Zie daarover G.K. Schoep, in: T&C Strafvordering, art. 359 Sv, aant. 2 (online, bijgewerkt tot 1 maart 2025). Zie ook de conclusie van AG Harteveld, ECLI:NL:PHR:2023:339, onder 2.5. Vgl. ook HR 27 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5558, rov. 2.3.
HR, 13-01-2026, nr. 23/03897
ECLI:NL:HR:2026:26
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
13-01-2026
- Zaaknummer
23/03897
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:26, Uitspraak, Hoge Raad, 13‑01‑2026; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1179
ECLI:NL:PHR:2025:1179, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 04‑11‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:26
- Vindplaatsen
Uitspraak 13‑01‑2026
Inhoudsindicatie
Diefstal van elektronische producten en (laptop)tassen, art. 310 Sr. Bevat arrest hof (waarin vonnis Pr is bevestigd) tlgd.? Art. 359.1 Sv. HR: art. 81.1 RO.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/03897
Datum 13 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 oktober 2023, nummer 21-004759-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J.J.J. van Rijsbergen bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van vijf weken volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 januari 2026.
Conclusie 04‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Falende klacht dat arrest hof niet het tenlastegelegde bevat. Door hof bevestigd vonnis politierechter verwijst conform Regeling aantekening mondeling vonnis naar inhoud van de dagvaarding. Strekt tot verwerping van het beroep.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/03897
Zitting 4 november 2025
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de verdachte.
1. Het cassatieberoep
1.1
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 5 oktober 2023 het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 4 november 2022 bevestigd. In dat vonnis heeft de politierechter de verdachte wegens “diefstal” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf weken, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de politierechter de tenuitvoerlegging gelast van twee eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De advocaat J.J.J. van Rijsbergen heeft één middel van cassatie voorgesteld.
2. Het middel
2.1
Het middel bevat de klacht dat het arrest van het hof – in strijd met at. 359 lid 1 Sv – niet het ten laste gelegde bevat.
2.2
De aantekening van het mondeling vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland in het proces-verbaal van de terechtzitting van 4 november 2022 houdt onder meer het volgende in:
“1. Tenlastelegging
Overeenkomstig de dagvaarding.”
2.3
Uit de aantekening van het mondeling arrest van het hof blijkt dat het hof heeft geoordeeld dat de politierechter op juiste wijze en op goede gronden heeft beslist. Het hof heeft het vonnis bevestigd, met overneming van gronden.
2.4
Volgens de steller van het middel had het hof het vonnis van de politierechter niet mogen bevestigen. Het vonnis bevat immers niet de tekst van het ten laste gelegde maar slechts een verwijzing naar de dagvaarding, terwijl de tekst van de dagvaarding niet als bijlage aan het vonnis is opgenomen.
2.5
Voor ‘gewone’, (daarmee bedoel ik: schriftelijke) vonnissen geldt dat uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat ook aan art. 359 lid 1 Sv is voldaan als een kopie van de tenlastelegging aan het vonnis wordt gehecht.1.Dat is hier inderdaad niet gebeurd. De steller van het middel miskent hiermee echter dat in de onderhavige zaak sprake is van een mondeling vonnis dat op grond van art. 378 lid 2 Sv is aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting. Voor de aantekening van mondelinge vonnissen en arresten gelden op basis van de Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling van strafzaken in hoger beroep (Stcrt. 1996, 197) (hierna: de Regeling) bijzondere regels.
2.6
Uit art. 1 onder a van die Regeling volgt dat de aantekening van het mondeling vonnis de inhoud van de tenlastelegging moet bevatten, maar dat daarvoor kan worden verwezen naar de dagvaarding. Op grond van art. 3 onder c van de Regeling geldt hetzelfde voor de aantekening van het mondeling arrest als bedoeld in art. 425 lid 3 Sv.2.
2.7
De aantekening van het mondeling vonnis van de politierechter verwijst voor wat betreft de tenlastelegging naar de dagvaarding. Dat is in overeenstemming met art. 1 van de Regeling. Door het vonnis van de politierechter te bevestigen, heeft het hof voor wat betreft de tenlastelegging verwezen naar de dagvaarding in eerste aanleg. Dat is in overeenstemming met art. 3 van de Regeling.3.De klacht dat het arrest van het hof in strijd met art. 359 lid 1 Sv niet het ten laste gelegde bevat, faalt daarmee.
3. Slotsom
3.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
3.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen meer dan 24 maanden nadat cassatie is ingesteld. Dat betekent dat inbreuk is gemaakt op het in art. 6 lid 1 EVRM neergelegde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van vijf weken en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, kan de Hoge Raad volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden en is er geen aanleiding om daar enig ander rechtsgevolg aan te verbinden.4.
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 04‑11‑2025
In art. 3 van de Regeling wordt verwezen naar het oude art. 426d lid 2 Sv, maar de Hoge Raad leest dat als art. 425 lid 3 Sv. Zie daarover HR 5 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2922, NJ 2008/396, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 4.3.
Anders dan in een zaak waarin AG Aben recent heeft geconcludeerd en waarin de Hoge Raad binnenkort uitspraak zal doen (zie ECLI:NL:PHR:2025:1026, onder 7 en 8), doet zich in de onderhavige zaak een geval voor waarin de Regeling van toepassing is op zowel de uitspraak in eerste aanleg als de uitspraak in hoger beroep. In de onderhavige zaak speelt daarom niet de vraag of het hof een in overeenstemming met de Regeling gewezen vonnis in eerste aanleg mag bevestigen in een arrest waarop de Regeling niet van toepassing is. Overigens meent AG Aben dat het hof ook in zo’n geval het vonnis in eerste aanleg kan bevestigen.
HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, rov. 3.2.