De exhibitieplicht
Einde inhoudsopgave
De exhibitieplicht (BPP nr. X) 2010/14.2:14.2 Verzoeken op grond van het Haags Bewijsverdrag
De exhibitieplicht (BPP nr. X) 2010/14.2
14.2 Verzoeken op grond van het Haags Bewijsverdrag
Documentgegevens:
mr. J. Ekelmans, datum 02-12-2010
- Datum
02-12-2010
- Auteur
mr. J. Ekelmans
- JCDI
JCDI:ADS378292:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Freudenthal 2007, p. 148.
Zie: rapport 2003 Special Committee § 29 e.v. en rapport 2009 Special Commitee § 34 te vinden op:
HR 11 maart 1994, NJ 1995, 3, r.o. 3.4(Kilbarr /Holland & Teeuwen).
Zie nader over pre-trial discovery of documents: Hoogeveen 2005, p. 678 e.v.
Van der Korst 2007, p. 125.
Sijmonsma 2010, p. 62.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De mogelijkheid bescheiden op te vragen zou zich allereerst voor kunnen doen op grond van het Haags Bewijsverdrag. Op grond van dit verdrag kunnen buitenlandse rechters de Nederlandse rechter verzoeken om ten behoeve van hen aan verkrijging van bewijs mede te werken. Die verplichting om aan bewijslevering mede te werken is echter niet onbeperkt: elke verdragsluitende staat kan op grond van art. 23 van het verdrag verklaren dat hij geen medewerking geeft aan verzoeken die in de staten waar de Common Law geldt bekend zijn als "pre-trial discovery of documents". Deze mogelijkheid is opgenomen op suggestie van het Verenigd Koninkrijk. Dat had reserves bij de vergaande bevoegdheden van Amerikaanse advocaten om in de pre-trial fase gegevens te achterhalen en wees in het bijzonder op het gevaar dat industriële spionage kon worden bedreven.1
Dit voorbehoud is ongelukkig geformuleerd, omdat het de suggestie wekt dat aan verzoeken in het kader van pre-trial discovery of documents nimmer gevolg gegeven zou moeten worden. Zo'n vergaande strekking is evenwel niet beoogd: beoogd is dat te ruim verwoorde verzoeken afgewezen zouden kunnen worden. Aldus de Special Commission van een groot aantal experts uit bij het Verdrag aangesloten landen die periodiek bijeenkomt om vragen over uitleg en uitvoering te bespreken.2 De Special Commission heeft de aangesloten landen dan ook in overweging gegeven om bij de formulering van een eventueel voorbehoud aansluiting te zoeken bij de formulering van het voorbehoud ingediend door het Verenigd Koninkrijk, initiator van art. 23. Nederland is één van de landen die aan deze suggestie gevolg heeft gegeven door onder pre-trial discovery of documents niet elk verzoek dat als zodanig kwalificeert te begrijpen, maar dit begrip nader in te perken door daaronder slechts te begrijpen:
"toute commission rogatoire exigeant d'une personne:
a. d'indiquer quels documents pertinents pour la procédure a laquelle se rapporte la commission rogatoire sont ou ont été en sa possession, garde ou pouvoir; ou
b. de produire tous les documents autres que les documents particuliers specifiés dans la commission rogatoire comme étant des documents qui, pour le tribunal saisi, sont ou vraisemblablement sont en sa possession, garde ou pouvoir."
Die verklaring sluit dan ook niet elk verzoek tot verstrekken van bescheiden uit, maar slechts de in het voorbehoud omschreven verzoeken met (te) ruime strekking. Voldoet het verzoek aan het bepaalde in art. 843a Rv, dan kan het wel beoordeeld worden. Blijkens artikel 9-11 en 12 lid 1 onder a van het Verdrag reikt de rogatoire commissie niet verder dan hetgeen - kort gezegd - met toepassing van de regels van het nationale recht van de aangezochte Staat voor verwezenlijking vatbaar is.3 Naarmate de vereisten, waaraan naar Nederlands recht moet worden voldaan, soepeler worden, wordt het verschil met de eisen naar - bijvoorbeeld - Amerikaans recht geringer.4 Van der Korst merkt dan ook op dat de beperking ten aanzien van pre-trial discovery niet logisch is en vooral niet houdbaar nu de mogelijkheden naar Nederlands procesrecht voor het opvragen van bescheiden sedert 1 januari 2002 zijn uitgebreid.5 Voor zover dat aldus verstaan moet worden, dat het voorbehoud als ongeschreven moet worden aangemerkt, gaat de opmerking te ver. Voor zover dat aldus begrepen moet worden, dat de betekenis van het voorbehoud mettertijd afneemt, is de opmerking juist en heeft het voorbehoud - aldus ook Sijmonsma6 - nog maar weinig betekenis.