeeld overnames. Zie Bras en Holtrop 2009, p. 78 en 85.
Limperg 1985, p. 11. Het rapport ‘In het publiek belang’ (NBA 2014) is een mooi voorbeeld van de reikwijdte van de huidige visie op de gebruiker van de jaarrekening.
De Bos 1996, p. 32-33.
De Bos 1996, p. 6.
De Nederlandse wetgeving wijkt met het ‘inzichtsvereiste’ wel af van het uitgangspunt van het ‘getrouwe beeld’ dat ten grondslag ligt aan de jaarrekeningrichtlijnen van de EU, zie hierover nader Asser/Maeijer en Kroeze 2-I* 2015, 515 en Beckman 2007, Beckman en Marseille 2013 (par. 3.8) en eerder bijv. Van Hulle 1993.
Zie r.o. 5.5 HR 10 februari 2006, NJ 2006/241, m.nt. J.M.M. Maeijer (KPN/Sobi).
Zie Standaard 320 definitie 9. Zie ook de toelichting op het begrip uitvoeringsmaterialiteit in Van Nieuw Amerongen en Van der Veeken 2014, p. 214.
Zie voor een empirische analyse van de totstandkoming van planningmaterialiteit op groeps- en deelniveau Stewart en Kinney 2013.
De Bos 1996, p. 40. Zie ook Van Nieuw Amerongen en Van der Veeken 2014. De accountant maakt gebruik van de zogenaamde ‘uitvoeringsmaterialiteit’, een percentage van de materialiteit. De accountant bepaalt met het vaststellen van de uitvoeringsmaterialiteit de diepgang van de controle.
In lijn hiermee wijst de AFM in haar verkenning van kwetsbaarheden in de structuur van de accountancysector op het belang van onafhankelijkheid (AFM 2018e, p. 44).
Holstrum en Messier 1982, p.48, en later herhaald in Messier, Martinov-Bennie en Eilifsen 2005, p. 155.
Zie Woolsey 1954a en 1954b, Firth 1979 en Jennings e.a. 1987.
Zie Iskandar en Iselin 1999, p. 234. Bij een onderzoek naar de verwachtingskloof in de bankensector komt een vergelijkbaar beeld naar voren met betrekking tot de waarde die wordt gehecht aan aanvullende informatie in de accountantsverklaring en de afstand van de gebruiker tot de controle-informatie, Litjens, Van Buuren en Vergoossen 2015, p. 267.
Zie het overzichtsartikel van Iskandar en Iselin 1999, p. 215-216 respectievelijk p. 232 en daarin genoemde literatuurverwijzingen. Waarbij met name de verwijzing van Iskandar en Iselin 1999 op p. 232 naar het, weliswaar enigszins gedateerde, onderzoek van Morris en Nichols (1988, p. 239-240 en p. 253) interessant is. Morris en Nichols vonden met behulp van empirisch onderzoek een aanwijzing dat de in hun onderzoek betrokken accountantsorganisaties die de bij haar werkzame accountants van stringentere richtsnoeren voor het bepalen van de materialiteit voorziet, een hogere mate van consensus in de professionele oordeelsvorming van accountants hebben. Anders gezegd, accountantsorganisaties die de bij haar werkzame accountants meer structuur bieden bij het bepalen van de materialiteit, verkrijgen consistentere uitkomsten. Dit impliceert dat accountants minder fouten op basis van de professionele oordeelsvorming maken met lagere kosten voor de accountantsorganisatie als resultaat.
“Informatie is materieel indien het weglaten of het onjuist weergeven daarvan de economische beslissingen die gebruikers op basis van de jaarrekening nemen, zou kunnen beïnvloeden. De materialiteit van de post of fout is afhankelijk van de omvang daarvan, beoordeeld onder de bijzondere omstandigheden waaronder het weglaten of onjuist weergeven plaatsvindt.1 Het begrip materialiteit verschaft dus meer een drempel of kritische grens, dan dat het een primair kwalitatief kenmerk is dat informatie moet bezitten om nuttig te zijn.”2 De accountant past het begrip materialiteit toe in de plannings- en uitvoeringsfase van de controle. Voorts is het begrip materialiteit voor de accountant van belang bij de evaluatie van afwijkingen3 en voor de oordeelsvorming in de accountantsverklaring. In de accountantsverklaring licht de accountant toe hoe hij het concept materialiteit heeft toegepast bij het plannen en uitvoeren van de controle.4 Deze uitleg spitst de accountant toe op de door hem gecontroleerde onderneming. In de accountantsverklaring bij de jaarrekening van OOB’s neemt de accountant de in de controle gehanteerde materialiteit van de financiële overzichten als geheel op.5 De in de controle gehanteerde materialiteit van de financiële overzichten als geheel vormt het uitgangspunt van dit hoofdstuk.
Er bestaat onderscheid tussen materialiteit in de accountantscontrole en de materialiteit die wordt toegepast in de jaarrekening. De accountant stelt de materialiteit van de controle vast op basis van gedegen onderzoek en zijn professionele oordeelsvorming.6 Zijn professionele oordeelsvorming laat hij beïnvloeden door (zijn perceptie van) de informatiebehoeften van de gebruiker. De professionele oordeelsvorming van de accountant impliceert een bepaalde mate van subjectiviteit bij het vaststellen van de materialiteit. Doordat professionele oordeelsvorming van de accountant nodig is bij het vaststellen van de materialiteit, kan de beoordeling van gelijke informatie door verschillende accountants leiden tot van elkaar afwijkende materialiteitswaarden.7 Mogelijk oefent ook de organisatie waarbinnen de accountant werkzaam is invloed uit op de totstandkoming van de materialiteit, bijvoorbeeld door het verstrekken van interne instructies. De materialiteit wordt door de accountant in de accountantsverklaring uitgedrukt in een bedrag en is veelal gebaseerd op een percentage van een benchmark. Deze benchmark is een grootheid uit de jaarrekening zoals het eigen vermogen of het balanstotaal ten opzichte waarvan de accountant beoordeelt of informatie materieel is.8 Veel voorkomende benchmarks zijn winst voor belasting of een variatie hierop, het eigen vermogen en het balanstotaal.9
Bij de bepaling van materialiteit staat de gebruiker van de jaarrekening centraal. Dit brengt echter een aantal aandachtspunten met zich. Wat de voor de gebruiker van de jaarrekening meest relevante informatie uit de jaarrekening is en op welke wijze de gebruiker die informatie gebruikt bij het maken van zijn beslissingen is niet evident.10 En waar Limperg de aandeelhouder nog als primaire gebruiker van de jaarrekening benoemde, wordt tegenwoordig een stakeholdermodel aangehangen bij het bepalen van de gebruiker van de jaarrekening.11 De groep gebruikers van de jaarrekening is daardoor geen vastomlijnde groep, maar een heterogene groep die onder meer bestaat uit aandeelhouders, werknemers en crediteuren.12 Anders gezegd, de gebruiker van de jaarrekening bestaat niet. Desondanks staat de ‘gebruiker van de jaarrekening’ centraal bij het bepalen van de materialiteit en elk van de gebruikers van de jaarrekening heeft zijn eigen informatiebehoefte. De accountant dient met deze verschillende informatiebehoeften rekening te houden bij het vaststellen van de materialiteit. De Bos merkt in dit verband op dat “[h]et verkeerd inschatten van het al dan niet materieel zijn van informatie kan leiden tot het verliezen van het vertrouwen dat het maatschappelijk verkeer in de accountant stelt. Hetgeen het einde van het accountantsberoep kan betekenen”.13 Informatie over materialiteit alsmede de bepaling ervan zijn derhalve cruciale elementen binnen de kwaliteitsbevorderende wet- en regelgeving.
De jaarrekening dient het op grond van art. 2:362 BW vereiste inzicht te geven.14 Dit wettelijke inzichtvereiste doet er niet aan af dat het bestuur bij de waardering van posten uit de jaarrekening de nodige vrijheid toekomt.15 De accountant maakt bij de controle van de jaarrekening een inschatting van de informatiebehoefte van de gebruikers en gaat na of de weggelaten informatie niet materieel is. Bepaling en vaststelling van de materialiteit is meermaals noodzakelijk tijdens het proces van de totstandkoming en controle van de financiële verslaggeving. Bij planning en uitvoering van de controle van de financiële verslaggeving is sprake van de plannings- en uitvoeringsmaterialiteit.16 De uitvoeringsmaterialiteit is een percentage van de vastgestelde materialiteit. De accountant gebruikt deze (lagere) uitvoeringsmaterialiteit bij het uitvoeren van de controle om zo de kans op niet-gecorrigeerde en onontdekte afwijkingen van het gehele materialiteitsniveau terug te brengen tot een passend laag niveau.17 Materialiteit kan voorts vastgesteld worden op het niveau van de groep, de individuele vennootschap en het niveau van verschillende onderdelen van de vennootschap.18 Het beginsel van materialiteit kan in twee dimensies worden opgedeeld, te weten presentatie- en foutenmaterialiteit. Bij de presentatiematerialiteit is het van belang dat de gebruiker van de jaarrekening een optimale hoeveelheid informatie verkrijgt in financiële overzichten en bijbehorende toelichtingen van de vennootschap voor een getrouwe weergave is van de staat van de vennootschap. De in de financiële verslaggeving opgenomen informatie dient relevant te zijn en niet meer informatie te bevatten dan nodig is om haar begrijpelijk en leesbaar te houden. Het kan daarom toegestaan zijn om balansposten samen te voegen of toelichtingen weg te laten. Foutenmaterialiteit ziet op de betrouwbaarheid van de in de verslaggeving opgenomen informatie. In de verslaggeving voorkomende fouten zijn acceptabel wanneer de oordeels- en besluitvorming van de gebruiker er niet door beïnvloedt wordt. In de RJ begrippenlijst is de definitie van een materiële fout: “Een zodanige onjuistheid in een jaarrekening – geconstateerd na het vaststellen van die jaarrekening door de leden of aandeelhouders – dat de jaarrekening in het geven van het in art. 2:362 lid 1 BW bedoelde inzicht tekortschiet.” De foutenmaterialiteit hangt samen met een afweging tussen wat een acceptabele afwijking is in het licht van kwaliteit en de betrouwbaarheid van de informatie. Hoe nauwkeuriger de (financiële) informatie binnen een vennootschap wordt gemonitord en bewaard hoe kostbaarder het is. Ditzelfde geldt voor de accountantscontrole.19 Het is daarom dat in de accountantsverklaring wordt gesproken van ‘een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid’.
Er zijn verschillende factoren die de totstandkoming en hoogte van de materialiteit kunnen beïnvloeden. De accountant is verantwoordelijk voor het vaststellen van de materialiteit. De accountant zou bij de vaststelling van de materialiteit beïnvloed kunnen worden door belanghebbenden bij de financiële verslaggeving.20 Dat zou kunnen leiden tot een spanning tussen de door de accountant vastgestelde materialiteit en de daarmee samenhangende tijdsinvestering van de accountant met bijbehorende kosten. Ook de verschillen in informatiebehoeften van diverse type gebruikers van de jaarrekening zijn van invloed op de vaststelling van de materialiteit.21 Diverse onderzoeken wijzen overigens uit dat gebruikers van de jaarrekening gemiddeld genomen een voorkeur hebben voor een lagere materialiteit dan dat de accountant heeft.22 Een reden hiervoor kan gelegen zijn in het feit dat de gebruikers van de jaarrekening een informatieachterstand hebben doordat zij slechts toegang hebben tot de publieke informatie over de vennootschap en daarom meer zekerheid vragen alvorens zij de getrouwe en accurate weergave van de financiële verslaggeving accepteren.23 Een lagere materialiteit kan dan beschouwd worden als tegemoetkoming aan de informatieachterstand. Ook volgt uit onderzoek dat ervaring en expertise van de accountant de hoogte van de materialiteit kunnen beïnvloeden, net als de mate waarin de accountantsorganisatie de accountant van richtsnoeren voorziet voor het bepalen van de materialiteit.24