Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.4.2.1
II.4.2.1 Ongeschreven bestaansvereiste in Titel 3.2 BW
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS622296:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De uiterste wilsbeschikking is een eenzijdige rechtshandeling (art. 4:42 lid 1 BW). Eenzijdige rechtshandelingen kunnen overigens ‘gericht’ of ‘ongericht’ zijn. Een gerichte eenzijdige rechtshandeling is een rechtshandeling waarbij de wilsverklaring tot een andere persoon wordt gericht. Voor het intreden van het rechtsgevolg dient de verklaring die andere persoon te hebben bereikt. Een ongerichte eenzijdige rechtshandeling is een rechtshandeling die niet is gericht tot een bepaalde persoon. Zie hierover Asser/Hartkamp & Sieburgh 2014 (6-III), nr. 99. Heersende leer is dat het maken van een uiterste wilsbeschikking een eenzijdige ongerichte rechtshandeling is, zie Asser/ Hartkamp & Sieburgh 2014 (6-III), nr. 99. Zie ook B. Schols 2007a, p. 97 voetnoot 15. B. Schols 2007a, p. 97 wijst er in dit verband voorts op dat: ‘Tussen eenzijdige gerichte rechtshandelingen en overeenkomsten kan dikwijls geen scherp onderscheid worden gemaakt […], aldus Asser Hartkamp [zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 2014 (6-III), nr. 101, toev. NB]. Anders gezegd: des te gerichter de rechtshandeling des te meer men op het terrein van het overeenkomstenrecht komt.’
Vgl. Asser/Rutten-II 1982, p. 62 e.v. Zie ook Asser/Hartkamp & Sieburgh 2014 (6-III), nr. 95.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 2014 (6-III), nr. 95.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 2014 (6-III), nr. 282 merken in het kader van de verbintenisscheppende overeenkomst op dat het bepaaldheidsvereiste een geldigheidsvereiste is dat betrekking heeft op de inhoud van de overeenkomst. Zie over essentialia en het onderscheid met naturalia en accidentalia bij overeenkomsten Asser/Hartkamp & Sieburgh 2014 (6-III), nr. 96. Essentialia zijn wezenlijke bestanddelen van de overeenkomst. Naturalia en accidentalia zijn niet-wezenlijke bestanddelen van de overeenkomst.
Parl. Gesch. Boek 3, p. 1123. Zie ook Kamerstukken II 1984/85, 17496, 9, p. 7 (VV II Inv.). Zie in dit verband ook Hijma & Olthof 1982, p. 258 noot 3.
Kamerstukken II 1984/85, 17496, 10, p. 15 (MvA II Inv.), Parl. Gesch. Boek 3, p. 1123.
Zo ook Breemhaar 1992, nr. 72, die hiervoor ook verwijst naar Parl. Gesch. Boek 6, p. 895 e.v.; Hijma & Olthof 1982, p. 258, noot 3; Van Schilfgaarde 1982, p. 549, noot 3.
In Boek 3 BW zijn algemene bepalingen opgenomen voor alle vermogensrechten. Titel 3.2 BW handelt over rechtshandelingen, meer specifiek over de totstandkoming van de rechtshandeling en haar nietigheid en vernietigbaarheid. Zoals ik hiervoor reeds heb opgemerkt, onderscheidt de rechtshandeling zich van andere handelingen door haar gerichtheid op een of meer rechtsgevolgen. Een rechtshandeling komt tot stand door een op een rechtsgevolg gerichte wil en een daarmee overeenstemmende wilsverklaring (art. 3:33 BW).1 In paragraaf 2.2.2.4 betoogde ik dat in deze beide bestaansvereisten nog een ander belangrijk vereiste van de rechtshandeling ligt besloten, namelijk het bepaaldheidsvereiste. Om de beoogde rechtsgevolgen te kunnen vaststellen, is telkens een bepaald onderwerp vereist.
In art. 1356 oud BW waren vier vereisten voor de bestaanbaarheid van overeenkomsten neergelegd, te weten:
de toestemming van degenen die zich verbinden;
de bekwaamheid om een verbintenis aan te gaan;
een bepaald onderwerp;
een geoorloofde oorzaak.
Ten aanzien van deze vereisten bestond in de literatuur discussie over de vraag of deze begrippen gelijkwaardig waren en of een onderscheid diende te worden gemaakt tussen bestaansvereisten en geldigheidsvereisten ofwel tussen wezensbestanddelen en extrinsieke elementen daarvan.2 Volgens Hartkamp & Sieburgh is deze vraag thans niet meer interessant omdat het onderscheid tussen bestaansvereisten en geldigheidsvereisten geen verschil in rechtsgevolgen kent:
‘Indien niet wordt voldaan aan een door de wet gesteld geldigheidsvereiste is de rechtshandeling, ongeacht of het vereiste betrekking heeft op de totstandkoming of op de inhoud van de overeenkomst, nietig; […] Evenmin bestaat er verschil in de aard of in de rechtsgevolgen van de nietigheid. Een verschil tussen ‘non-existentie’ en ‘nietigheid’, dat wel uit het gemaakte onderscheid is afgeleid, moet worden verworpen. De regels die de rechtsgevolgen van de nietigheden regelen en soms beperken, gelden in beginsel gelijkelijk ongeacht de grond daarvan.’3
Ondanks dat een verschil tussen ‘non-existentie’ en ‘nietigheid’ moet worden verworpen, geef ik de voorkeur eraan het bepaaldheidsvereiste te duiden als behorend tot essentialia en daarmee als bestaansvereiste van de rechtshandeling, in plaats van geldigheidsvereiste van haar inhoud.4 Het vereiste van bepaaldheid van de rechtshandeling heeft mijns inziens een gelijke waarde als de bestaansvereisten die zien op de totstandkoming van de rechtshandeling, te weten: een beoogd rechtsgevolg en een daarmee overeenstemmende wilsuiting. Het bepaaldheidsvereiste ligt in deze twee bestaansvereisten besloten en is daarmee, ondanks dat het bepaaldheidsvereiste ziet op een bepaald onderwerp/inhoud, van belang voor de totstandkoming van de rechtshandeling. Een handeling zonder bepaalde inhoud, waaruit geen beoogde rechtsgevolgen kunnen worden vastgesteld, is mijns inziens geen rechtshandeling en kan niet tot stand komen.
Dat gebrek aan bepaaldheid van de rechtshandeling haar ‘non-existentie’ of ‘nietigheid’ met zich brengt, zien we ook in de parlementaire geschiedenis van Titel 3.2 BW terug:
‘Naar het voorlopig oordeel van de commissie [de vaste Commissie voor Justitie, toev. NB] verdient het aanbeveling in titel 3.2 een bepaling op te nemen, inhoudende dat iedere rechtshandeling waarvan de inhoud onvoldoende bepaalbaar is, nietig is (cus. NB).’5
Een nietige rechtshandeling wordt van rechtswege geacht nooit te hebben plaatsgevonden. Aan haar komen zodoende geen rechtsgevolgen toe. Ofwel: een nietige rechtshandeling is geen rechtshandeling.
De zojuist geciteerde aanbeveling van de vaste Commissie voor Justitie is overigens niet overgenomen. In de Memorie van Antwoord is te lezen:
‘Naar in de toelichting bij art. 6.5.2.10 (Parl. Gesch. Boek 6, blz. 895) is opgemerkt, geldt het vereiste van een bepaald onderwerp voor alle rechtshandelingen, doch behoeft dat niet uitdrukkelijk in de wet te worden vermeld (curs. NB).’6
Titel 3.2 BW kent dan ook geen uitdrukkelijke bepaling waarin is opgenomen dat rechtshandelingen waarvan de inhoud in onvoldoende mate is bepaald, nietig zijn. Toch geldt het bepaaldheidsvereiste als essentialia voor iedere rechtshandeling. Wat dit betreft zou het bepaaldheidsvereiste als een ongeschreven regel kunnen worden bestempeld.7 Het wordt desalniettemin in enkele bepalingen buiten Titel 3.2 BW expliciet door de wetgever uitgesproken.