Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/4.4.3.5
4.4.3.5 Eigen gezicht/wezenskenmerken type rechtspersoon
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS363611:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Dijk/Van der Ploeg, par. 2.1.
Waarbij in het midden kan blijven of deze verwachtingen worden gecreëerd door één en ander dwingendrechtelijk vast te leggen, of de wet enkel toch al levende rechtsopvattingen vastlegt.
Zie H.J.M.N. Honée, ‘Het ontslag van de bestuurder in wetshistorisch perspectief’, De NV 1999/12, p. 280:, die opmerkt over de wetsgeschiedenis van art. 48d WvK (oud), de voorloper van art. 2:134/244 BW: “De bepaling bevestigt in enigszins andere bewoordingen wat reeds destijds krachtens het Wetboek van Koophandel gold. De toelichting bestempelt de bepaling als “onmisbaar” […] Ik heb de toelichting hier nog eens aangehaald om twee elementen van de zienswijze van de toenmalige wetgever te benadrukken. Het eerste is dat de onmisbaarheid van de bepaling betrokken is op de eigengeaardheid van de relatie tussen de vennootschap en de bestuurder. Dat is een vertrouwensrelatie. Ontbreekt het vertrouwen bij degene die de bestuurder benoemt, dan moet deze aan de relatie steeds en onmiddellijk een einde kunnen maken.” Zie ook par. 4.4.3.5, 9.2.2.4 en 16.3.2.
Zie de considerans bij de Tweede Richtlijn Vennootschapsrecht.
Dit betekent dat de verplichting om nationale NV-bepalingen richtlijnconform toe te passen (zie hierover par. 7.2) mede inhoudt dat de door de Tweede Richtlijn Vennootschapsrecht geharmoniseerde wezenskenmerken van de NV moeten worden gehandhaafd. Dit beperkt de mogelijkheden voor de ondernemingskamer om, als het op de NV aankomt, te komen tot het oordeel dat naar de huidige in Nederland levende rechtsovertuigingen weinig gewicht toekomt aan het dwingendrechtelijke karakter van regels die beogen de wezenskenmerken van de NV vast te leggen.
Van Solinge, ‘Een facelift voor de oude dame?’, Ondernemingsrecht 2014/11.
De wetgever heeft door middel van diverse bepalingen een onderscheid proberen aan te brengen tussen de verschillende rechtspersonen.1 Zo is voor ieder type rechtspersoon een doel in de wet opgenomen, alsmede minimumvereisten waaraan de akte van oprichting moet voldoen. Bovendien heeft de wetgever voor ieder type rechtspersoon een blauwdruk van de organisatie van de rechtspersoon gegeven die deels dwingendrechtelijk van aard is. Dat het de wetgever op dit punt menens was, blijkt wel uit het feit dat art. 2:21 lid 1 sub b en c BW bepaalt dat de rechtbank een rechtspersoon ontbindt, indien de statuten niet aan de eisen der wet voldoen, respectievelijk hij niet aan de wettelijke omschrijving van zijn rechtsvorm voldoet. Blijkens lid vier van art. 2:21 BW dacht de wetgever dat belanghebbenden en het openbaar ministerie in deze gevallen aanleiding zouden zien om een verzoek tot ontbinding bij de rechtbank in te dienen. De wetgever is op dit punt echter bedrogen uitgekomen. Verzoeken op de voet van art. 2:21 BW zijn naar mijn beste weten uitermate schaars.
Het gebrek aan enthousiasme bij belanghebbenden en het openbaar ministerie voor de handhaving van de wezenskenmerken van de verschillende typen rechtspersonen betekent echter niet noodzakelijkerwijs dat de ondernemingskamer hiervoor haar ogen zou kunnen sluiten bij het treffen van (onmiddellijke) voorzieningen. Anders dan het preventieve toezicht op de statuten (vgl. par. 4.4.3.3) is art. 2:21 BW nog niet geschrapt. In dit kader speelt ook het volgende.
In par. 4.4.3.4 kwam ter sprake dat de wezenskenmerken van de vennootschap kapitaalmarkten efficiënter kunnen maken. Standaardisatie van aandeelhoudersrechten en -plichten vergroot de verhandelbaarheid van aandelen. Men kan dit argument ook vanuit de rechtszekerheid benaderen. Justitiabelen hebben een bepaald beeld van welke rechten, plichten en bevoegdheden in het kader van de deelrechtsorde aan de verschillende organen zijn toegekend. Het dwingendrechtelijk vastleggen van deze rechten, plichten en bevoegdheden voorkomt dat zij dienaangaande op het verkeerde been worden gezet.2 Dat brengt ook mee dat justitiabelen zich niet in alle details van een vennootschap hoeven te verdiepen, maar erop kunnen vertrouwen dat zij over bepaalde rechten, plichten en bevoegdheden beschikken.
Een voorbeeld daarvan is de ontslagbevoegdheid van de aandeelhoudersvergadering van een vennootschap waarop het structuurregime niet van toepassing is. Deze bevoegdheid is vereist voor het vertrouwen tussen bestuur en aandeelhouders(vergadering), welk vertrouwen bij de codificatie van de ontslagbevoegdheid als “onmisbaar” werd omschreven.3
Dat justitiabelen moeten kunnen vertrouwen op enkele basiselementen van vennootschappen komt ook tot uiting in het EU-recht, bijvoorbeeld in de Tweede Richtlijn Vennootschapsrecht. Deze richtlijn bepaalt enkele “wezenlijke kenmerken” voor de NV en haar evenknieën in de andere lidstaten, alsmede dat deze kenbaar moeten zijn uit de akte van oprichting en statuten.4 Daardoor hebben personen, die (overwegen om te) participeren in een naamloze vennootschap naar het recht van een andere EU-lidstaat, de zekerheid dat deze vennootschap de in de Tweede Richtlijn Vennootschapsrecht vastgelegde wezenlijke kenmerken heeft.5
Een voorzichtige aanzet tot een pleidooi voor een nog meer herkenbare NV is gegeven door Van Solinge.6 In een column vraagt hij zich af of er naast de flexibele BV geen behoefte bestaat aan een NV met een wat strakkere en meer voorspelbare structuur en inrichting.