T&C BW, commentaar op art. 2:210 BW:Opmaken en vaststellen jaarrekening
T&C BW, commentaar op art. 2:210 BW
Opmaken en vaststellen jaarrekening
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De tekst van het artikel is vastgesteld bij de Wet toepassingsgebied jaarrekeningenrecht (Stb. 1993, 261), in werking getreden op 1 juli 1993. Het artikel is laatstelijk gewijzigd door de Wijzigingswet financiële markten 2014 (Stb. 2013, 487), in werking getreden op 1 januari 2014, waarbij lid 1 en 8 zijn gewijzigd. Daarvoor is het artikel gewijzigd door de Wijzigingswet financiële markten 2015 (Stb. 2014, 472), in werking getreden op 1 januari 2015, waarbij lid 1 is gewijzigd en voordien door de inwerkingtreding op 1 oktober 2012 van de Invoeringswet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht (Stb. 2012, 300 en 301), waarbij onder vernummering van lid 5-7 tot lid 6-8 een nieuw lid 5 is ingevoegd. Het ingevoegde lid 5 is identiek aan het in het wetsvoorstel vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht opgenomen art. 238 lid 3.
2. Opmaken en openbaar maken jaarrekening (lid 1)
Onder jaarrekening moet worden verstaan: de enkelvoudige jaarrekening die bestaat uit de balans, de winst- en verliesrekening met de toelichting, en de geconsolideerde jaarrekening indien de rechtspersoon een geconsolideerde jaarrekening opstelt; art. 2:361. Het bestuur dient tevens een jaarverslag op te stellen. Aan de jaarrekening en het jaarverslag moet een aantal ‘overige gegevens’ worden toegevoegd, waaronder de accountantsverklaring en een opgave van gebeurtenissen met belangrijke financiële gevolgen die na het einde van het boekjaar zijn voorgevallen; art. 2:392 lid 1. Het geheel wordt ook wel aangeduid met ‘jaarstukken’.
Opmaken jaarrekening
Binnen vijf maanden na afloop van het boekjaar van de BV maakt het bestuur een jaarrekening op. Deze termijn kan door de AV eenmalig met ten hoogste zes maanden worden verlengd op grond van bijzondere omstandigheden. Wanneer de jaarrekening niet binnen twee maanden na afloop van de voor het opmaken ervan voorgeschreven termijn is vastgesteld door de AV, moet het bestuur onverwijld de opgemaakte jaarrekening openbaar maken, dit onder vermelding dat de jaarrekening nog niet is vastgesteld; art. 2:394 lid 2. In ieder geval moet de BV uiterlijk dertien maanden na afloop van het boekjaar de jaarrekening openbaar maken; art. 2:394 lid 2 en 3. Het niet (tijdig) openbaar maken van de jaarrekening kan in geval van faillissement van de BV leiden tot bestuurdersaansprakelijkheid; art. 2:248 lid 2. Voor de beantwoording van de vraag of tijdig aan de publicatieverplichting is voldaan, is in dit kader volgens de Hoge Raad niet van belang, of de termijn voor het opmaken van de jaarrekening op formeel juiste wijze is verlengd. Crediteuren moeten er rekening mee houden dat door de AV tot de door de wet toegestane verlenging is besloten. De in art. 2:210 lid 1 genoemde termijnen zijn slechts van belang voor de taakverdeling binnen de vennootschap; HR 11 juni 1993, LJN ZC0994, NJ 1993/713 (Kempers en Sarper).
Afwijkende opmaaktermijn voor beurs-BV’s
Ten gevolge van de invoering van de Wijzigingswet financiële markten 2014 (Stb. 2013, 487), geldt met ingang van 1 januari 2014 een afwijking voor BV's waarvan de effecten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt als bedoeld in de Wft. Overeenkomstig het bepaalde in art. 5:25c lid 1 Wft dienen beurs-BV's binnen vier maanden na afloop van het boekjaar de jaarrekening en het jaarverslag op te maken en openbaar te maken. Een verlenging van deze termijn is niet mogelijk. Ten gevolge van de Wijzigingswet financiële markten 2015 (Stb. 2014, 472), geldt met ingang van 1 januari 2015 een uitzondering op de termijn van vier maanden voor de in art. 5:25g lid 2 en 3 Wft bedoelde uitgevende instellingen. Dit zijn instellingen die uitsluitend obligaties of andere effecten zonder aandelenkarakter hebben uitgegeven met een nominale waarde van ten minste € 100.000. Is de instelling al vóór 31 december 2010 toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt in de EU dan volstaat een nominale waarde van ten minste € 50.000.
Ter inzage leggen jaarrekening en toezending
De jaarrekening moet voor de aandeelhouders ter inzage liggen op het kantoor van de BV. Hiervan zijn uitgezonderd de van de publicatieplicht vrijgestelde vennootschappen; art. 2:396 lid 6 en art. 2:403. In geval van een structuur-BV zendt het bestuur de jaarrekening toe aan de in art. 2:268 lid 11 bedoelde ondernemingsraad.
3. Ondertekening jaarrekening (lid 2)
Het bestuur is belast met het opmaken van de jaarrekening; lid 1. Ook al wordt feitelijk een van de bestuurders met de uitvoering van deze taak belast, blijven desondanks alle bestuurders verantwoordelijk. Dit blijkt ook uit het feit dat alle bestuurders die op het moment van het opmaken van de jaarrekening in functie waren, de jaarrekening moeten ondertekenen. Daarmee geven zij aan kennis te hebben genomen van de opgemaakte jaarrekening en met de inhoud ervan in te stemmen. De heersende leer lijkt te zijn dat de ondertekening van de jaarrekening geen constituerend element is van het opmaakproces, maar een handeling die daarna komt; vgl. Asser/Kroeze 2-I 2021/560. Indien de BV een RvC heeft ingesteld, dienen naast de bestuurders ook de in functie zijnde commissarissen, als blijk van het gevoerde toezicht, de door het bestuur opgemaakte jaarrekening te ondertekenen.
Ontbreken handtekening
Bij het ontbreken van een handtekening van een bestuurder of commissaris, is de BV verplicht de reden daarvan op te nemen in de jaarrekening. Deze redengeving is vooral ten behoeve van de AV die goed geïnformeerd de jaarrekening dient vast te stellen (NMvA EK, Kamerstukken I 2011/12, 31 058, E, p. 19). Is de reden voor de niet-ondertekening dat de functionaris zich niet met de inhoud van de jaarrekening kan verenigen, dan draagt hij daarvoor geen verantwoordelijkheid. Bij een eventuele aansprakelijkstelling uit hoofde van art. 2:249-2:260 kan hij zich disculperen; vgl. art. 2:249, aant. 4. Voor het overige kan slechts een wezenlijke reden de functionaris ontslaan van de ondertekeningsplicht. Mogelijke voorbeelden zijn: het aantreden na afloop van het boekjaar, belet: ziekte of verblijf in het buitenland, en het voorkomen van een vereenvoudigde vaststelling en decharge ex art. 2:210 lid 5. Zie Hezer/De Vries, Ondernemingsrecht 2019/13, in hoeverre hierbij sprake is van een geldige reden om af te zien van ondertekening.
4. Vaststelling jaarrekening (lid 3)
De vaststelling van de jaarrekening behoort tot de bevoegdheden van de AV. Deze bevoegdheid kan niet aan anderen dan de AV worden opgedragen. Zie hierna aant. 5. Voor BV’s waarvan alle aandeelhouders tevens bestuurder zijn, kan de ondertekening van de jaarrekening door alle bestuurders en commissarissen onder bepaalde voorwaarden tevens gelden als vaststelling van de jaarrekening. Zie aant. 6. De AV is niet verplicht de jaarrekening vast te stellen. Niet-vaststelling van de jaarrekening heeft echter gevolgen voor de publicatieplicht (art. 2:394 lid 2) en voor de overlegging van de jaarrekening aan de ondernemingsraad (art. 31a lid 2 WOR). Het niet vaststellen van de jaarrekening laat onverlet de verplichting om opgave bij het handelsregister te doen als bedoeld in art. 2:263 (structuurcriteria).
Geen automatische decharge bestuurder of commissaris
Vaststelling van de jaarrekening leidt niet automatisch tot decharge van bestuurders en commissarissen voor het desbetreffende boekjaar. Daartoe is een expliciete agendering en besluitvorming inzake decharge vereist; zie echter art. 2:224 lid 2. Dit bevordert het afleggen van verantwoording door bestuurders en commissarissen aan de AV (MvT, Kamerstukken II 2000/01, 27483, 3, p. 2/3). Een decharge strekt zich niet verder uit dan tot wat uit de stukken blijkt of anderszins aan de AV bekend is gemaakt. Het moet dus gaan om informatie die in het verband van de AV ter kennis is gebracht. De Hoge Raad verwierp de zienswijze dat de decharge zich ook zou uitstrekken tot dat wat de aandeelhouders redelijkerwijze konden weten dan wel tot dat wat waarop zij, mede gelet op de hun verstrekte informatie, beducht konden zijn; HR 10 januari 1997, LJN ZC2243, NJ 1997/360 (Staleman/Van de Ven). Decharge strekt zich niet uit tot informatie waarover een individuele aandeelhouder buiten de AV om de beschikking heeft gekregen (Winter, Wezeman & Schoonbrood, Van de BV en de NV 2022/111).
Uitzondering in lid 5
Op de regel dat vaststelling van de jaarrekening niet automatisch leidt tot decharge van bestuurders en commissarissen voor het desbetreffende boekjaar is door de Invoeringswet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht in lid 5 een uitzondering aangebracht, indien alle aandeelhouders tevens bestuurder van de BV zijn. Zie hierna aant. 6.
5. Geen statutaire goedkeuringseis e.d. (lid 4 en 6)
De vaststelling van de jaarrekening kan niet aan een ander vennootschapsorgaan dan de AV worden opgedragen. Ook kan dit AV-besluit niet statutair aan de goedkeuring van een ander vennootschapsorgaan of van derden worden onderworpen; lid 4. Evenmin wordt aanvaard een statutaire regeling waarbij aan enig vennootschapsorgaan of aan derden de bevoegdheid wordt gegeven, hetzij om ten aanzien van de jaarrekening voorschriften te geven, hetzij om ten aanzien daarvan bindende voorstellen te doen; lid 5. Aldus wordt voorkomen dat afbreuk kan worden aan een belangrijke bevoegdheid van het bestuur respectievelijk de AV betreffende het opmaken en vaststellen van de jaarrekening (MvT, Kamerstukken II 1998/99, 26 277, nr. 3, p. 9).
6. Alternatieve wijze van vaststelling jaarrekening (lid 5)
Indien alle aandeelhouders tevens bestuurder van de BV zijn, geldt de ondertekening van de jaarrekening door alle bestuurders en commissarissen tevens als vaststelling door de AV in de zin van lid 3. Als voorwaarden gelden dat alle overige vergadergerechtigden in de zin van art. 2:227 lid 2 in de gelegenheid zijn gesteld kennis te nemen van de opgemaakte jaarrekening en met deze alternatieve wijze van vaststelling van de jaarrekening hebben ingestemd. Tenzij de statuten anders bepalen, kan de instemming met deze wijze van besluitvorming langs elektronische weg plaatsvinden; art. 2:238 lid 1. De aldus vastgestelde jaarrekening dient binnen acht dagen door de BV te worden gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel; art. 2:394 lid 1. Door te spreken van ondertekening door alle bestuurders en commissarissen, wordt tot uitdrukking gebracht dat een jaarrekening waarvan de handtekening van een van hen ontbreekt (art. 2:210 lid 2), niet in de zin van lid 3 kan worden vastgesteld (MvT, Kamerstukken II 2006/07, 31058, nr. 3, p. 89). De statuten kunnen deze alternatieve wijze van vaststelling van de jaarrekening uitsluiten.
Decharge bestuurder of commissaris
De alternatieve wijze van vaststelling van de jaarrekening strekt tevens tot decharge van bestuurders en commissarissen voor het desbetreffende boekjaar. Hiermee wordt een uitzondering op de regel in lid 3 aangebracht. Dit acht de wetgever niet bezwaarlijk, omdat het gaat om de situatie waarin alle aandeelhouders tevens bestuurder zijn. Omdat die aandeelhouders samen met de commissarissen zelf de jaarrekening ondertekenen, heeft het voorschrijven van een afzonderlijke beslissing over de decharge, waarbij bestuurders en commissarissen verantwoording afleggen aan de AV, weinig meerwaarde (NEV, Kamerstukken II 2008/09, 31058, nr. 6, p. 39). Dit brengt mee dat een aandeelhouder/bestuurder die geen decharge wil verlenen aan medebestuurders van ondertekening van de jaarrekening moet afzien. Daarnaast biedt art. 2:210 lid 5 de mogelijkheid om deze alternatieve wijze van vaststelling van de jaarrekening in de statuten van de BV uit te sluiten. Hierdoor wordt de ondertekening van de jaarrekening losgekoppeld van de vaststelling van de jaarrekening, waarmee tegelijkertijd ook de koppeling met het verlenen van decharge wordt losgelaten. Niet is voorzien in de mogelijkheid in de statuten op te nemen dat ondertekening van de jaarrekening wel leidt tot haar vaststelling, maar niet tot het verlenen van decharge (NMvA, Kamerstukken I 2011/12, 31058, E, p. 19/20).
Beperkte reikwijdte decharge
Er zij op gewezen dat de reikwijdte van een art. 2:210 lid 5 BW-decharge beperkt is. Zij strekt zich niet uit tot onbehoorlijke taakvervulling die niet kenbaar is uit de jaarrekening. Hiervoor moeten de bestuurders en commissarissen te biecht gaan bij de AV. De AV moet (alsnog) een expliciet dechargebesluit nemen waarbij de onbehoorlijke handelingen waarvoor wordt gedechargeerd, schriftelijk moeten worden vastgelegd.
7. Bevoegdheid tot reservering winst of verwerking verlies (lid 7)
De AV is bevoegd tot bestemming van de winst. De statuten kunnen deze bevoegdheid beperken of toekennen aan een ander orgaan; art. 2:216 lid 1. In overeenstemming hiermee bepaalt lid 7 dat de statuten kunnen bepalen dat een ander orgaan dan de AV de bevoegdheid heeft te bepalen welk deel van het resultaat van het boekjaar wordt gereserveerd of hoe het verlies wordt verwerkt. In de praktijk komt het vooral bij de grotere vennootschappen voor dat een ander orgaan in de zin van art. 2:189a, bijvoorbeeld de RvC, beslist over de reserveringen. Verder kan het vooral in concernverband nuttig zijn de beslissing omtrent de verwerking van een eventueel verlies op te dragen aan een ander orgaan van de BV (MvT, Kamerstukken II 1998/99, 26 277, nr. 3, p. 10). Het door het daartoe bevoegde orgaan genomen besluit betreffende bestemming van de winst respectievelijk verwerking van het verlies wordt verwerkt in de jaarrekening van het boekjaar waarop het betrekking heeft (Huizink, GS Rechtspersonen, art. 2:101 BW, aant. 5.6).
8. Ontheffing om gewichtige redenen (lid 8)
De Minister van Economische Zaken kan desgevraagd om gewichtige redenen ontheffing van de verplichting tot het opmaken, overleggen en vaststellen van de jaarrekening verlenen. Van gewichtige redenen is bijvoorbeeld sprake in het geval dat liquidatie wordt overwogen zodat onzekerheid over de toe te passen waarderingsnormen bestaat (Brink-van der Meer/Snijder-Kuipers, GS Rechtspersonen, art. 2:101 BW, aant. 9), of in het geval van faillissement, omdat van individuele bestuurders niet kan worden gevergd dat zij de kosten dragen voor het opmaken en publiceren van de jaarrekening (Besluit Minister van Economische Zaken 13 augustus 1997, ECLI:NL:XX:1997:AH3157, JOR 1997/113 (Fokker)), of in het geval de administratie van de vennootschap in verband met een strafrechtelijk onderzoek in beslag is genomen (Rb. Arnhem 9 februari 2005, LJN AT6337, JOR 2005/114 (Tradion Investments)). Gelet op art. 2:394 lid 5 brengt de ontheffing tevens ontheffing van de publicatieplicht mee. Wel moet dan een afschrift van de ontheffing bij het handelsregister worden gedeponeerd.
Uitzondering voor beurs-BV
Per 1 januari 2014 is de ontheffingsmogelijkheid voor beurs-BV’s vervallen door de invoering van de Wijzigingswet financiële markten 2014 (Stb. 2013, 487). Door de toevoeging van de tweede zin aan lid 8 is de bepaling nu gelijkluidend aan art. 2:101 lid 7 BW geldend voor de NV. Ook hier geldt dat een ontheffing wel kan worden verleend ten aanzien van de vaststelling van de jaarrekening door een beurs-BV.
Jaarrekening en insolventie
De omstandigheid dat aan de BV (voorlopige) surseance van betaling is verleend, laat de verplichting tot het opmaken, vaststellen en publiceren van de jaarrekening onverlet (De Jong/Nieuwe Weme, Publicatie van de jaarrekening 2006, p. 33). Verdedigd wordt dat de in art. 2:210 neergelegde verplichtingen niet gelden tijdens faillissement (o.a. De Jong/Nieuwe Weme, Publicatie van de jaarrekening 2006, p. 36/37). Anders Winter, Wezeman & Schoonbrood, Van de BV en de NV 2022/112 met betrekking tot het opmaken, vaststellen en publiceren van de jaarrekening over de boekjaren die zijn verstreken vóór het uitspreken van het faillissement.
9. Tijdelijke wet COVID-19
Art. 16 Tijdelijke wet COVID-19 JenV (Stb. 2020, 124) bepaalt met terugwerkende kracht tot en met 16 maart 2020 (Stb. 2020, 126) dat in afwijking van art. 2:210 lid 1 eerste volzin de termijn van vijf maanden voor het opmaken van de jaarrekening met ten hoogste vijf maanden kan worden verlengd door het bestuur. In dat geval heeft de AV geen bevoegdheid tot verlenging. Ingevolge art. 35 lid 3 Tijdelijke wet COVID-19 JenV vervalt art. 16 op 1 september 2020, tenzij de werking bij koninklijk besluit wordt verlengd, wat mogelijk is voor telkens ten hoogste twee maanden. Bij Koninklijk Besluit van 28 november 2022 (Stb. 2022, 477) is de werking laatstelijk verlengd tot 1 februari 2023. Art. 16 Tijdelijke wet COVID-19 JenV is per 1 februari 2023 vervallen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
T&C BW, commentaar op art. 2:210 BW
Opmaken en vaststellen jaarrekening
H.E. Boschma & J.N. Schutte-Veenstra, actueel t/m 01-09-2025
01-09-2025
01-01-2015 tot: 01-11-2015
H.E. Boschma & J.N. Schutte-Veenstra
T&C BW, commentaar op art. 2:210 BW
Corona (V)
Onbekend (V)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
bevoegdheid
vaststelling
jaarrekening
besloten vennootschap
corona
Burgerlijk Wetboek Boek 2 artikel 210
1. Algemeen
De tekst van het artikel is vastgesteld bij de Wet toepassingsgebied jaarrekeningenrecht (Stb. 1993, 261), in werking getreden op 1 juli 1993. Het artikel is laatstelijk gewijzigd door de Wijzigingswet financiële markten 2014 (Stb. 2013, 487), in werking getreden op 1 januari 2014, waarbij lid 1 en 8 zijn gewijzigd. Daarvoor is het artikel gewijzigd door de Wijzigingswet financiële markten 2015 (Stb. 2014, 472), in werking getreden op 1 januari 2015, waarbij lid 1 is gewijzigd en voordien door de inwerkingtreding op 1 oktober 2012 van de Invoeringswet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht (Stb. 2012, 300 en 301), waarbij onder vernummering van lid 5-7 tot lid 6-8 een nieuw lid 5 is ingevoegd. Het ingevoegde lid 5 is identiek aan het in het wetsvoorstel vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht opgenomen art. 238 lid 3.
2. Opmaken en openbaar maken jaarrekening (lid 1)
Onder jaarrekening moet worden verstaan: de enkelvoudige jaarrekening die bestaat uit de balans, de winst- en verliesrekening met de toelichting, en de geconsolideerde jaarrekening indien de rechtspersoon een geconsolideerde jaarrekening opstelt; art. 2:361. Het bestuur dient tevens een jaarverslag op te stellen. Aan de jaarrekening en het jaarverslag moet een aantal ‘overige gegevens’ worden toegevoegd, waaronder de accountantsverklaring en een opgave van gebeurtenissen met belangrijke financiële gevolgen die na het einde van het boekjaar zijn voorgevallen; art. 2:392 lid 1. Het geheel wordt ook wel aangeduid met ‘jaarstukken’.
Opmaken jaarrekening
Binnen vijf maanden na afloop van het boekjaar van de BV maakt het bestuur een jaarrekening op. Deze termijn kan door de AV eenmalig met ten hoogste zes maanden worden verlengd op grond van bijzondere omstandigheden. Wanneer de jaarrekening niet binnen twee maanden na afloop van de voor het opmaken ervan voorgeschreven termijn is vastgesteld door de AV, moet het bestuur onverwijld de opgemaakte jaarrekening openbaar maken, dit onder vermelding dat de jaarrekening nog niet is vastgesteld; art. 2:394 lid 2. In ieder geval moet de BV uiterlijk dertien maanden na afloop van het boekjaar de jaarrekening openbaar maken; art. 2:394 lid 2 en 3. Het niet (tijdig) openbaar maken van de jaarrekening kan in geval van faillissement van de BV leiden tot bestuurdersaansprakelijkheid; art. 2:248 lid 2. Voor de beantwoording van de vraag of tijdig aan de publicatieverplichting is voldaan, is in dit kader volgens de Hoge Raad niet van belang, of de termijn voor het opmaken van de jaarrekening op formeel juiste wijze is verlengd. Crediteuren moeten er rekening mee houden dat door de AV tot de door de wet toegestane verlenging is besloten. De in art. 2:210 lid 1 genoemde termijnen zijn slechts van belang voor de taakverdeling binnen de vennootschap; HR 11 juni 1993, LJN ZC0994, NJ 1993/713 (Kempers en Sarper).
Afwijkende opmaaktermijn voor beurs-BV’s
Ten gevolge van de invoering van de Wijzigingswet financiële markten 2014 (Stb. 2013, 487), geldt met ingang van 1 januari 2014 een afwijking voor BV's waarvan de effecten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt als bedoeld in de Wft. Overeenkomstig het bepaalde in art. 5:25c lid 1 Wft dienen beurs-BV's binnen vier maanden na afloop van het boekjaar de jaarrekening en het jaarverslag op te maken en openbaar te maken. Een verlenging van deze termijn is niet mogelijk. Ten gevolge van de Wijzigingswet financiële markten 2015 (Stb. 2014, 472), geldt met ingang van 1 januari 2015 een uitzondering op de termijn van vier maanden voor de in art. 5:25g lid 2 en 3 Wft bedoelde uitgevende instellingen. Dit zijn instellingen die uitsluitend obligaties of andere effecten zonder aandelenkarakter hebben uitgegeven met een nominale waarde van ten minste € 100.000. Is de instelling al vóór 31 december 2010 toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt in de EU dan volstaat een nominale waarde van ten minste € 50.000.
Ter inzage leggen jaarrekening en toezending
De jaarrekening moet voor de aandeelhouders ter inzage liggen op het kantoor van de BV. Hiervan zijn uitgezonderd de van de publicatieplicht vrijgestelde vennootschappen; art. 2:396 lid 6 en art. 2:403. In geval van een structuur-BV zendt het bestuur de jaarrekening toe aan de in art. 2:268 lid 11 bedoelde ondernemingsraad.
3. Ondertekening jaarrekening (lid 2)
Het bestuur is belast met het opmaken van de jaarrekening; lid 1. Ook al wordt feitelijk een van de bestuurders met de uitvoering van deze taak belast, blijven desondanks alle bestuurders verantwoordelijk. Dit blijkt ook uit het feit dat alle bestuurders die op het moment van het opmaken van de jaarrekening in functie waren, de jaarrekening moeten ondertekenen. Daarmee geven zij aan kennis te hebben genomen van de opgemaakte jaarrekening en met de inhoud ervan in te stemmen. De heersende leer lijkt te zijn dat de ondertekening van de jaarrekening geen constituerend element is van het opmaakproces, maar een handeling die daarna komt; vgl. Asser/Kroeze 2-I 2021/560. Indien de BV een RvC heeft ingesteld, dienen naast de bestuurders ook de in functie zijnde commissarissen, als blijk van het gevoerde toezicht, de door het bestuur opgemaakte jaarrekening te ondertekenen.
Ontbreken handtekening
Bij het ontbreken van een handtekening van een bestuurder of commissaris, is de BV verplicht de reden daarvan op te nemen in de jaarrekening. Deze redengeving is vooral ten behoeve van de AV die goed geïnformeerd de jaarrekening dient vast te stellen (NMvA EK, Kamerstukken I 2011/12, 31 058, E, p. 19). Is de reden voor de niet-ondertekening dat de functionaris zich niet met de inhoud van de jaarrekening kan verenigen, dan draagt hij daarvoor geen verantwoordelijkheid. Bij een eventuele aansprakelijkstelling uit hoofde van art. 2:249-2:260 kan hij zich disculperen; vgl. art. 2:249, aant. 4. Voor het overige kan slechts een wezenlijke reden de functionaris ontslaan van de ondertekeningsplicht. Mogelijke voorbeelden zijn: het aantreden na afloop van het boekjaar, belet: ziekte of verblijf in het buitenland, en het voorkomen van een vereenvoudigde vaststelling en decharge ex art. 2:210 lid 5. Zie Hezer/De Vries, Ondernemingsrecht 2019/13, in hoeverre hierbij sprake is van een geldige reden om af te zien van ondertekening.
4. Vaststelling jaarrekening (lid 3)
De vaststelling van de jaarrekening behoort tot de bevoegdheden van de AV. Deze bevoegdheid kan niet aan anderen dan de AV worden opgedragen. Zie hierna aant. 5. Voor BV’s waarvan alle aandeelhouders tevens bestuurder zijn, kan de ondertekening van de jaarrekening door alle bestuurders en commissarissen onder bepaalde voorwaarden tevens gelden als vaststelling van de jaarrekening. Zie aant. 6. De AV is niet verplicht de jaarrekening vast te stellen. Niet-vaststelling van de jaarrekening heeft echter gevolgen voor de publicatieplicht (art. 2:394 lid 2) en voor de overlegging van de jaarrekening aan de ondernemingsraad (art. 31a lid 2 WOR). Het niet vaststellen van de jaarrekening laat onverlet de verplichting om opgave bij het handelsregister te doen als bedoeld in art. 2:263 (structuurcriteria).
Geen automatische decharge bestuurder of commissaris
Vaststelling van de jaarrekening leidt niet automatisch tot decharge van bestuurders en commissarissen voor het desbetreffende boekjaar. Daartoe is een expliciete agendering en besluitvorming inzake decharge vereist; zie echter art. 2:224 lid 2. Dit bevordert het afleggen van verantwoording door bestuurders en commissarissen aan de AV (MvT, Kamerstukken II 2000/01, 27483, 3, p. 2/3). Een decharge strekt zich niet verder uit dan tot wat uit de stukken blijkt of anderszins aan de AV bekend is gemaakt. Het moet dus gaan om informatie die in het verband van de AV ter kennis is gebracht. De Hoge Raad verwierp de zienswijze dat de decharge zich ook zou uitstrekken tot dat wat de aandeelhouders redelijkerwijze konden weten dan wel tot dat wat waarop zij, mede gelet op de hun verstrekte informatie, beducht konden zijn; HR 10 januari 1997, LJN ZC2243, NJ 1997/360 (Staleman/Van de Ven). Decharge strekt zich niet uit tot informatie waarover een individuele aandeelhouder buiten de AV om de beschikking heeft gekregen (Winter, Wezeman & Schoonbrood, Van de BV en de NV 2022/111).
Uitzondering in lid 5
Op de regel dat vaststelling van de jaarrekening niet automatisch leidt tot decharge van bestuurders en commissarissen voor het desbetreffende boekjaar is door de Invoeringswet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht in lid 5 een uitzondering aangebracht, indien alle aandeelhouders tevens bestuurder van de BV zijn. Zie hierna aant. 6.
5. Geen statutaire goedkeuringseis e.d. (lid 4 en 6)
De vaststelling van de jaarrekening kan niet aan een ander vennootschapsorgaan dan de AV worden opgedragen. Ook kan dit AV-besluit niet statutair aan de goedkeuring van een ander vennootschapsorgaan of van derden worden onderworpen; lid 4. Evenmin wordt aanvaard een statutaire regeling waarbij aan enig vennootschapsorgaan of aan derden de bevoegdheid wordt gegeven, hetzij om ten aanzien van de jaarrekening voorschriften te geven, hetzij om ten aanzien daarvan bindende voorstellen te doen; lid 5. Aldus wordt voorkomen dat afbreuk kan worden aan een belangrijke bevoegdheid van het bestuur respectievelijk de AV betreffende het opmaken en vaststellen van de jaarrekening (MvT, Kamerstukken II 1998/99, 26 277, nr. 3, p. 9).
6. Alternatieve wijze van vaststelling jaarrekening (lid 5)
Indien alle aandeelhouders tevens bestuurder van de BV zijn, geldt de ondertekening van de jaarrekening door alle bestuurders en commissarissen tevens als vaststelling door de AV in de zin van lid 3. Als voorwaarden gelden dat alle overige vergadergerechtigden in de zin van art. 2:227 lid 2 in de gelegenheid zijn gesteld kennis te nemen van de opgemaakte jaarrekening en met deze alternatieve wijze van vaststelling van de jaarrekening hebben ingestemd. Tenzij de statuten anders bepalen, kan de instemming met deze wijze van besluitvorming langs elektronische weg plaatsvinden; art. 2:238 lid 1. De aldus vastgestelde jaarrekening dient binnen acht dagen door de BV te worden gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel; art. 2:394 lid 1. Door te spreken van ondertekening door alle bestuurders en commissarissen, wordt tot uitdrukking gebracht dat een jaarrekening waarvan de handtekening van een van hen ontbreekt (art. 2:210 lid 2), niet in de zin van lid 3 kan worden vastgesteld (MvT, Kamerstukken II 2006/07, 31058, nr. 3, p. 89). De statuten kunnen deze alternatieve wijze van vaststelling van de jaarrekening uitsluiten.
Decharge bestuurder of commissaris
De alternatieve wijze van vaststelling van de jaarrekening strekt tevens tot decharge van bestuurders en commissarissen voor het desbetreffende boekjaar. Hiermee wordt een uitzondering op de regel in lid 3 aangebracht. Dit acht de wetgever niet bezwaarlijk, omdat het gaat om de situatie waarin alle aandeelhouders tevens bestuurder zijn. Omdat die aandeelhouders samen met de commissarissen zelf de jaarrekening ondertekenen, heeft het voorschrijven van een afzonderlijke beslissing over de decharge, waarbij bestuurders en commissarissen verantwoording afleggen aan de AV, weinig meerwaarde (NEV, Kamerstukken II 2008/09, 31058, nr. 6, p. 39). Dit brengt mee dat een aandeelhouder/bestuurder die geen decharge wil verlenen aan medebestuurders van ondertekening van de jaarrekening moet afzien. Daarnaast biedt art. 2:210 lid 5 de mogelijkheid om deze alternatieve wijze van vaststelling van de jaarrekening in de statuten van de BV uit te sluiten. Hierdoor wordt de ondertekening van de jaarrekening losgekoppeld van de vaststelling van de jaarrekening, waarmee tegelijkertijd ook de koppeling met het verlenen van decharge wordt losgelaten. Niet is voorzien in de mogelijkheid in de statuten op te nemen dat ondertekening van de jaarrekening wel leidt tot haar vaststelling, maar niet tot het verlenen van decharge (NMvA, Kamerstukken I 2011/12, 31058, E, p. 19/20).
Beperkte reikwijdte decharge
Er zij op gewezen dat de reikwijdte van een art. 2:210 lid 5 BW-decharge beperkt is. Zij strekt zich niet uit tot onbehoorlijke taakvervulling die niet kenbaar is uit de jaarrekening. Hiervoor moeten de bestuurders en commissarissen te biecht gaan bij de AV. De AV moet (alsnog) een expliciet dechargebesluit nemen waarbij de onbehoorlijke handelingen waarvoor wordt gedechargeerd, schriftelijk moeten worden vastgelegd.
7. Bevoegdheid tot reservering winst of verwerking verlies (lid 7)
De AV is bevoegd tot bestemming van de winst. De statuten kunnen deze bevoegdheid beperken of toekennen aan een ander orgaan; art. 2:216 lid 1. In overeenstemming hiermee bepaalt lid 7 dat de statuten kunnen bepalen dat een ander orgaan dan de AV de bevoegdheid heeft te bepalen welk deel van het resultaat van het boekjaar wordt gereserveerd of hoe het verlies wordt verwerkt. In de praktijk komt het vooral bij de grotere vennootschappen voor dat een ander orgaan in de zin van art. 2:189a, bijvoorbeeld de RvC, beslist over de reserveringen. Verder kan het vooral in concernverband nuttig zijn de beslissing omtrent de verwerking van een eventueel verlies op te dragen aan een ander orgaan van de BV (MvT, Kamerstukken II 1998/99, 26 277, nr. 3, p. 10). Het door het daartoe bevoegde orgaan genomen besluit betreffende bestemming van de winst respectievelijk verwerking van het verlies wordt verwerkt in de jaarrekening van het boekjaar waarop het betrekking heeft (Huizink, GS Rechtspersonen, art. 2:101 BW, aant. 5.6).
8. Ontheffing om gewichtige redenen (lid 8)
De Minister van Economische Zaken kan desgevraagd om gewichtige redenen ontheffing van de verplichting tot het opmaken, overleggen en vaststellen van de jaarrekening verlenen. Van gewichtige redenen is bijvoorbeeld sprake in het geval dat liquidatie wordt overwogen zodat onzekerheid over de toe te passen waarderingsnormen bestaat (Brink-van der Meer/Snijder-Kuipers, GS Rechtspersonen, art. 2:101 BW, aant. 9), of in het geval van faillissement, omdat van individuele bestuurders niet kan worden gevergd dat zij de kosten dragen voor het opmaken en publiceren van de jaarrekening (Besluit Minister van Economische Zaken 13 augustus 1997, ECLI:NL:XX:1997:AH3157, JOR 1997/113 (Fokker)), of in het geval de administratie van de vennootschap in verband met een strafrechtelijk onderzoek in beslag is genomen (Rb. Arnhem 9 februari 2005, LJN AT6337, JOR 2005/114 (Tradion Investments)). Gelet op art. 2:394 lid 5 brengt de ontheffing tevens ontheffing van de publicatieplicht mee. Wel moet dan een afschrift van de ontheffing bij het handelsregister worden gedeponeerd.
Uitzondering voor beurs-BV
Per 1 januari 2014 is de ontheffingsmogelijkheid voor beurs-BV’s vervallen door de invoering van de Wijzigingswet financiële markten 2014 (Stb. 2013, 487). Door de toevoeging van de tweede zin aan lid 8 is de bepaling nu gelijkluidend aan art. 2:101 lid 7 BW geldend voor de NV. Ook hier geldt dat een ontheffing wel kan worden verleend ten aanzien van de vaststelling van de jaarrekening door een beurs-BV.
Jaarrekening en insolventie
De omstandigheid dat aan de BV (voorlopige) surseance van betaling is verleend, laat de verplichting tot het opmaken, vaststellen en publiceren van de jaarrekening onverlet (De Jong/Nieuwe Weme, Publicatie van de jaarrekening 2006, p. 33). Verdedigd wordt dat de in art. 2:210 neergelegde verplichtingen niet gelden tijdens faillissement (o.a. De Jong/Nieuwe Weme, Publicatie van de jaarrekening 2006, p. 36/37). Anders Winter, Wezeman & Schoonbrood, Van de BV en de NV 2022/112 met betrekking tot het opmaken, vaststellen en publiceren van de jaarrekening over de boekjaren die zijn verstreken vóór het uitspreken van het faillissement.
9. Tijdelijke wet COVID-19
Art. 16 Tijdelijke wet COVID-19 JenV (Stb. 2020, 124) bepaalt met terugwerkende kracht tot en met 16 maart 2020 (Stb. 2020, 126) dat in afwijking van art. 2:210 lid 1 eerste volzin de termijn van vijf maanden voor het opmaken van de jaarrekening met ten hoogste vijf maanden kan worden verlengd door het bestuur. In dat geval heeft de AV geen bevoegdheid tot verlenging. Ingevolge art. 35 lid 3 Tijdelijke wet COVID-19 JenV vervalt art. 16 op 1 september 2020, tenzij de werking bij koninklijk besluit wordt verlengd, wat mogelijk is voor telkens ten hoogste twee maanden. Bij Koninklijk Besluit van 28 november 2022 (Stb. 2022, 477) is de werking laatstelijk verlengd tot 1 februari 2023. Art. 16 Tijdelijke wet COVID-19 JenV is per 1 februari 2023 vervallen.