De woon- en vestigingsplaats in de BTW
Einde inhoudsopgave
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/III.0:III.0 Introductie
Archief
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/III.0
III.0 Introductie
Documentgegevens:
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx, datum 10-05-2011
- Datum
10-05-2011
- Auteur
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx
- JCDI
JCDI:ADS397623:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Omzetbelasting / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Internationaal belastingrecht / Voorkoming van dubbele belasting
Omzetbelasting / Plaats van levering en dienst
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In deel II is aandacht besteed aan de invulling van de woon- en vestigingsplaats in het positieve recht. Hoewel het accent ook in dat deel heeft gelegen op de omzetbelasting, wordt in dit deel nog meer specifiek ingegaan op de invulling van de vier vestigingsplaatsvormen – zetel van bedrijfsuitoefening, vaste inrichting, woon- en gebruikelijke verblijfplaats – en wordt een antwoord gezocht op de daarover in deel II gerezen vragen. Bij deze invulling en de beantwoording van de vragen wordt het in deel II besproken positieve recht in verband gebracht met de in deel I besproken uitgangspunten die aan de verdeling van heffingsbevoegdheden in de omzetbelasting ten grondslag liggen. In deel III zal worden ingegaan op:
De invulling van de vestigingsplaatsvorm zetel van bedrijfsuitoefening voor belastingplichtigen en niet-belastingplichtigen, zowel vanuit de door het Hof van Justitie in de zaak Planzer Luxembourg1 voorgestelde uitleg als de uit de in paragraaf 4.2 besproken richtlijn(voorstellen) volgende aanknoping bij de werkelijke bedrijfsuitoefening.
De invulling van de vestigingsplaatsvorm vaste inrichting zoals dit in de in paragraaf 4.3.2 en 5.3.2 besproken jurisprudentie aan de orde is gekomen.
De vraag of een passieve vestiging van een belastingplichtige als vaste inrichting kan worden aangemerkt.
De vraag of een niet-belastingplichtige een vaste inrichting kan hebben.
Het begin en einde van een vaste inrichting.
De toerekening van een prestatie aan de zetel van bedrijfsuitoefening of een vaste inrichting bij toepassing van zowel art. 44 als art. 45 btw-richtlijn (tekst vanaf 2010).
De toepassing van de verleggingsregeling en in het bijzonder art. 192bis btw-richtlijn (tekst vanaf 2010).
De invulling van de vestigingsplaatsvormen woon- en gebruikelijke verblijfplaats.
De wijze waarop kan worden omgegaan met de situatie waarin bij de dienstverrichter de schijn is gewekt dat sprake is van een vestiging van de afnemer in een ander land dan zijn eigen land.
In hoofdstuk 7 zal aandacht worden besteed aan de woon- en vestigingsplaats van de dienstverrichter. Vervolgens worden zij in hoofdstuk 8 vanuit het oogpunt van de afnemer opnieuw in ogenschouw genomen.