HR, 06-10-2023, nr. 21/05420, nr. 21/05421
ECLI:NL:HR:2023:1373
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
06-10-2023
- Zaaknummer
21/05420
21/05421
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 06‑10‑2023
ECLI:NL:HR:2023:1373, Uitspraak, Hoge Raad, 06‑10‑2023; (Herziening)
Aanvraag tot herziening van: ECLI:NL:HR:2021:1729
Aanvraag tot herziening van: ECLI:NL:HR:2021:49
Aanvraag tot herziening van: ECLI:NL:HR:2021:50
- Vindplaatsen
NDFR Nieuws 2023/1404
V-N 2023/45.17 met annotatie van Redactie
NLF 2023/2285
NTFR 2023/2007 met annotatie van mr. drs. C. Presilli
Viditax (FutD) 2023100605
FutD 2023-2599
Beroepschrift 06‑10‑2023
24 december 2021
Hoge Raad Der Nederlanden
Korte Voorhout 8
2500E H Den Haag
eiser tot cassatie
[X]
Herziening Arrest 24 december 2021
Edelhoogachtbare Vrouwe/ heer
eiser tot cassatie [X]. Verder eiser casssatie te noemen. Verzoek om herziening van uw arrest 24 december 2021. op grond van conform;
‘Wetboek van Strafrecht artikel 96 samenspannen van uw Hogeraad leden en wraking kamer leden. M r. V van den Brink -T.H Tanja van Den Broek en F.J.P Lock .
alsmede op grond van medeplichtigheid conform Wetboekvan Strafrecht artikel 48 van uw griffiers m r Mudde en mr Woller -welie. Met verweerder staatssecretaris van financiën. ten einde rechtsbelemmeringen van uw leden Hoge Raad Der Nederlanden. Met betrekking tot recht op vrijstelling inkomstenbelasting uit werk en woning. Conform Arrest Hoge Raad Der Nederlanden, alle slachtoffers van Letselchade {Beroepsziekte ] zijn vrijgesteld van inkomsten belastingen vanuit werk en woning.
Met inachtneming dat Wetboek van Strafrecht .ver boven gestelde Algemene Wet Bestuursrecht gaat.’
Eiser Cassatie heeft volledig ,conform stelplicht Burgerlijke Rechtsvordering artikel 150 Sr / artikel 24 S r Jo / artikel 149 S r eerste lid, voldaan.
Dat eiser cassatie [X] sinds 23 april 2001 als slachtoffer van Letselschade beroepsziekte. Recht heeft conform Arrest Hoge Raad Der Nederlanden
op volledige vrijstelling inkomstenbelastingen vanuit werk en woning.
Voor recht bewezen , stelt Arrest Hoge Raad Der Nederlanden geen aanvullende eisen met betrekking tot .welke verzekering maatschappij de uitkering verstrekt.
Voor recht bewezen is ook overheid orgaan UWV Nederland een verplichte verzekering maatschappij. Voor alle werknemers van Nederland. De door het UWV verstrekte uitkering als direct gevolg van oplopen Letselschade bij aansprakelijke werkgever [A] kantoor houdend heden te [Q]. Maakt dit niet anders. UWV Nederland is verwijtbaar nalatig in gebreken gebleven door ten onrechte. niet de verstrekte Letselschade uitkeringen vanaf 15 februari 2000 niet op wederpartij [A] rechtens te vorderen.
Ook ten onrechte ingehouden inkomsten belastingen eiser Cassatie had UWV
op wederpartij werkgever [A] terug moeten vorderen.
De teruggevorde inkomstenbelasting Letselschade eiser cassatie [X] waren dan terecht naar de belasting dienst overgedragen. Zelfde grondslag geld voor uitkeringen van ASR Utrecht, ook rechtens bewezen onder het Arrest Hoge Raad Der Nederlanden vallend. Vrijstelling inkomstenbelasting uit werk en woning.
Eiser casssatie heeft op grond van samenspannen leden Hoge Raad Der Nederlanden en leden Wraking kamer conform Wetboek van Strafrecht artikel 96 en 48.
met verweerder Staatssecretaris financieen. Voor onrechtmatige arresten verzoht om Pre Judiciele vraagstelling over het Arrest Hoge Raad Der Nederlanden vrijstelling inkomsten belasting uit werk en woning voor alle slachtoffers van Letselschade.
Stelplicht 150 S r / 24 S r Jo / 149 S r eerste lid ook van toepassing in Bestuursrecht Burgerlijk Wetboek 6 artikel 162.
beroep eiser Cassatie zich op uitspraak Hoge Raad Der Nederlanden. ECLI-NL-HR-2017-18 onrechtmatige daad overheid Belastingdienst Nederland. Eiser cassatie heeft recht op vrijstelling inkomstenbelastingen vanuit werk en woning vanaf 22 april 2001, als slachtoffer van Letselschade.
Eiser cassatie [X] verzoek om cassatie gronden gegrond te verklaren op grond van Arrest Hoge Raad Der Nederlanden. Alle slachtoffers Letselschade zonder overleggen Vast Stelling overeenkomst. Vrijgesteld van inkomstenbelasting uit werk en woning. Met vernietiging van uw arrest 24 december 2021.
Hoogachtend
Eiser tot Cassatie
slachtoffer Letselschade
Uitspraak 06‑10‑2023
Inhoudsindicatie
Verzoek om herziening nadat een eerder herzieningsverzoek niet-ontvankelijk is verklaard. Artikel 8:119, lid 1 Awb.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummers 21/05420 en 21/05421
Datum 6 oktober 2023
ARREST
op de door [X] (hierna: belanghebbende) ingediende verzoeken om herziening van de arresten van de Hoge Raad der Nederlanden van 15 januari 2021, nr. 19/036441.en nr. 19/036692., en van zijn arrest van 24 december 2021, nrs. 21/00227 en 21/002543..
1. De arresten waarvan herziening is verzocht
Bij arrest van 24 december 2021, nrs. 21/00227 en 21/00254, heeft de Hoge Raad de verzoeken van belanghebbende om herziening van zijn arresten van 15 januari 2021, nr. 19/03644 en nr. 19/03669, met toepassing van artikel 80a Wet op de rechterlijke organisatie niet-ontvankelijk verklaard.
Vervolgens heeft belanghebbende opnieuw verzoeken om herziening ingediend. De verzoekschriften zijn aan dit arrest gehecht.
2. Beoordeling van de verzoeken om herziening
2.1
Belanghebbende heeft na het indienen van de verzoeken om herziening verzoeken om wraking ingediend. Bij beslissingen van 29 augustus 2023, respectievelijk nr. 23/025774.en nr. 23/025705., heeft de Hoge Raad de verzoeken om wraking buiten behandeling gesteld en bepaald dat een volgend verzoek om wraking met betrekking tot de zaken met nr. 21/05420 en nr. 21/05421 niet in behandeling zal worden genomen.
2.2
Met betrekking tot de verzoeken om herziening overweegt de Hoge Raad als volgt.
2.3
Voor zover de verzoeken van belanghebbende aldus moeten worden opgevat dat hij verzoekt om herziening van het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021, waarbij zijn eerder gedane verzoeken om herziening van de arresten van 15 januari 2021 niet-ontvankelijk zijn verklaard, heeft het volgende te gelden.
Volgens artikel 29 AWR in samenhang gelezen met artikel 8:119 Awb kan van een arrest van de Hoge Raad als bedoeld in artikel 29e AWR herziening worden gevraagd op grond van feiten of omstandigheden die tot een ander arrest hadden kunnen leiden als bedoeld in artikel 8:119, lid 1, Awb. Zelfs indien sprake zou zijn van dergelijke feiten of omstandigheden, heeft het daarom geen zin om met een beroep daarop te verzoeken om herziening van een arrest dat is gewezen op een verzoek om herziening. Een dergelijk verzoek moet niet-ontvankelijk worden verklaard.6.
2.4
Voor zover de verzoeken van belanghebbende aldus moeten worden opgevat dat hij opnieuw verzoekt om herziening van de arresten van de Hoge Raad van 15 januari 2021, heeft het volgende te gelden.
Als grond voor herziening van een arrest van de Hoge Raad als bedoeld in artikel 29e AWR kunnen op grond van artikel 29 van die wet in samenhang gelezen met artikel 8:119, lid 1, Awb slechts dienen feiten of omstandigheden die hebben plaatsgevonden vóór dat arrest, die tevens bij de indiener van het verzoekschrift om herziening vóór dat arrest niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en die voorts, waren zij bij de Hoge Raad eerder bekend geweest, tot een ander arrest zouden hebben kunnen leiden.
De huidige verzoeken van belanghebbende om herziening behelzen geen feiten of omstandigheden als hiervóór bedoeld. Het gaat daarin slechts om feiten of omstandigheden die belanghebbende vóór de arresten van de Hoge Raad van 15 januari 2021 reeds bekend waren. Daarom moeten de verzoeken in zoverre worden afgewezen.7.
3. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- wijst de verzoeken om herziening af voor zover deze betrekking hebben op de arresten van 15 januari 2021, nr. 19/03644 en nr. 19/03669, en
- verklaart de verzoeken om herziening niet-ontvankelijk voor zover deze betrekking hebben op het arrest van 24 december 2021, nrs. 21/00227 en 21/00254.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2023.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 06‑10‑2023
Zie HR 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5576, rechtsoverweging 2.1.
Zie HR 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5576, rechtsoverweging 2.2.