Het stuk houdt in dat het enkel per e-mail wordt verstuurd.
HR, 07-04-2026, nr. 24/00160
ECLI:NL:HR:2026:563
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
07-04-2026
- Zaaknummer
24/00160
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:563, Uitspraak, Hoge Raad, 07‑04‑2026; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:111
ECLI:NL:PHR:2026:111, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 10‑02‑2026
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:563
- Vindplaatsen
Uitspraak 07‑04‑2026
Inhoudsindicatie
Medeplegen diefstal, art. 311.1.4 Sr. Hof heeft verdachte n-o verklaard in zijn hoger beroep, omdat het (1 dag) te laat is ingesteld, nu akte instellen h.b. 1 dag na appeltermijn is opgemaakt en niet is gebleken dat e-mailbericht met schriftelijke bijzondere volmacht tot instellen h.b. vóór 17:00 uur van laatste dag van appeltermijn bij griffie Rb is binnengekomen, art. 408.1.a Sv. Ontvankelijkheid h.b., moment van ontvangst van volmacht. HR: art. 81.1 RO.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/00160
Datum 7 april 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 januari 2024, nummer 21-001529-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M.I. L'Ghdas bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
3.1
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden.
3.2
De klacht tegen de niet-ontvankelijkverklaring door het hof van het door de verdachte ingestelde hoger beroep leidt niet tot cassatie. De Hoge Raad acht ook geen grond aanwezig waarop dat oordeel ambtshalve zou moeten worden vernietigd. Daarom moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat het hof het namens de verdachte ingestelde hoger beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, zodat het vonnis in eerste aanleg onherroepelijk is geworden. Bij deze stand van zaken kan de omstandigheid dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het hof.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 april 2026.
Conclusie 10‑02‑2026
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Diefstal in vereniging. Hof heeft verdachte n-o verklaard in zijn h.b. omdat het een dag te laat is ingesteld. Appelakte is dag na aflopen termijn opgemaakt. Hof heeft daaruit afgeleid dat het aan die akte gehechte verzoek tot het instellen van hoger beroep niet op de laatste dag van de termijn vóór sluiting van de griffie is ontvangen. Het middel klaagt daarover tevergeefs. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00160
Zitting 10 februari 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,
hierna: de verdachte
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 3 januari 2024 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle (parketnr. 21-001529-23) niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het vonnis van 13 maart 2023 van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, waarbij de verdachte wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen”, is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met aftrek overeenkomstig art. 27 Sr, en waarbij tevens de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van twee weken is gelast.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M.I. L’Ghdas, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
2. Het middel
2.1
Het middel komt op tegen het oordeel van het hof dat de verdachte niet-ontvankelijk is in het ingestelde hoger beroep.
Het procesverloop
2.2
De stukken van het geding houden het volgende in:
(i) de verdachte is op 13 maart 2023 ter terechtzitting van de politierechter verschenen en veroordeeld;
(ii) blijkens een daarvan opgemaakte akte is op 28 maart 2023 door een (daartoe bijzonder gevolmachtigde) medewerker van de rechtbank namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis;
(iii) aan die akte is gehecht een stuk gedateerd 27 maart 2023 van mr. I. L’Ghdas, dat onder meer inhoudt dat hij namens de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd om een griffiemedewerker bepaaldelijk te volmachtigen om hoger beroep in te stellen.1.
2.3
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 januari 2024 is de verdachte aldaar niet verschenen, maar wel (de uitdrukkelijk gemachtigde) mr. [betrokkene 1] (waarnemend voor mr. M.I. L’Ghdas). Het proces-verbaal houdt voorts in:
“De voorzitter deelt mee dat eerst de ontvankelijkheid van het hoger beroep aan de orde is. De uitspraak van het vonnis was op 13 maart 2023. Blijkens de door de griffie van de rechtbank opgemaakte akte is op 28 maart 2023 hoger beroep ingesteld door de raadsman van de verdachte.
De raadsvrouw voert het woord als volgt:
In de e-mail waarbij het hoger beroep is ingesteld, is door mijn collega de datum 27 maart 2023 opgenomen. Ik ga er derhalve vanuit dat op 27 maart 2023 tijdig hoger beroep is ingesteld, maar dat de akte pas op 28 maart 2023 door de griffie is opgemaakt.
De voorzitter vraagt de raadsvrouw of de e-mail op 27 maart 2023 vóór 17:00 uur is verstuurd.
De raadsvrouw vraagt een korte onderbreking van de zitting zodat zij dit na kan vragen op haar kantoor.
De zitting wordt kort onderbroken.
Na hervatting van de zitting voert de raadsvrouw het woord als volgt:
Ik kan niet aantonen dat er tijdig hoger beroep is ingesteld. Maar mijn standpunt is dat er wel tijdig hoger beroep is ingesteld, namelijk op 27 maart 2023.
De advocaat-generaal voert het woord als volgt:
Wij mogen er vanuit gaan dat degene die de appèlakte opmaakt dit ten spoedigste doet. De datum van de e-mail betekent niet dat het op die datum tijdig is ingestuurd. De akte geeft aan dat er op 28 maart 2023 hoger beroep is ingesteld. Dat is één dag te laat. Ik vorder daarom de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep.
De raadsvrouw voert het woord als volgt:
Dat de akte op 28 maart 2023 is opgemaakt wil niet zeggen dat het hoger beroep niet tijdig is ingesteld.
Het hof trekt zich terug voor beraad.
Na beraad verklaart de voorzitter het onderzoek gesloten en deelt hij als beslissing van het hof het volgende mee:
Verdachte kon volgens de wet gedurende veertien dagen na de uitspraak van het vonnis (13 maart 2023) daartegen hoger beroep instellen. Het hoger beroep kon dus uiterlijk op 27 maart 2023 worden ingesteld. Blijkens de door de griffie van de rechtbank opgemaakte akte is pas op 28 maart 2023 hoger beroep ingesteld door de raadsman van de verdachte.
De raadsvrouw heeft ter zitting van het hof aangevoerd dat in de e-mail waarbij het hoger beroep is ingesteld, door haar collega de datum 27 maart 2023 is opgenomen. Zij gaat er derhalve vanuit dat op 27 maart tijdig hoger beroep is ingesteld, maar dat de akte pas op 28 maart 2023 door de griffie is opgemaakt. Een bewijsstuk waaruit het tijdig instellen van het rechtsmiddel blijkt, heeft de raadsvrouw - na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld - niet overgelegd.
Een appèlakte kan slechts op een bepaalde dag worden opgemaakt indien het hoger beroep wordt ingesteld binnen de openingstijden van de griffie. Indien een e-mail betreffende het instellen van hoger beroep na sluitingstijd van de griffie binnenkomt, wordt de appèlakte conform de hiervoor gelden werkinstructies op de datum van de eerstvolgende werkdag opgemaakt. Binnen het strafrecht zijn de openingstijden van de griffie van maandag tot en met vrijdag van 8:30 uur tot 17:00 uur.
Nu de appelakte is opgemaakt op 28 maart 2023, stelt het hof vast dat de e-mail voor instellen van het hoger beroep niet voor 17:00 uur van de laatste dag van de appeltermijn bij de griffie van de rechtbank is binnengekomen en dat de griffie hiervan op 28 maart 2023 (de volgende werkdag) een akte heeft opgemaakt.
Het hoger beroep is derhalve één dag te laat ingesteld. Het hof verklaart daarom de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”
Het beoordelingskader
2.4
In art. 408 lid 1, aanhef en onder a, Sv is bepaald dat het hoger beroep moet worden ingesteld binnen veertien dagen na de einduitspraak als de verdachte op de terechtzitting of nadere terechtzitting is verschenen. Blijkens de stukken is de verdachte op de terechtzitting van de rechtbank van 13 maart 2023 verschenen. Daarom had het hoger beroep uiterlijk op 27 maart 2023 moeten worden ingesteld.
2.5
Bij de beantwoording van de vraag of in dit geval op 27 maart 2023 of 28 maart 2023 hoger beroep is ingesteld is van belang dat in strafzaken niet de verzendtheorie, maar de ontvangsttheorie wordt gehuldigd.2.Dat betekent dat niet het moment van verzending, maar het moment van ontvangst bepalend is voor de vaststelling of een rechtsmiddel tijdig is ingesteld.
2.6
Voorts is van belang hetgeen het arrest van de Hoge Raad van 5 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:308 inhoudt:
“Volgens art. 449 in verbinding met art. 450 Sv wordt, voor zover hier van belang, hoger beroep ingesteld door een verklaring, af te leggen door degene die het rechtsmiddel aanwendt of een door hem daartoe gevolmachtigde, op de griffie van het gerecht door of bij hetwelk de beslissing is gegeven, van welke verklaring ingevolge art. 451 Sv door de griffier een akte wordt opgemaakt. De mogelijkheid om door het afleggen van zo een verklaring een rechtsmiddel aan te wenden is gebonden aan de uren waarop de griffie van het gerecht ingevolge het daarop betrekking hebbende reglement geopend is of geopend behoort te zijn. Dit brengt mee dat een per e-mailbericht verzonden schriftelijke volmacht als bedoeld in art. 450 Sv aan een griffiemedewerker tot het voor de verdachte aanwenden van een rechtsmiddel slechts dan kan worden aangemerkt als binnen de beroepstermijn ingediend, indien deze volmacht ter griffie is binnengekomen vóór sluiting van de griffie op de laatste dag van deze termijn. (Vgl. HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:231.)”
2.7
Kort daarna, in zijn conclusie van 11 juni 2019, ECLI:NL:PHR:2019:520, heeft A-G Harteveld nog een uiteenzetting gegeven van het relevante toetsingskader en de daarbij horende rechtspraak. Hij schreef onder meer (met weglating van voetnoten):
“De termijnen waarbinnen een rechtsmiddel kan worden ingesteld zijn van openbare orde. Vanuit het oogpunt van rechtszekerheid en het belang van de executie van rechterlijke beslissingen, is het onwenselijk om over de overschrijding van de appeltermijn heen te stappen. Gelet op deze zaaksoverstijgende belangen, kan niet gezegd worden dat de koers van de Hoge Raad overmatig formalistisch (‘unduly formalistic’) is. Bovendien kan een termijnoverschrijding in bijzondere omstandigheden wel degelijk verontschuldigbaar zijn. Zo kan verkeerd verstrekte ambtelijke informatie een gerechtvaardigd vertrouwen wekken dat een langere termijn geldt en is aanvaard dat een psychische stoornis - verschoonbaar - aan het tijdig appelleren in de weg kan staan. Het is dus niet zo dat er geen enkele speling zit in deze rechtspraak. Dat ten aanzien van (cassatie)schrifturen een andere koers wordt gevaren, geeft ook geen reden voor een koerswijziging. Het instellen van een rechtsmiddel vereist de noodzakelijke medewerking van de griffier. In de parlementaire geschiedenis is op dit punt gewezen op een belangrijk verschil met het indienen van een cassatieschriftuur, omdat van de griffier op de voet van art. 452 lid 3 Sv niet méér wordt verlangd dan een aantekening van het dag en uur van de ontvangst op de schriftuur en in een register. Door de openingstijden van de griffie te volgen wordt het mogelijk gemaakt voor de griffie om op diezelfde dag een ‘Akte rechtsmiddel’ op te maken. Daarmee ontstaat duidelijkheid over het al dan niet tijdig indienen van een rechtsmiddel. Dat volgens de raadsman de praktijk soms anders is, doet aan het voorgaande niet af. Tot slot merk ik op dat na een digitalisering(inhaal)slag in de (nabije) toekomst, voorstelbaar is dat de beroepstermijn verruimd zal worden tot 23.59 uur, maar tot die tijd geldt de sluitingstijd van de griffie als uiterste beroepstermijn.”
2.8
Met de “digitaliserings(inhaal)slag in de (nabije) toekomst” doelt Harteveld hoogstwaarschijnlijk op de inwerkingtreding van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (hierna: SvN) en daarmee samenhangende veranderingen.3.In SvN is het instellen van rechtsmiddelen geregeld in art. 5.2.2 SvN: een rechtsmiddel kan worden ingesteld langs elektronische weg, via de post of door mededeling. Het instellen van een rechtsmiddel langs elektronische weg vindt plaats op bij algemene maatregel van bestuur bepaalde wijze. Het is de bedoeling dat het gebruikmaken van een daartoe aangewezen elektronische voorziening (zoals gedefinieerd in artikel 1.1.11 SvN) daarbij een belangrijke rol zal spelen.4.Het “concept Wetsvoorstel tot vaststelling van Boek 5 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering” (Consultatieversie Boek 5 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (Rechtsmiddelen))”5.bevatte in art. 5.2.1.2 lid 5 nog de bepaling dat ingeval het rechtsmiddel met behulp van een elektronische voorziening wordt ingesteld, de dag waarop het bericht in de voorziening is vastgelegd geldt als de dag van instelling van het rechtsmiddel. De memorie van toelichting op dit concept (p. 68) hield in dat bij het instellen van een rechtsmiddel via de elektronische voorziening (of per post) het niet van belang is of de griffie open is op het moment dat het bericht binnenkomt, omdat immers niet meer de fictie wordt gehanteerd dat het de griffiemedewerker is die het rechtsmiddel “als gemachtigde” instelt; dat betekent dat berichten “die op de laatste dag van een lopende termijn vóór 24.00 uur zijn ontvangen”, als binnen de termijn ingediend gelden.6.
2.9
Anders dan in de consultatieversie van Boek 5, is een bepaling die de dag van het instellen of indienen van het rechtsmiddel nader bepaalt vanaf de ambtelijke versie van het wetsvoorstel Wetboek van Strafvordering van juli 20207.niet meer opgenomen. De ambtelijke versie van de memorie van toelichting van juli 20208.houdt hierover in:
“Dat de dag van de mededeling of afgifte respectievelijk de dag waarop de brief het parket of de griffie bereikt als zodanig gelden, spreekt vanzelf. Bij het instellen of indienen langs elektronische weg kan de dag van ontvangst uit het moment van binnenkomen van het bericht worden afgeleid. Indien het instellen of indienen via de elektronische voorziening plaatsvindt, biedt deze ter zake duidelijkheid. Als moment van het instellen of indienen geldt in dat geval het moment waarop het elektronische bericht het systeem voor informatieverwerking heeft bereikt (vgl. het huidige artikel 450, vierde lid; Kamerstukken II 2014/15, 34090, nr. 3, p. 31 en 32). Een wetsbepaling voegt hier weinig toe.”
2.10
In de wet zoals die nu voorligt9., komt dus een bepaling als art. 5.2.1.2 lid 5 uit de consultatieversie niet voor. Dat een rechtsmiddel tijdig is ingesteld als het bericht vóór 24:00 uur is ontvangen, is ook niet opgenomen in de uiteindelijke memorie van toelichting.10.
2.11
Tot slot merk ik op dat art. 2 van het Bestuursreglement van de rechtbank Noord-Nederland van 7 juni 2022 (Stcrt. 2022, 30403) inhoudt dat de griffies van het gerecht van maandag tot en met vrijdag van 8:30 uur tot 17:00 uur zijn geopend.
De beoordeling van het middel
2.12
Het hof heeft vastgesteld dat op 28 maart 2023 hoger is ingesteld, omdat op die dag een akte hoger beroep is opgemaakt. Uit de omstandigheid dat de akte op die dag is gedateerd heeft het hof afgeleid dat het aan de akte gehechte document met het verzoek hoger beroep in te stellen niet op 27 maart 2023 vóór sluiting van de griffie is ontvangen, want – zo redeneert het hof – als het verzoek op 27 maart 2023 tijdens de openingstijden van de griffie was ontvangen, was op dezelfde dag een akte opgemaakt. Gelet op het hiervoor genoemde beoordelingskader getuigt dat oordeel mijns inziens niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk. Uit hetgeen door de verdediging is aangevoerd kan niet worden opgemaakt dat – zoals vereist – het document op 27 maart 2023 vóór 17:00 uur is ontvangen. Ook anderszins blijkt daarvan niet. Dat het – aldus de steller van het middel – gebruikelijk is dat aan de akte de brief van de raadsman wordt gehecht met daarop een stempel van de datum waarop de brief is binnengekomen en dat bovendien het e-mailbericht wordt aangehecht zodat zichtbaar is op welke datum en welk tijdstip de machtiging is ingezonden, maakt dat niet anders. Het hof heeft immers de raadsvrouw in de gelegenheid gesteld die informatie, die in de risicosfeer van de verdachte ligt,11.alsnog aan te leveren, maar zij is daarin niet geslaagd.
2.13
Het middel faalt.
3. Slotsom
3.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
3.2
Ambtshalve merk ik nog het volgende op. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 16 januari 2024. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 van het EVRM is overschreden. Nu de klacht tegen de niet-ontvankelijkverklaring door het hof van de verdachte in het ingestelde hoger beroep mijns inziens niet leidt tot cassatie en er ook geen grond aanwezig is waarop dat oordeel ambtshalve zou moeten worden vernietigd, moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat het hof de verdachte terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in het namens hem ingestelde hoger beroep, zodat het vonnis in eerste aanleg onherroepelijk is geworden. Bij die stand van zaken kan de omstandigheid dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het hof.12.
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 10‑02‑2026
A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 42, onder verwijzing naar HR 1 februari 1977, ECLI:NL:HR:1977:AB6973, NJ 1977/562 en HR 22 november 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC6104, NJ 1978/659. Zie ook HR 24 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:6 en HR 19 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:578.
Vgl. ook de conclusie van A-G Hofstee voor HR 5 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:308, randnr. 25.
Kamerstukken II 2023/2024, 36 327, nr. 11, p. 407-408.
Te raadplegen via https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/nieuw-wetboek-van-strafvordering/documenten. In de in noot 2 genoemde conclusie verwijst A-G Hofstee hiernaar.
Kamerstukken I, 2024/2025, 36 327, C. Art. 5.2.1.2 lid Sv is al niet meer terug te vinden in de Ambtelijke versie juli 2020 van het wetsvoorstel Wetboek van Strafvordering.
Fouten die in de risicosfeer van de verdachte liggen kunnen hem niet baten, vgl. A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 42.
Vgl. HR 6 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2054, NJ 2018/447.