Rechtbank Gelderland 25 juli 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:7032.
HR, 17-01-2025, nr. 24/03476
ECLI:NL:HR:2025:86
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17-01-2025
- Zaaknummer
24/03476
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:86, Uitspraak, Hoge Raad, 17‑01‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1353
ECLI:NL:PHR:2024:1353, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 13‑12‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:86
- Vindplaatsen
GZR-Updates.nl 2025-0103
JGz 2025/17 met annotatie van mr. dr. R.B.M. Keurentjes
Uitspraak 17‑01‑2025
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/03476
Datum 17 januari 2025
BESCHIKKING
In de zaak van
[betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: G.E.M. Later,
tegen
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT OOST-NEDERLAND,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/05/437594/ FA RK 24-2086 van de rechtbank Gelderland van 25 juli 2024.
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.M. Coenraad strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot afdoening op de onder 3.14 in de conclusie voorgestelde wijze.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
Ten aanzien van betrokkene is op 24 juli 2023 een aansluitende zorgmachtiging verleend tot en met uiterlijk 24 juli 2024.
2.2
Bij verzoekschrift van 24 juni 2024 heeft de officier van justitie verzocht om ten aanzien van betrokkene een aansluitende zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden.
2.3
De advocaat van betrokkene heeft de rechtbank meegedeeld dat betrokkene instemt met het verzoek om een zorgmachtiging met de daarin genoemde vormen van verplichte zorg, en een schriftelijke verklaring overgelegd waaruit blijkt dat hij ook de duur van de verzochte machtiging heeft besproken met betrokkene. Betrokkene heeft verzocht om de beslissing op het verzoek te nemen zonder dat het mondeling behandeld wordt.
2.4
Er heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden.
2.5
De rechtbank1.heeft de machtiging verleend voor de verzochte duur van twaalf maanden tot en met uiterlijk 24 juli 2025. In de kop van de beschikking staat als datum van uitspraak 24 juli 2024 vermeld, en aan het slot van de beschikking is opgenomen dat de beschikking is gegeven op 25 juli 2024. Naar aanleiding van een verzoek van de Advocaat-Generaal aan de rechtbank om inlichtingen te geven over de datum waarop de beschikking gegeven is, heeft de behandelend rechter te kennen gegeven dat de datum van de beschikking 25 juli 2024 is.
3. Beoordeling van het middel
3.1
Het middel richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de zorgmachtiging kon worden verleend voor de duur van maximaal twaalf maanden. Het middel klaagt onder meer dat de rechtbank heeft miskend dat ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing de geldende beslistermijn was verstreken en de bestaande zorgmachtiging was vervallen, dat geen sprake was van een aansluitende zorgmachtiging en dat dus geen zorgmachtiging voor de duur van twaalf maanden kon worden verleend.
3.2
Art. 6:5, aanhef en onder a, Wvggz bepaalt, voor zover hier van belang, dat de rechter een zorgmachtiging verleent voor de duur die noodzakelijk is om het doel van verplichte zorg te realiseren, maar maximaal voor zes maanden. Indien het een zorgmachtiging betreft die aansluit op een eerdere zorgmachtiging als bedoeld in art. 6:5, aanhef en onder a, Wvggz, kan de rechter een zorgmachtiging verlenen voor maximaal twaalf maanden (art. 6:5, aanhef en onder b, Wvggz).
3.3
Een zorgmachtiging vervalt indien de geldigheidsduur is verstreken (art. 6:6 lid 1, aanhef en onder a, Wvggz). Indien de officier van justitie een nieuw verzoek voor een zorgmachtiging heeft ingediend voordat de geldigheidsduur, bedoeld in art. 6:5, aanhef en onder a, Wvggz is verstreken, dan wel uiterlijk vier weken voordat de geldigheidsduur, bedoeld in art. 6:5, onderdeel b, Wvggz is verstreken, vervalt de eerdere zorgmachtiging in afwijking van art. 6:6 lid 1, aanhef en onder a, Wvggz echter als de rechter op het verzoekschrift heeft beslist of, voor zover hier van belang, door het verstrijken van de termijn van drie weken na ontvangst van het verzoekschrift (art. 6:6 lid 2 Wvggz in verbinding met art. 6:2 lid 1, aanhef en onder e, Wvggz). Bij inachtneming van deze termijnen is sprake van aansluiting van de vervolgmachtiging op de lopende machtiging als bedoeld in art. 6:5, aanhef en onder b, Wvggz, en kan de vervolgmachtiging voor de duur van maximaal twaalf maanden worden verleend.2.
3.4
Van aansluiting in de in art. 6:5, aanhef en onder b, Wvggz bedoelde zin kan ook sprake zijn indien de officier van justitie het verzoekschrift tot het verlenen van een vervolgmachtiging die aansluit op een zorgmachtiging als bedoeld in art. 6:5, aanhef en onder b, Wvggz, heeft ingediend op een later tijdstip dan de in art. 6:6 lid 2 Wvggz bedoelde vier weken voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de bestaande machtiging. De rechtbank kan in zo’n geval op de voet van art. 6:5, aanhef en onder b, Wvggz een vervolgmachtiging voor de duur van twaalf maanden verlenen door de vervolgmachtiging te verlenen vóór het tijdstip waarop de geldigheidsduur van de bestaande machtiging verstrijkt. De rechtbank dient wel te onderzoeken of de betrokkene, gelet op het tijdstip waarop de officier van justitie het verzoekschrift heeft ingediend, voldoende gelegenheid heeft gehad om zich te verweren.3.
3.5
In dit geval was de lopende zorgmachtiging verleend voor de duur van maximaal twaalf maanden, tot en met uiterlijk 24 juli 2024. De officier van justitie heeft het verzoekschrift voor een vervolgmachtiging ingediend op 24 juni 2024, en dus eerder dan vier weken voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende machtiging. De rechtbank moest vervolgens uiterlijk drie weken na ontvangst van het verzoekschrift (en dus uiterlijk op 15 juli 2024) beslissen (art. 6:2 lid 1, aanhef en onder e, Wvggz). Dat heeft de rechtbank niet gedaan. Daardoor is de lopende machtiging op 16 juli 2024 van rechtswege vervallen.
3.6
Gelet op het vorenstaande voert het middel terecht aan dat de verleende zorgmachtiging niet aansluit op een eerdere zorgmachtiging. De rechtbank kon daarom de zorgmachtiging niet verlenen voor de duur van maximaal twaalf maanden. De klacht slaagt.
3.7
Na het verstrijken van de beslistermijn van art. 6:2 lid 1, aanhef en onder e, Wvggz kan de rechter nog wel beslissen op het verzoek om een zorgmachtiging. De rechter kan dan slechts op de voet van art. 6:5, aanhef en onder a, Wvggz een zorgmachtiging verlenen voor de duur van maximaal zes maanden.4.De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen door de duur van de verleende zorgmachtiging te beperken tot maximaal zes maanden vanaf het moment dat de rechtbank op het verzoek om een zorgmachtiging heeft beslist. Hoewel in de kop van de bestreden beschikking 24 juli 2024 als datum van de uitspraak is vermeld, volgt uit de vermelding aan het slot van de beschikking dat deze op 25 juli 2024 is gegeven. De behandeld rechter heeft ook bevestigd dat de datum van de beschikking 25 juli 2024 is (zie hiervoor in 2.5). Dit betekent dat de geldigheidsduur van de zorgmachtiging zal worden beperkt tot uiterlijk 25 januari 2025.
3.8
De overige klachten kunnen onbehandeld blijven.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland van 25 juli 2024, maar uitsluitend voor zover daarin is bepaald dat de zorgmachtiging geldt voor de duur van maximaal twaalf maanden tot en met uiterlijk 24 juli 2025;
- bepaalt dat de zorgmachtiging geldt voor de duur van maximaal zes maanden tot en met uiterlijk 25 januari 2025.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren F.J.P. Lock en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 17 januari 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 17‑01‑2025
Vgl. HR 6 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1811, rov. 3.4.
Vgl. HR 4 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:818, rov. 3.1.4.
HR 6 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1811, rov. 3.7.
Conclusie 13‑12‑2024
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/03476
Zitting 13 december 2024
CONCLUSIE
L.M. Coenraad
In de zaak
[betrokkene] ,verzoeker tot cassatie,
hierna: de betrokkene,advocaat: mr. G.E.M. Later,
tegen
de officier van justitie in het arrondissement Gelderland,verweerder in cassatie,
hierna: de officier van justitie.
1. Inleiding en samenvatting
In deze Wvggz-zaak is na een referteverklaring van de betrokkene door de rechtbank een zorgmachtiging verleend voor de duur van twaalf maanden. In cassatie wordt geklaagd dat een machtiging voor de duur van slechts zes maanden verleend had mogen worden, omdat de voorgaande machtiging door de overschrijding van de wettelijke beslistermijn door de rechtbank was vervallen en de nieuwe machtiging bovendien is verleend terwijl de geldigheidsduur van de voorgaande machtiging was verstreken. Naar mijn mening slaagt het cassatieberoep.
2. Feiten en procesverloop
2.1
De rechtbank Gelderland heeft op 24 juli 2023 een aansluitende zorgmachtiging verleend voor de duur van twaalf maanden tot en met 24 juli 2024.1.
2.2
Bij verzoekschrift, ingekomen op 24 juni 2024 bij de rechtbank Gelderland, heeft de officier van justitie verzocht een aansluitende zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden.
2.3
Bij e-mail, binnengekomen bij de rechtbank Gelderland op 17 juli 2024, heeft de advocaat van betrokkene de rechtbank ervan in kennis gesteld dat betrokkene instemt met het verzoek om een zorgmachtiging en met de daarin genoemde vormen van verplichte zorg. Ter onderbouwing heeft de advocaat een schriftelijke verklaring overgelegd waaruit blijkt dat de advocaat, voor zover in cassatie van belang, ook de duur van de verzochte machtiging heeft besproken met betrokkene. Betrokkene verzoekt de rechtbank om de beslissing op het verzoek te nemen zonder dat het mondeling behandeld wordt.
2.4
Er heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden.
2.5
De rechtbank heeft bij beschikking de machtiging verleend voor de verzochte duur van twaalf maanden tot en met uiterlijk 24 juli 2025.2.
2.6
De kop van deze beschikking vermeldt als datum van de uitspraak: 24 juli 2024.
2.7
In het dictum is vermeld:
“De rechtbank:
3.1.
verleent een zorgmachtiging ten aanzien van
[betrokkene], geboren op [geboortedatum] te [plaatsnaam],
inhoudende dat bij wijze van verplichte zorg de maatregelen als genoemd in 2.6. kunnen worden getroffen;
3.2
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met uiterlijk 24 juli 2025.”
2.8
De laatste pagina van deze beschikking vermeldt:
“Deze beschikking is gegeven door mr. E.J. Davids, rechter, in tegenwoordigheid van I. Hodzic, griffier, op 25 juli 2024.”
2.9
Op grond van artikel 83 RO in verbinding met 120 lid 2 RO heb ik de rechtbank verzocht inlichtingen te geven over de datum waarop deze beschikking is gegeven. Hierop heeft de behandelend zaaksrechter te kennen gegeven dat de datum van de beschikking 25 juli 2024 is.
2.10
Bij procesinleiding, binnengekomen bij de griffie op 13 september 2024, heeft betrokkene – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen deze beschikking van de rechtbank (hierna: de bestreden beschikking). De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het middel richt zich tegen de beslissing van de rechtbank over de duur van de verleende machtiging. Volgens het middel is de zorgmachtiging ten onrechte voor de verzochte duur van twaalf maanden tot en met uiterlijk 24 juli 2025 verleend. Hiertoe wordt in de eerste plaats geklaagd dat de rechtbank heeft miskend dat ten tijde van het geven van de bestreden beschikking de beslistermijn van drie weken was verstreken3.en de bestaande zorgmachtiging daarmee was vervallen, en dat dus geen sprake was van een aansluitende zorgmachtiging. Verder wordt geklaagd dat de rechtbank pas heeft beslist nadat de geldigheidsduur van de lopende machtiging was verstreken, zodat ook om die reden niet van een aansluitende zorgmachtiging sprake kon zijn. De bestreden beschikking moet dus worden vernietigd voor wat betreft de duur van de machtiging, aldus het middel.
3.2
Bij de bespreking van het middel stel ik het volgende voorop.
3.3
Artikel 6:5, aanhef en onder a, Wvggz bepaalt, voor zover hier van belang, dat de rechter een zorgmachtiging verleent voor de duur die noodzakelijk is om het doel van verplichte zorg te realiseren, maar maximaal voor zes maanden. Indien het een zorgmachtiging betreft die aansluit op een eerdere zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:5, aanhef en onder a, Wvggz, kan de rechter een zorgmachtiging verlenen voor maximaal twaalf maanden (art. 6:5, aanhef en onder b, Wvggz).
3.4
Een zorgmachtiging vervalt indien de geldigheidsduur is verstreken (art. 6:6 lid 1, aanhef en onder a, Wvggz). Indien de officier van justitie, voor zover hier van belang, uiterlijk vier weken voordat de geldigheidsduur, bedoeld in artikel 6:5, onderdeel b Wvggz, is verstreken, een nieuw verzoek voor een zorgmachtiging heeft ingediend, vervalt de eerdere zorgmachtiging in afwijking van artikel 6:6 lid 1, onder a, Wvggz echter van rechtswege4.als de rechter op het verzoekschrift heeft beslist of door het verstrijken van de beslistermijn van drie weken na ontvangst van het verzoekschrift (art. 6:6 lid 2 Wvggz in verbinding met artikel 6:2 lid 1, aanhef en onder e, Wvggz). Bij inachtneming van deze termijnen is sprake van aansluiting van de vervolgmachtiging op de lopende machtiging als bedoeld in artikel 6:5, aanhef en onder b, Wvggz, en kan de vervolgmachtiging voor de duur van maximaal twaalf maanden worden verleend.5.
3.5
Ook na het verstrijken van de beslistermijn van artikel 6:2 lid 1, aanhef en onder e, Wvggz kan de rechter nog beslissen op het verzoek om een zorgmachtiging. De rechter kan dan slechts op grond van artikel 6:5, aanhef en onder a, Wvggz een zorgmachtiging verlenen voor de duur van maximaal zes maanden. Van een aansluitende zorgmachtiging is dan immers geen sprake meer, omdat de voorgaande machtiging is vervallen.6.
3.6
Anders dan Dijkers7.meent, is een aansluitende machtiging van maximaal twaalf maanden mijns inziens niet mogelijk indien de rechter weliswaar ná het verstrijken van de beslistermijn van drie weken, maar nog vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van de voorgaande machtiging alsnog beslist, indien door het verstrijken van de beslistermijn op grond van artikel 6:6 lid 2 de voorgaande machtiging is vervallen. Dijkers verwijst naar een uitspraak van de Hoge Raad van 4 juni 2021.8.In die uitspraak was echter sprake van een geval waarin de bestaande machtiging op grond van artikel 6:6 lid1, aanhef en onder a, Wvggz pas met het verstrijken van de geldigheidsduur daarvan zou vervallen.9.In een dergelijk geval kan de rechter ook ná het verstrijken van de beslistermijn beslissen op het verzoek om een nieuwe machtiging, terwijl de bestaande machtiging nog niet is vervallen, omdat de geldigheidsduur immers nog niet is verstreken. Dan is op grond van de genoemde uitspraak van de Hoge Raad uit 2021 een aansluitende machtiging mogelijk, ook al is de beslistermijn verstreken.
3.7
Ik keer terug naar de bespreking van het middel.
3.8
De eerste klacht slaagt. Ten aanzien van betrokkene was op 24 juli 2023 een aansluitende zorgmachtiging voor de duur van twaalf maanden verleend tot en met 24 juli 2024. De officier van justitie heeft op 24 juni 2024 tijdig een verzoekschrift voor een vervolgmachtiging ingediend, want met in achtneming van de termijn van uiterlijk vier weken voordat de geldigheidsduur, bedoeld in artikel 6:5, onderdeel b Wvggz, is verstreken (art. 6:6 lid 2 Wvggz). De rechtbank moest vervolgens uiterlijk drie weken na ontvangst van het verzoekschrift (en dus uiterlijk op 15 juli 2024) beslissen (art. 6:2 lid 1, aanhef en onder e, Wvggz). Dat heeft de rechtbank niet gedaan. Daardoor is de lopende, op 24 juli 2023 verleende machtiging op 16 juli 2024 van rechtswege vervallen (art. 6:6 lid 2 Wvggz in verbinding met art. 6:2 lid 1, aanhef en onder e, Wvggz).
3.9
Gelet op het vorenstaande voert het onderdeel terecht aan dat de op 25 juli 2024 verleende zorgmachtiging niet aansluit op een eerdere zorgmachtiging. De rechtbank kon daarom de zorgmachtiging niet verlenen voor de duur van maximaal twaalf maanden, omdat zij deze als een initiële machtiging moest opvatten.
3.10
Deze klacht zou overigens ook slagen, indien ervan uitgegaan zou worden dat de bestreden beschikking op 24 juli 2024 gegeven is.
3.11
De tweede klacht slaagt ook. Door de verwijzing naar HR 4 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:818,10.begrijp ik de klacht zo dat zelfs bij het accepteren van de mogelijkheid van een aansluitende machtiging (zoals bepleit door Dijkers, zie hiervoor onder 3.6) zolang de geldigheidsduur van de bestaande machtiging niet is verstreken, in dit geval van een aansluitende machtiging geen sprake kan zijn, nu de geldigheidsduur van de voorgaande machtiging was verstreken toen de rechtbank op 25 juli 2024 de bestreden beschikking gaf.
3.12
Met betrokkene ga ik, gelet op de mij door de behandelend zaaksrechter verstrekte inlichtingen (zie hiervoor onder 2.9), ervan uit dat de bestreden beschikking is gegeven op 25 juli 2024. Daarbij merk ik wel op dat de rechtbank in geval van een kennelijke schrijffout deze in een herstelbeschikking zou moeten verbeteren, nu de rechtbank immers alleen door middel van haar beschikking spreekt (art. 31 Rv). Ik roei echter met de riemen die ik heb en ga dus af op de mij door de behandelend zaaksrechter verstrekte inlichtingen.
3.13
Vooropgesteld ben ik van oordeel dat in dit geval een aansluitende machtiging niet mogelijk is, ook al zou weliswaar ná het verstrijken van de beslistermijn van drie weken, maar nog vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van de voorgaande machtiging beslist zijn. De voorgaande machtiging is immers al na 15 juli 2024 vervallen (zie hiervoor onder 3.6). Maar ook indien een dergelijke aansluitende, na 15 juli 2024 verleende machtiging wel mogelijk zou zijn, zou de machtiging uiterlijk op 24 juli 2024 verleend moeten zijn, wil sprake kunnen zijn van een aansluitende machtiging met een duur van maximaal twaalf maanden. Ik ga er bij de beoordeling van de klacht echter van uit dat de rechtbank de machtiging pas op 25 juli 2024 heeft verleend, dus ná het verstrijken van de geldigheidsduur van de voorgaande machtiging.
3.14
De slotsom luidt dat het cassatieberoep slaagt en dat de bestreden beschikking vernietigd dient te worden voor zover daarin is bepaald dat de zorgmachtiging zal worden verleend voor de duur van twaalf maanden en dus geldt tot en met uiterlijk 24 juli 2025. Naar mijn oordeel kan de Hoge Raad de zaak zelf afdoen door de duur van de verleende zorgmachtiging te beperken tot maximaal zes maanden, dus − ervan uitgaand dat de bestreden beschikking is gegeven op 25 juli 2024 − tot en met uiterlijk 25 januari 2025.11.
3.15
Dat de rechtbank in de bestreden beschikking de zorgmachtiging heeft verleend tot en met uiterlijk 24 juli 2025, leidt er mijns inziens niet toe dat de zorgmachtiging dienovereenkomstig tot en met uiterlijk 24 januari 2025 verleend zou moeten worden. In de bestreden beschikking werd immers beoogd een aansluitende zorgmachtiging te verlenen. Nu het echter om een initiële machtiging gaat, kan deze op grond van artikel 6:5, aanhef en onder a, Wvggz voor een periode van maximaal zes maanden, dus tot en met uiterlijk 25 januari 2025, verleend worden.12.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot afdoening op de onder 3.14 voorgestelde wijze.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 13‑12‑2024
Zie het historisch overzicht van zorgmachtigingen van betrokkene, overgelegd als productie 10 bij de procesinleiding in cassatie.
Zie hierover Kamerstukken II 2020-2021, 35 667, nr. 3, p. 14.
Zie HR 6 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1811, r.o. 3.3 en 3.4, onder vergelijkende verwijzing naar HR 21 (bedoeld is 4) juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:818, NJ 2021/234, m.nt. J. Legemaate, r.o. 3.1.3. Zie ook mijn conclusie van 21 oktober 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1106 onder 3.22-3.24 voor HR 6 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1811.
Zie HR 6 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1811, r.o. 3.7, onder vergelijkende verwijzing naar HR 23 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:972, r.o. 3.4. Zie ook mijn conclusie van 21 oktober 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1106 onder 3.25 voor HR 6 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1811, met verdere bronverwijzing.
ECLI:NL:HR:2021:818, NJ 2021/234, m.nt. J. Legemaate, r.o. 3.1.4.
NJ 2021/234, m.nt. J. Legemaate.
Daarbij ga ik ervan uit dat, nu het om een initiële machtiging gaat, geen aftrek behoort te worden toegepast voor het aantal dagen waarmee de beslistermijn is overschreden. Vgl. ook HR 6 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1811, r.o. 3.7 en HR 23 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:972, r.o. 3.5.
Ook het cassatiemiddel gaat onder 1.4 uit van een duur van maximaal zes maanden.