Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/III.C.10
III.C.10. De auteursrechtelijke vertrouwenspersoon, art. 25 Auteurswet 1912
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS403792:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
A.A. CREUTZBERG,Van auteursrechten en nalatenschappen,WPNR (1988) 5856, p.30. Zie ook G.A. TUINSTRA,Vererving van auteursrechten: de auteur is dood, leve zijn auteursrecht?, EstateTip Review 2006-28 en Vererving van auteursrechten: wie volgt op in volgrecht? EstateTip Review 2006-31, Den Haag: Boom Juridische uitgevers.
In Frankrijk wordt in art. 121-2(2) van de Code de la propriete intellectuelle met zoveel woorden gesproken van 'les executeurs testamentaires designespar l'auteur.', FRANCOIS LETELLIER, L'execution testamentaire, (these Paris II), Parijs: Defrénois 2004, p. 206. Zie over de lotgevallen van de erfgenamen van de schilder Francis Picabia (1879-1953) die elkaar meer dan dertig jaar in de rechtszaal treffen P.A.M.VERREST, L'affaire Picabia: het eeuwige leven voor morele rechten, Informatierecht/AMI april 1998, nr. 4, p. 59-61.
Zie ook art. 5 lid 2 van de Wet op de naburige rechten.
ASSER-PERRICK 6B, Erfrecht en Schenking, Deventer: Kluwer 2005, nr. 527.
In lid1 van art. 25 Auteurswet 1912 is bepaald dat een auteur, zelfs nadat hij zijn auteursrecht heeft overgedragen, nog de zogenaamde 'persoonlijkheidsrechten' heeft, zoals het recht zich te verzetten tegen elke misvorming, verminking of andere aantasting van het werk, dat nadeel zou kunnen toebrengen aan de eer of de naam van de maker van het werk of aan zijn waarde in die hoedanigheid. Wie, afgezien van het bepaalde in art. 3:77 BW, moeite heeft om aan te nemen dat er na het overlijden van erflater nog enige vorm van vertegenwoordiging van erflater plaats kan vinden, doet er goed aan om lid2 van art. 25 lidAuteurswet 1912 te raadplegen:
'De in het eerste lidgenoemde rechten komen, na het overlijden van de maker tot aan het vervallen van het auteursrecht, toe aan de door de maker bij uiterste wilsbeschikking aangewezene' (Curs. BS)
Er is meer. De geest van erflater speelt blijkens lid4 na het overlijden nog steeds een belangrijke rol in het kader van de bevoegdheid om na de overdacht van het auteursrecht nog zodanige wijzigingen in het werk aan te brengen als hem naar de regels van het maatschappelijk verkeer te goeder trouw vrijstaat. Deze bevoegdheid komt echter ook toe aan de auteursrechtelijke vertrouwenspersoon:
'als redelijkerwijs aannemelijk is, dat ook de maker die wijzigingen zou hebben goedgekeurd.'
De gedachte die mij aansprak over de hoedanigheid van deze aangewezen vertrouwenspersoon die na het overlijden van de auteur over de persoonlijkheidsrechten waakt, kwam uit de pen van Creutzberg:1
'Het persoonlijkheidsrecht wordt in dat geval door de aangewezene uitgeoefend uit naam van de auteur' (Curs. BS)
'Uit naam van' de overledene uitoefenen van niet overdraagbare rechten. De aangewezene krijgt, indachtig lid 4 alle vertrouwen van erflater, zelfs op het persoonlijke niet vermogensrechtelijke vlak, met als richtsnoer de geest van erflater. De term executeur wordt hier door de wetgever niet gebruikt.2 Het gaat hier dan ook niet om een executeur in de zin van Boek 4 BW maar om een vertrouwenspersoon met een auteursrechtelijke status aparte. Dit blijkt ook uit art. 4: 97 sub 2 BW waar bepaaldis dat de aanwijzing3 bij codicil kan gebeuren. Dit neemt niet weg dat men ook een executeur bij uiterste wilsbeschikking het beheer van de goederen van de nalatenschap kan ontnemen, en een testamentaire last zou kunnen opleggen als bedoeld in art. 4:144 BW.
Asser-Perrick4 duidt de auteursrechtelijke vertrouwenspersoon aan als bijzondere executeur, als een executeur met een beperkte taak en concludeert vervolgens:
'Deze executeur is geen vertegenwoordiger, doch handelt krachtens eigen recht.'
Mijns inziens wordt bij het trekken van deze conclusie ten onrechte gewor-steldmet het vraagstuk vertegenwoordiging of eigen recht. De vertrouwenspersoon vertegenwoordigt inderdaad de erfgenamen niet, maar wel (de belangen van) erflater. Dit sluit echter het eigen recht van de executeur niet uit. Met dit laatste (eigen recht) wordt alleen maar aangegeven dat hij tegen de wil van de erfgenamen kan handelen bij het uitoefenen van zijn bevoegdheden.
Door de drie-'partijen'verhouding kan eigen recht en vertegenwoordiging nog beter gecombineerd worden. Wat tegen de wil van erfgenamen is, hoeft niet tegen de wil van erflater te zijn.
De problematiek deed mij ook denken aan het oude art. 4:1058 BW waar de executeur gezien werd als een persoon die de geldigheid van de uiterste wil van erflater staande hield. Ook hier stond voor de wetgever het belang en de wensen van erflater voorop en niet primair het belang van de (versterf-)erfge-namen.
In het navolgende onderdeel zal ik onderzoeken in hoeverre de 'omgeving' waarin de executeur zijn opdracht dient uit te voeren van invloed is op zijn handelen. Denk hierbij onder meer aan de positie van de legitimaris, de spelregels van huwelijksvermogensrecht of de verplichte formele vereffening in geval van beneficiaire aanvaarding. Een en ander zal ik concretiseren in het onderdeel waar de vraag behandeld wordt ofde executeur bevoegd is om goederen van de nalatenschap te gelde te maken, waar bijvoorbeeld ingegaan zal worden op de positie van de executeur in geval van faillissement van een erfgenaam.