Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.2.5
IV.2.5 Verwijtbaarheidsstandaard, onrechtmatigheidstoets of totaalconcept?
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460346:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Huizink, in: GS Rechtspersonen, art. 2:9 BW, aant. 26.1, “De uit de aantekeningen 25 blijkende zware maatstaf voor het intreden van aansprakelijkheid heeft mijns inziens betrekking op de toerekening in de zin van art. 6:162 lid 3 BW en niet op de onrechtmatigheidsnorm in art. 6:162 lid 2 BW. Het strenge vereiste ziet op de verwijtbaarheid en kleurt niet de norm van art. 6:162 lid 2 BW in”; Wezeman gaat in zijn annotatie bij Holding Nutsbedrijf Westland er vanuit dat er sprake is van inkleuring van de toerekeningsmaatstaf: Wezeman, Ondernemingsrecht 2007/67, par. 1. Ook Strik leest het arrest Holding Nutsbedrijf Westland zo: Strik 2010, p. 32-33. Strik is zelf voorstander van ernstig verwijt als toerekeningsmaatstaf: Strik 2010 p. 49 e.v.; De Groot 2011/I.C.3.b, “Wat de schuldgradering aangaat, zal het hier veelal gaan om opzet en bewuste roekeloosheid maar ook grove onachtzaamheid. De Hoge Raad stelt immers als vereiste dat het persoonlijk verwijt voldoende ernstig moet zijn.”. Aanvankelijk stond ook Karapetian deze benadering voor, maar ze is na het verschijnen van het X/TMF-arrest daarop teruggekomen: Cf. Karapetian 2015 en Karapetian 2019, p. 38.
HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, NJ 2006/659, m.nt. Wezeman (Ontvanger/Roelofsen), r.o. 3.5.
HR 10 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2243, NJ 1997/360, m.nt. Maeijer; JOR 1997/29 (Staleman/Van de Ven), r.o. 3.3.1.
Huizink, in: GS Rechtspersonen, art. 2:9 BW, aant. 8.2.1 en 8.3.1; Van Schilfgaarde in zijn annotatie (par. 8) onder Hezemans Air, HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628 (concl. A-G Wesseling-van Gent), NJ 2015/21 (Hezemans Air); Schild 2015, par. 2.2; Westenbroek 2016a; Tjittes 2017, p. 377; Strik 2010, par. 2.2.2. Zie voor een kritische analyse van de introductie, rationale en toepassing van het ernstig verwijt-criterium in artikel 2:9 BW, Westenbroek 2017, hoofdstuk-8. Zie ook hierna onder par. IV.3.2.
Zie met verwijzingen naar de relevante jurisprudentie en parlementaire geschiedenis Strik 2009, par. 2.2 en Maeijer in zijn annotatie onder nr. 3, bij HR 4 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3419, NJ 2003/538 (Skipper). Deze nieuwe formulering (‘opzet of bewuste roekeloosheid’) is ook gecodificeerd in artikel 6:170 lid 3 BW en 7:661 BW. Ondanks de andere formulering heeft de wetgever geen wijzigingen beoogd: Kamerstukken II 1987/88, 17 896, nr. 8, p. 28.
Bij deze benadering rijst wel de vraag waarom de maatstaf wordt aangeduid als ernstig verwijt, en niet ‘gewoon’ als opzet of bewuste roekeloosheid.
Naar deze opvatting verwijst Timmerman 2016b, p. 327. Timmerman meent zelf echter dat de ernstig verwijt-maatstaf een samengesteld karakter heeft, en pleit ervoor deze maatstaf te scharen onder zowel de onrechtmatigheidstoets als bij de toerekening.
Strik 2010, p. 33-35.
HR 2 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3535, NJ 2007/240, m.nt. Maeijer; Ondernemingsrecht 2007/5, m.nt. Wezeman; JOR 2007/137, m.nt. Olden (Nutsbedrijf Westland); Karapetian meent dat de Hoge Raad ook in Spaanse Villa en Hezemans Air duidelijk differentieert tussen ernstig verwijt en de benodigde onrechtmatigheid. Karapetian 2019, p. 38.
HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, NJ 2006/659; Ondernemingsrecht 2007/36, m.nt. Wezeman (Ontvanger/Roelofsen).
HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0468, NJ 2009/418, m.nt. Van Schilfgaarde (Eurocommerce) en HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, NJ 2009/21, m.nt. Maeijer & Snijders (Willemsen/NOM).
Zie hieromtrent Strik 2009.
HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:470 (concl. A-G Drijber), NJ 2018/330, m.nt van Schilfgaarde; Ondernemingsrecht 2018/81, m.nt. Lennarts; AA20180502. m.nt. Assink (X/TMF). De omstandigheden van het geval-benadering komt overeen met de invulling die de Hoge Raad in Staleman/Van de Ven, geeft aan het ernstig verwijt-criterium in de context van 2:9 BW aansprakelijkheid. Staleman/Van de Ven, r.o. 3.3.1. De Hoge Raad geeft daar ook een niet-limitatieve lijst van omstandigheden die een rol kunnen spelen.
HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:470 (concl. A-G Drijber), NJ 2018/330, m.nt van Schilfgaarde; Ondernemingsrecht 2018/81, m.nt. Lennarts; AA20180502. m.nt. Assink (X/TMF), r.o. 3.3.2.
HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:470 (concl. A-G Drijber), NJ 2018/330, m.nt van Schilfgaarde; Ondernemingsrecht 2018/81, m.nt. Lennarts; AA20180502. m.nt. Assink (X/TMF), r.o. 3.3.3.
Assink 2013b, p. 565-580, zie onder nr. 8; Slagter/Assink 2013, p. 1036-1039 en 1134-1135; Assink 2018, p. 508-509; Timmerman 2016b, par. 6 en herhaald in Timmerman 2016b, p. 327. Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/200. Instemmend, Olden 2013, nr. 20.
De naam van de ‘ernstig verwijt’-maatstaf doet vermoeden dat het gaat om een verwijtbaarheidstoets. Er zijn auteurs die hebben verdedigd dat de Hoge Raad met de ernstig verwijt-maatstaf nader invulling geeft aan de verwijtbaarheid die nodig is voor de toerekening van een onrechtmatige daad krachtens schuld in de zin van artikel 6:162 lid 3 BW.1 Op het eerste gezicht is dit een welgekozen uitleg van de ernstig verwijtmaatstaf: dit is niet alleen een logische grammaticale interpretatie van de aanduiding voor het ernstig verwijt-criterium, maar ook rechtshistorisch gezien ligt deze uitleg voor de hand.
In het Ontvanger/Roelofsen-arrest oordeelt de Hoge Raad namelijk dat voor de aansprakelijkheid van bestuurders op grond van een onrechtmatige daad, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt nodig is.2 De ‘ernstig verwijt’-maatstaf in artikel 2:9 BW waarnaar de Hoge Raad verwijst, is een codificatie van de regel uit het Staleman/Van de Ven arrest.3 In dat arrest heeft de Hoge Raad de toets voor bestuurdersaansprakelijkheid in de zin van artikel 2:9 BW gelijkgetrokken met de toets die gold in het oude BW voor de aansprakelijkheid van werknemers jegens hun werkgevers.4 Onder het ‘ernstig verwijt’ dat nodig is voor werknemersaansprakelijkheid, werd begrepen dat er bij de werknemer ‘opzet of bewuste roekeloosheid’ aanwezig moest zijn.5 Zo bezien kan het ‘ernstig verwijt’ worden gekarakteriseerd als een gekwalificeerd schuldverband.6 De bescherming van de bestuurder krijgt dan vorm door middel van strengere eisen in het kader van de toerekening van een onrechtmatige gedraging aan de bestuurder op grond van schuld.
Een andere interpretatie van de ernstig verwijt-maatstaf houdt in dat er geen sprake is van een gekwalificeerde verwijtbaarheidstoets in het kader van 6:162 lid 3 BW, maar dat de Hoge Raad de maatstaf heeft ingebed in het onrechtmatigheidsoordeel van artikel 6:162 lid 2 BW.7 Dan krijgt de aanvullende bescherming van bestuurders tegen aansprakelijkheid gestalte door een verhoging van de drempel die geldt voor een ‘onrechtmatige daad’ in de enge zin van het woord.
Dus waar moet de ernstig verwijt-maatstaf dogmatisch gezien worden geplaatst? Strik merkt op dat er in de jurisprudentie van de Hoge Raad tussen 2006 en 2009 geen vast kader bestond voor het gebruik van deze maatstaf, en dat de Hoge Raad verwarrende en gemengde signalen afgeeft.8 In het Holding Nutsbedrijf Westland-arrest lijkt de Hoge Raad het ernstig verwijt-criterium uit te leggen in de sleutel van toerekenbaarheid,9 in Ontvanger/Roelofsen-arrest wijst hij juist in de richting van onrechtmatigheid,10 en weer in andere arresten blijft de inbedding in het midden.11 Zelf pleit Strik voor de inbedding van de ernstig verwijt-maatstaf in de toerekeningsmaatstaf.12
In recentere jurisprudentie lijkt de Hoge Raad ervoor te kiezen om het ernstig verwijt-criterium zówel met toerekening als met onrechtmatigheid in verband te brengen.13 De Hoge Raad overweegt in dat arrest eerst dat:
“[h]et antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, afhankelijk [is] van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval”14 [curs. TRB]
En vervolgens dat:
“[u]it het persoonlijke karakter van het ernstige verwijt dat de bestuurder moet kunnen worden gemaakt, volgt dat voor het aannemen van aansprakelijkheid (..) voor iedere bestuurder afzonderlijk moet worden vastgesteld dat hij in zijn hoedanigheid onrechtmatig heeft gehandeld en dat dit handelen (waaronder is begrepen nalaten) aan hem kan worden toegerekend.”15 [curs. TRB]
Voor deze benadering werd al lange tijd gepleit door Assink en later ook Timmerman.16 Zij zien de ernstig verwijt-maatstaf als een ‘totaalconcept’. Dit totaalconcept zou zowel elementen bevatten van zowel de onrechtmatigheid van de gedraging als de toerekenbaarheid van de gedraging. In paragraaf IV.2.7 ga ik nader in op de verhouding van de ernstig verwijt-maatstaf tot de vereisten van artikel 6:162 BW.