Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/11.4.2.2
11.4.2.2 À propos: de juridische basis voor uitbreiding
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS370011:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie Kamerstukken II, 2005/06, 30 419, nr. 2, p. 2.
De Minister lijkt er vanuit te zijn gegaan dat hetgeen werd gewijzigd in de onderdelen van het wetsvoorstel die anticipeerden op inwerkingtreding vóór de Wft conform die wijzigingen zou worden aangepast in de equivalente onderdelen uit het wetsvoorstel die voorzagen in wijziging van de (toekomstige) Wft. In de toelichting bij de wijzigingen op de toekomstige Wft-bepalingen wordt opgemerkt: “De voorgestelde aanpassingen zijn voor het overgrote deel identiek aan de aanpassingen van de bepalingen die strekken tot wijziging van de Wte 1995 […]”, zie Kamerstukken II, 2004/05, 30 419, nr. 9, p. Deze indruk wordt versterkt door het ontbreken van een motivering waar dat toch alleszins voor de hand zou hebben gelegen.
Vgl. eerder in die richting Eumedion 2006 – Reactie implementatie 13e richtlijn, p. 6.
Uitbreiding van de thans bestaande wettelijke vermoedens vereist een wetswijziging. Oorspronkelijk bevatte het wetsvoorstel ter implementatie van de Overnamerichtlijn een basis voor uitbreiding van het vermoeden van onderling overleg. In art. 1 lid 2 Wte 1995 zou worden bepaald:
“Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere categorieën van natuurlijke personen, rechtspersonen en vennootschappen worden aangewezen als persoon die geacht worden in onderling over te handelen […].”1
Deze delegatiebepaling zou uiteindelijk in de Wft terecht moeten zijn gekomen, maar om onduidelijke redenen is dat nooit gebeurd. Vermoedelijk is hier sprake van een vergissing.2 Hoe dat ook zij, hier is dus een wetswijziging nodig. Mocht dat niet haalbaar blijken, dan zou als alternatief kunnen worden overwogen om in de toelichting duidelijk te maken dat sommige gevallen als onderling overleg zullen kwalificeren.3 Potentieel kan een dergelijke vuistregel de werking van een vermoeden hebben, mits de OK daarin mee gaat (hetgeen uiteraard geen zekerheid is).