HR, 05-11-2024, nr. 22/02115
ECLI:NL:HR:2024:1529
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
05-11-2024
- Zaaknummer
22/02115
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1529, Uitspraak, Hoge Raad, 05‑11‑2024; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:870
ECLI:NL:PHR:2024:870, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 03‑09‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1529
- Vindplaatsen
Uitspraak 05‑11‑2024
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02115
Datum 5 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 3 juni 2022, nummer 23-000220-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geldboete van € 700 volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 november 2024.
Conclusie 03‑09‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Snelheidsovertreding. Middel klaagt over verwerping standpunt over bevoegdheid buitengewoon opsporingsambtenaar. Oordeel dat door verdachte geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is gevoerd niet onbegrijpelijk. Ambtshalve opmerking omrent redelijke (behandel)termijn in cassatiefase. Conclusie strekt tot verwerping cassatieberoep.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02115
Zitting 3 september 2024
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1. De verdachte is bij arrest van 3 juni 2022 door het gerechtshof Amsterdam wegens "overtreding van het bepaalde bij artikel 62, bord A 1 van bijlage I, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990", veroordeeld tot een geldboete van € 700,-, subsidiair veertien dagen hechtenis. Daarnaast heeft het hof de verdachte een rijontzegging opgelegd voor de duur van zestig dagen, waarvan 51 voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3. Geklaagd wordt dat het hof ten onrechte in het midden heeft gelaten of de verbalisant bevoegd was tot het opmaken van het proces-verbaal, terwijl de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd dat de buitengewoon opsporingsambtenaar onbevoegd was tot het verrichten van de opsporingshandelingen die aanleiding hebben gegeven tot de vervolging.
4. De verdachte heeft, zo volgt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, het volgende verklaard over de (bevoegdheid van de) buitengewoon opsporingsambtenaar:
“De dame die mij heeft aangehouden is een BOA. Zij heeft mij niet achtervolgd. In mijn optiek heeft zij de meting gestart op het moment dat ik al 800 meter voor haar reed. Om mij staande te kunnen houden, heeft zij 160 kilometer per uur moeten rijden om zo de afstand tussen mij en haar te overbruggen. In mijn binnenspiegel heb ik haar zien komen aanrijden. Dat was met grote snelheid. Ik kan zelf die snelheid niet hebben gereden. Bovendien betreft het hier een BOA. Zij heeft helemaal geen bevoegdheid om iemand op deze wijze te achtervolgen. Ik ben in hoger beroep gegaan uit principe en omdat ik geen aantekening wil op mijn strafblad."
5. Het hof heeft mondeling arrest gewezen. In de aantekening van het mondelinge arrest is met betrekking tot het door de buitengewoon opsporingsambtenaar opgemaakte proces-verbaal (onder het kopje “Ter terechtzitting gevoerd verweer”) als volgt overwogen:
“In het proces-verbaal van overtreding wordt gerelateerd dat over een afstand van 1100 meter (en met een meetafstand van 150 meter) de snelheid is gemeten. Het betreft een ambtsedig opgesteld proces-verbaal en het hof heeft geen reden om aan te nemen dat dit proces-verbaal onjuist zou zijn.”
De bespreking van het middel
6. Het hof heeft geen separate bewijsoverweging gewijd aan de bevoegdheid van de buitengewoon opsporingsambtenaar die het proces-verbaal heeft opgemaakt. Kennelijk heeft het hof hetgeen daaromtrent door de verdachte is aangevoerd niet als een zelfstandig responsieplichtig standpunt aangemerkt. Dat is mijns inziens niet onbegrijpelijk. Door de verdachte is op dit punt namelijk alleen naar voren gebracht dat de buitengewoon opsporingsambtenaar “helemaal geen bevoegdheid [had] om iemand op deze wijze te achtervolgen.” Een nadere onderbouwing van dit standpunt ontbreekt en niet duidelijk is gemaakt waartoe die onbevoegdheid dient te leiden. Om deze redenen moet het middel (reeds) falen.
Slotsom
7. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
8. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat in cassatie de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM, is overschreden. Gelet op de hoogte van de aan de verdachte opgelegde geldboete, te weten een geldboete waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte minder dan € 1.000 beloopt, kan worden volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
9. Ik heb geen andere ambtshalve gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG