CRvB, 26-05-2010, nr. 09/3729 WIA
ECLI:NL:CRVB:2010:BM7348
- Instantie
Centrale Raad van Beroep
- Datum
26-05-2010
- Magistraten
Ch. van Voorst, C.P.J. Goorden, A.A.H. Schifferstein
- Zaaknummer
09/3729 WIA
- LJN
BM7348
- Vakgebied(en)
Sociale zekerheid algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:CRVB:2010:BM7348, Uitspraak, Centrale Raad van Beroep, 26‑05‑2010
Uitspraak 26‑05‑2010
Ch. van Voorst, C.P.J. Goorden, A.A.H. Schifferstein
Partij(en)
UITSPRAAK
op het hoger beroep van:
[Appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante)
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 27 mei 2009, 08/1057 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv),
I. Procesverloop
Namens appellante heeft mr. P.J. de Rooij, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft het Uwv bij brief van 10 maart 2010 nadere informatie toegezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2010. Appellante is verschenen bij mr. De Rooij. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H. Nuyens.
II. Overwegingen
1.1.
Op 10 november 2006 heeft de werknemer van appellante [werknemer] een aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend.
1.2.
Bij besluit van 13 december 2006 heeft het Uwv het tijdvak van 104 weken waarover de werknemer recht heeft op loon tijdens ziekte (hierna: de wachttijd) met 52 weken verlengd. Deze verlenging (ook aangeduid als: de loonsanctie) is opgelegd, omdat bij de WIA-aanvraag een compleet re-integratieverslag ontbrak. Het Uwv heeft geconcludeerd dat appellante niet had voldaan aan haar re-integratieverplichtingen. Appellante heeft zich tijdens de wachttijd ten onrechte, zonder deugdelijke grond, op het standpunt gesteld dat er geen mogelijkheden voor de werknemer waren en dat geen re-integratieactiviteiten behoefden te worden verricht ten behoeve van de werknemer bij een andere werkgever (hierna: het tweede spoor). Tegen dit besluit is geen bezwaar ingediend. De beslissing op de aanvraag om uitkering van de werknemer heeft het Uwv opgeschort.
1.3.
Bij besluit van 11 juni 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen een besluit van 3 december 2007, waarbij het verzoek van appellante tot bekorting van de loonsanctieperiode gedateerd 10 mei 2007 — herhaald bij brief van 25 juli 2007 — is afgewezen, ongegrond verklaard.
2.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het door appellante tegen het bestreden besluit ingediende beroep ongegrond verklaard. Dit is gebaseerd op het oordeel dat appellante als werkgeefster aan haar verplichting om het geconstateerde gebrek met betrekking tot de re-integratieactiviteiten te herstellen, niet tijdig heeft voldaan. De rechtbank volgt niet het standpunt van appellante dat zij vóór 3 december 2007 voldoende re-integratieactiviteiten heeft verricht via het tweede spoor, gelet op de houding van de werknemer die niet bereid zou zijn mee te werken aan zijn re-integratie.
3.1.
Wat betreft de door appellante in hoger beroep aangevoerde gronden dat het Uwv de re-integratie-inspanningen slechts marginaal dient te toetsen, dat de beleidsregels beoordelingskader poortwachter onverbindend zijn, dat de duur van de loonsanctie niet is afgestemd op de feiten en omstandigheden van het individuele geval, dat zij steeds de adviezen van haar bedrijfsarts heeft gevolgd en niet aansprakelijk is voor de mogelijke tekortkomingen daarvan en voorts dat het Uwv niet binnen drie weken na zijn verzoek om bekorting heeft beslist, verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 28 oktober 2009, LJN BK1570, en 18 november 2009, LJN BK3713 en BK3717. De Raad ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen reden terzake thans anders te oordelen, zodat deze gronden niet kunnen leiden tot het door appellante gewenste resultaat.
3.2.
De Raad, oordelend over hetgeen appellante voorts tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt dat in geschil is of appellante haar tekortkoming ten aanzien van de re-integratie-inspanningen via het tweede spoor vóór 3 december 2007, de datum waarop op het verzoek om bekorting is beslist, heeft hersteld.
4.
Appellante betwist dat zij, mede gelet op de weinig coöperatieve opstelling van de werknemer, onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Na de mislukte werkhervatting van de werknemer binnen de eigen organisatie, is appellante zich in het derde ziektejaar gaan oriënteren op re-integratie via het tweede spoor door het inschakelen van re-integratiebedrijf Concreet PD op 20 april 2007. Op 10 mei 2007 heeft appellante een melding gedaan als bedoeld in artikel 25, twaalfde lid, van de Wet WIA en daarmee het Uwv verzocht de periode van de loonsanctie te bekorten omdat zij van mening is dat de tekortkoming is hersteld.
5.
Blijkens het bestreden besluit is de conclusie van het Uwv dat de tekortkoming ten aanzien van de re-integratie-inspanningen niet is hersteld, gebaseerd op de arbeidskundige rapportages van 5 juni 2007, 18 oktober 2007 en 6 juni 2008. Het Uwv heeft vastgesteld dat er geen sprake is van plaatsing van de werknemer in passend werk en evenmin van afronding van een volledig en toetsbaar re-integratietraject via het tweede spoor. Weliswaar zijn er gedurende korte tijd re-integratieactiviteiten verricht ten aanzien van het tweede spoor, maar die activiteiten zijn laat ingezet, hebben zich beperkt tot het aanbieden van (een drietal) vacatures tot medio juli 2007, voor welke vacatures de werknemer bovendien niet geschikt is gebleken. Het stopzetten van de loonbetaling aan de werknemer per juli 2007 is volgens het Uwv meer te zien als een maatregel in verband met de financiële problemen van het bedrijf van appellante en later ook als een stap in het arbeidsconflict dat appellante met de werknemer had, dan als een hier relevante prikkel om de werknemer tot werkhervatting te stimuleren.
6.1.
De Raad overweegt als volgt.
6.2.
Gelet op het bepaalde in artikel 25, twaalfde lid, van de Wet WIA ligt het op de weg van appellante om aan te tonen dat zij de tekortkoming ten aanzien van de re-integratie-inspanningen heeft hersteld. Naar het oordeel van de Raad is appellante daarin niet geslaagd. Er is in april 2007, derhalve pas in het derde ziektejaar van de werknemer, nadat de loonsanctie in december 2006 was opgelegd, een re-integratiebureau ingeschakeld dat op 27 april 2007 een trajectplan voor de re-integratie van de werknemer via het tweede spoor heeft opgesteld. Vervolgens zijn op basis van dat trajectplan concrete re-integratieactiviteiten pas in gang gezet in april/mei 2007. Voorts kan worden geconstateerd dat in dat verband vacatures zijn aangeboden waarvan niet is gebleken dat de werknemer daarvoor geschikt is. Integendeel, de concreet aan de werknemer voorgehouden functie van inpakker in een suikerwerkfabriek moet, gelet op het feit dat tijdens het overgrote deel van dat werk moet worden gestaan, als ongeschikt voor de werknemer worden aangemerkt. Reeds op 23 juli 2007 heeft het re-integratiebureau geconcludeerd dat de werknemer onvoldoende meewerkt en dat het bureau zijn energie beter op andere personen kan richten. In feite is daarmee toen het traject door het re-integratiebureau beëindigd, althans niet is gebleken van verdere inspanningen. Met het Uwv is de Raad van oordeel dat deze activiteiten van het re-integratiebureau, en daarmee van appellante, onvoldoende zijn om de hier van belang zijnde tekortkoming hersteld te achten. De Raad kan het Uwv volgen in de uiteenzetting dat appellante te lang heeft gewacht met het inschakelen van een re-integratiebureau en dat met het enkel aanbieden van vacatures, gedurende een zeer beperkte periode, niet adequaat is gehandeld. Niet is gebleken dat appellante zelf op enig moment heeft geprobeerd met haar werknemer contact op te nemen over het hervatten in ander werk. Concrete aansporingen van appellante naar haar werknemer toe om te hervatten in werk ontbreken in het traject na de uitval van de werknemer. Dit terwijl de werknemer vanwege zijn beperkingen moeilijk bemiddelbaar is te achten en gebaat is bij ondersteuning bij het vinden van een passende functie. Appellante en het re-integratiebureau zijn ten onrechte ook niet ingegaan op de mededeling van de echtgenote van de werknemer op 10 juli 2007 dat de werknemer zou willen hervatten bij een met naam genoemd bedrijf in Doesburg. Hieraan doet niet af dat uit de beschikbare gegevens kan worden afgeleid dat het contact met de werknemer niet steeds eenvoudig is geweest. Dat hij vanwege zijn verhuizing niet bereikbaar was betreft een omstandigheid die slechts kort, te weten twee dagen, heeft geduurd waarna contact met de werknemer — zonodig via zijn echtgenote — weer mogelijk was. Voorts is er geen sprake geweest van problematiek bij de werknemer die een onvermogen tot het verrichten van arbeid inhoudt. De (medische) klachten van de werknemer vormen op zich geen reden te concluderen tot afwezigheid van duurzaam benutbare mogelijkheden. Evenmin was er sprake van een situatie waarin van appellante niet meer gevergd kon worden contact op te nemen en te onderhouden met de werknemer.
6.3.
Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv dan ook terecht de conclusie getrokken dat appellante in aansluiting op de wachttijd, beoordeeld tot 3 december 2007, te afwachtend was en dat haar re-integratie-inspanningen in die periode wat betreft het tweede spoor onvoldoende zijn gebleven. Op die grond moet dan ook worden geconcludeerd dat van een herstel van de tekortkoming, die in de loop van de twee jaar ziekteperiode van de werknemer en de aansluitende periode van loonsanctie is ontstaan, geen sprake is. De Raad onderschrijft tevens de conclusie van het Uwv dat appellante voor haar tekortkoming op het vlak van de re-integratie-inspanningen geen deugdelijke grond heeft gehad.
6.4.
Uit hetgeen hiervoor onder 3.1, 3.2 en 6.3 is overwogen volgt dat de Raad — evenals de rechtbank — van oordeel is dat het bestreden besluit, waarbij de weigering om de opgelegde loonsanctie te bekorten is gehandhaafd, in rechte stand kan houden.
7.
De Raad ziet geen aanleiding om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellante.
III. Beslissing
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2010.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) M. Mostert.