Hof Amsterdam, 13-12-2023, nr. 200.272.984/01 OK
ECLI:NL:GHAMS:2023:3596
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
13-12-2023
- Zaaknummer
200.272.984/01 OK
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHAMS:2023:3596, Uitspraak, Hof Amsterdam, 13‑12‑2023; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:GHAMS:2023:3112, Uitspraak, Hof Amsterdam, 28‑11‑2023; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:GHAMS:2022:3420, Uitspraak, Hof Amsterdam, 14‑11‑2022; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:GHAMS:2022:3121, Uitspraak, Hof Amsterdam, 24‑10‑2022; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:GHAMS:2022:1286, Uitspraak, Hof Amsterdam, 26‑04‑2022; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:GHAMS:2021:726, Uitspraak, Hof Amsterdam, 03‑02‑2021
ECLI:NL:GHAMS:2020:2490, Uitspraak, Hof Amsterdam, 17‑09‑2020; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:GHAMS:2020:2489, Uitspraak, Hof Amsterdam, 14‑09‑2020
- Vindplaatsen
JOR 2023/65 met annotatie van mr. M.W. Josephus Jitta
Uitspraak 13‑12‑2023
Inhoudsindicatie
OK; Enquête; bepaling vergoeding onderzoeker
Partij(en)
beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.272.984/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 13 december 2023
inzake
1. de vennootschap naar het recht van Estland
ATTEXO OÜ,
gevestigd te Tallinn, Estland,
2. [A],
wonende te [....] ,
VERZOEKERS,
advocaat: mr. G.C. Endedijk, kantoorhoudende te Amsterdam,
t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
TAF ASSET 11 B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER,
thans zonder advocaat, voorheen: mr. L.D. Bruining, kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n
1. de vennootschap naar het recht van Cyprus
AVERLINE HOLDINGS LIMITED,
gevestigd te Larnaca, Cyprus,
BELANGHEBBENDE,
advocaten: mrs. A. Schennink en S.V. Stephenson, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
2 [B] ,
wonende te [....] ,
3. [C],
wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDEN,
advocaten: mrs. S.C.M. van Thiel en C.L. Kruse, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
4 [D] ,
wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE,
niet verschenen,
5 [E] ,
wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE,
advocaat: mr. R. de Bree, kantoorhoudende te Den Haag.
Partijen worden in deze beschikking ook als volgt aangeduid:
Attexo OÜ als Attexo;
[A] als [A] ;
[E] als [E] ;
TAF Asset 11 B.V. als TAF.
1. Het verloop van het geding
1.1
Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen in deze zaak van 14 en 17 september 2020, van 3 februari 2021, van 26 april 2022, van 24 oktober 2022, van 14 november 2022 en van 28 november 2023.
1.2
Bij de beschikkingen van 14 en 17 september 2020 en van 3 februari 2021 heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van TAF over de periode vanaf 1 september 2014, mr. W.J.B. van Nielen (hierna: de onderzoeker) benoemd om het onderzoek te verrichten en het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vastgesteld op € 180.000, exclusief btw. Ook heeft de Ondernemingskamer bij die beschikkingen, bij wijze van onmiddellijke voorzieningen, mr. J.G. Princen (hierna: de OK-bestuurder) benoemd als bestuurder van TAF en mr. R. le Grand (hierna: de OK-beheerder) benoemd als beheerder van aandelen in TAF.
1.3
Bij de beschikking van 26 april 2022 heeft de Ondernemingskamer het verzoek van Attexo en [A] tot beëindiging van de enquêteprocedure afgewezen en het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten verhoogd tot € 220.000, exclusief btw.
1.4
Bij de beschikking van 24 oktober 2022 heeft de Ondernemingskamer op verzoek van de onderzoeker een getuigenverhoor gelast op de voet van artikel 2:352a BW en mr. A.W.H. Vink benoemd tot raadsheer-commissaris in de zin van artikel 16 lid 5 Rv voor wie dit getuigenverhoor zou plaatsvinden. In afwijking van die beschikking is bij de beschikking van 14 november 2022 mr. M.A.M Vaessen benoemd tot raadsheer-commissaris in de zin van artikel 16 lid 5 Rv, voor wie het getuigenverhoor op 15 november 2022 heeft plaatsgevonden.
1.5
Op 23 november 2023 heeft de onderzoeker het verslag met bijlagen van voormeld onderzoek, gedateerd op 23 november 2023, aan de Ondernemingskamer doen toekomen. Met het oog op de vaststelling van zijn vergoeding heeft de onderzoeker in de begeleidende brief van 23 november 2023 bij het onderzoeksverslag een specificatie van de aan het onderzoek bestede uren gevoegd. Deze specificatie sluit - na een door de onderzoeker toegepaste afslag - op een bedrag van € 220.000, exclusief btw.
1.6
Bij de beschikking van 28 november 2023 heeft de Ondernemingskamer bepaald dat het hiervoor genoemde onderzoeksverslag ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage ligt voor belanghebbenden en partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de door de Ondernemingskamer te bepalen vergoeding van de onderzoeker.
1.7
Bij e-mail van 12 december 2023 heeft mr. De Bree namens [E] de Ondernemingskamer verzocht een vergoeding vast te stellen die (aanzienlijk) lager ligt dan € 220.000, althans een door de Ondernemingskamer in goede justitie te bepalen bedrag vast te stellen.
1.8
De overige partijen hebben geen gebruikt gemaakt van de door de Ondernemingskamer geboden gelegenheid zich uit te laten over de in 1.5 genoemde specificatie.
2. De gronden van de beslissing
2.1
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich over de door de onderzoeker opgestelde specificatie uit te laten. Mr. De Bree heeft namens [E] aangevoerd dat gelet op de al beschikbare gegevens geen sprake was van een complex of omvangrijk onderzoek. Het onderzoek heeft veel te lang geduurd en de onderzoeker heeft gestelde oplevertermijnen niet gehaald. Daarbij geeft de specificatie van de onderzoeker geen of onvoldoende inzicht in de bestede uren en de redelijkheid daarvan. Datzelfde geldt voor de specificatie die ziet op de door de onderzoeker ingeschakelde kantoorgenoten. In redelijkheid valt niet in te zien dat het opgeleverde verslag € 220.000 zou hebben gekost. Een vergoeding van die omvang is ook gelet op de aard en omvang van het onderzoek niet redelijk, aldus nog steeds mr. De Bree.
2.2
De overige partijen hebben tegen het bedrag aan onderzoekskosten geen bezwaren aangevoerd.
2.3
Naar het oordeel van de Ondernemingskamer heeft de onderzoeker in zijn specificatie (zie 1.5) de door hem en zijn kantoorgenoten verrichte werkzaamheden voldoende concreet toegelicht. Uit de toelichting blijkt hoeveel tijd door de onderzoeker en door hem ingeschakelde hulppersonen is besteed en welke werkzaamheden zijn verricht. Daarbij heeft de onderzoeker toegelicht dat weliswaar meer uren dan begroot aan het onderzoek zijn besteed, maar dat de uren die buiten het bij beschikking van 26 april 2022 vastgestelde onderzoeksbudget vallen niet in rekening zijn gebracht. Daartegenover heeft mr. De Bree onvoldoende concreet toegelicht dat en waarom de onderzoeker en zijn kantoorgenoten de genoemde werkzaamheden niet zouden hebben verricht, althans dat zij die werkzaamheden gelet op de aard en omvang van het onderzoek in redelijkheid niet ten behoeve van het onderzoek hadden mogen verrichten. De enkele stelling dat het niet een “heel complex of omvangrijk onderzoek” betreft is daarvoor volstrekt onvoldoende. Dat de onderzoeker de aangekondigde oplevertermijnen niet heeft gehaald maakt dit niet anders. Het bedrag komt de Ondernemingskamer ook overigens niet onredelijk voor. De Ondernemingskamer zal de vergoeding van de onderzoeker overeenkomstig artikel 2:350 lid 3 BW dan ook bepalen als hierna te vermelden.
3. De beslissing
De Ondernemingskamer:
bepaalt de vergoeding van de onderzoeker op € 220.000, exclusief btw;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.W.H. Vink, voorzitter, mr. C.C. Meijer en mr. M.A.M. Vaessen, raadsheren, en prof dr. mr. S. ten Have en prof. dr. A.J.C.C.M. Loonen, raden, in tegenwoordigheid van mr. B.J. Blok, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 december 2023.
Uitspraak 28‑11‑2023
Inhoudsindicatie
OK; enquête; deponering onderzoeksverslag
Partij(en)
beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.272.984/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 28 november 2023
inzake
1. de vennootschap naar het recht van Estland
ATTEXO OÜ,
gevestigd te Tallinn, Estland,
2. [A],
wonende te [....] ,
VERZOEKERS,
advocaat: mr. G.C. Endedijk, kantoorhoudende te Amsterdam,
t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
TAF ASSET 11 B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER,
thans zonder advocaat, voorheen: mr. L.D. Bruining, kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n
1. de vennootschap naar het recht van Cyprus
AVERLINE HOLDINGS LIMITED,
gevestigd te Larnaca, Cyprus,
BELANGHEBBENDE,
advocaten: mrs. A. Schennink en S.V. Stephenson, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
2 [B] ,
wonende te [....] ,
3. [C],
wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDEN,
advocaten: mrs. S.C.M. van Thiel en C.L. Kruse, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
4 [D] ,
wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE,
niet verschenen,
5 [E] ,
wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE,
advocaat: mr. R de Bree, kantoorhoudende te Den Haag.
Partijen worden in deze beschikking ook als volgt aangeduid:
Attexo OÜ als Attexo;
[A] als [A] ;
TAF Asset 11 B.V. als TAF.
1. Het verloop van het geding
1.1
Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen in deze zaak van 14 en 17 september 2020, van 3 februari 2021, van 26 april 2022, van 24 oktober 2022 en van 14 november 2022.
1.2
Bij de beschikkingen van 14 en 17 september 2020 en van 3 februari 2021 heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van TAF over de periode vanaf 1 september 2014, mr. W.J.B. van Nielen (hierna: de onderzoeker) benoemd om het onderzoek te verrichten en het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vastgesteld op € 180.000, exclusief btw. Ook heeft de Ondernemingskamer bij die beschikkingen, bij wijze van onmiddellijke voorzieningen, mr. J.G. Princen (hierna: de OK-bestuurder) benoemd als bestuurder van TAF en mr. R. le Grand (hierna: de OK-beheerder) benoemd als beheerder van aandelen in TAF.
1.3
Bij de beschikking van 26 april 2022 heeft de Ondernemingskamer het verzoek van Attexo en [A] tot beëindiging van de enquêteprocedure afgewezen en het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten verhoogd tot € 220.000, exclusief btw.
1.4
Bij de beschikking van 24 oktober 2022 heeft de Ondernemingskamer op verzoek van de onderzoeker een getuigenverhoor gelast op de voet van artikel 2:352a BW en mr. A.W.H. Vink benoemd tot raadsheer-commissaris in de zin van artikel 16 lid 5 Rv voor wie dit getuigenverhoor zou plaatsvinden. In afwijking van die beschikking is bij de beschikking van 14 november 2022 mr. M.A.M Vaessen benoemd tot raadsheer-commissaris in de zin van artikel 16 lid 5 Rv, voor wie het getuigenverhoor op 15 november 2022 heeft plaatsgevonden.
1.5
Op 23 november 2023 heeft de onderzoeker het verslag met bijlagen van voormeld onderzoek, gedateerd op 23 november 2023, aan de Ondernemingskamer doen toekomen. De griffier heeft het verslag met bijlagen heden ter griffie van de Ondernemingskamer neergelegd.
1.6
Met het oog op de vaststelling van zijn vergoeding heeft de onderzoeker in de begeleidende brief van 23 november 2023 bij het onderzoeksverslag een specificatie van de aan het onderzoek bestede uren gevoegd. Deze specificatie sluit op een bedrag van € 220.000, exclusief btw.
2. De gronden van de beslissing
2.1
De Ondernemingskamer heeft kennisgenomen van het verslag met bijlagen van het onderzoek. Gelet op de inhoud daarvan en op de overigens in deze zaak betrokken belangen, acht de Ondernemingskamer termen aanwezig om op de voet van artikel 2:353 lid 2 BW te bepalen dat het verslag met bijlagen ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage ligt voor belanghebbenden.
2.2
Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over de op de voet van artikel 2:350 lid 3 BW door de Ondernemingskamer te bepalen vergoeding van de onderzoeker.
3. De beslissing
De Ondernemingskamer:
bepaalt dat het verslag met bijlagen van het bij de beschikking van 14 september 2020 bevolen onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van TAF Asset 11 B.V. ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage ligt voor belanghebbenden;
stelt partijen in de gelegenheid zich binnen twee weken na heden uit te laten over de door de Ondernemingskamer te bepalen vergoeding van de onderzoeker als bedoeld in 1.6 en 2.2 hiervoor;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.W.H. Vink, voorzitter, mr. C.C. Meijer en mr. M.A.M. Vaessen, raadsheren, en prof dr. mr. S. ten Have en prof. dr. A.J.C.C.M. Loonen, raden, in tegenwoordigheid van mr. B.J. Blok, griffier, en in het openbaar uitgesproken door mr. C.C. Meijer op 28 november 2023.
Uitspraak 14‑11‑2022
Inhoudsindicatie
OK; Enquête; aanwijzen raadsheer-commissaris
Partij(en)
beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.272.984/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 14 november 2022
inzake
1. de vennootschap naar het recht van Estland
ATTEXO OÜ,
gevestigd te Tallinn, Estland,
2. [A],
wonende te [....] ,
VERZOEKERS,
advocaat: mr. G.C. Endedijk, kantoorhoudende te Amsterdam,
t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
TAF ASSET 11 B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER,
thans zonder advocaat, voorheen: mr. L.D. Bruining, kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n
1. de vennootschap naar het recht van Cyprus
AVERLINE HOLDINGS LIMITED,
gevestigd te Larnaca, Cyprus,
BELANGHEBBENDE,
advocaten: mrs. A. Schennink en S.V. Stephenson, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
2 [B] ,
wonende te [....] ,
3. [C],
wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDEN,
advocaten: mrs. S.C.M. van Thiel en C.L. Kruse, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
4 [D] ,
wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE,
niet verschenen,
5 [E] ,
wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE,
advocaat: mr. R de Bree, kantoorhoudende te Den Haag.
Partijen worden in deze beschikking ook als volgt aangeduid:
Attexo OÜ als Attexo;
[A] als [A] ;
TAF Asset 11 B.V. als TAF.
1. Het verloop van het geding
1.1
Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen in deze zaak van 14 en 17 september 2020, van 3 februari 2021, van 26 april 2022 en van 24 oktober 2022.
1.2
Bij de beschikkingen van 14 en 17 september 2020 en van 3 februari 2021 heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van TAF over de periode vanaf 1 september 2014, mr. W.J.B. van Nielen (hierna: de onderzoeker) benoemd om het onderzoek te verrichten en het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vastgesteld op € 180.000, exclusief btw. Ook heeft de Ondernemingskamer bij die beschikkingen, bij wijze van onmiddellijke voorzieningen, mr. J.G. Princen (hierna: de OK-bestuurder) benoemd als bestuurder van TAF en mr. R. le Grand (hierna: de OK-beheerder) benoemd als beheerder van aandelen in TAF.
1.3
Bij de beschikking van 26 april 2022 heeft de Ondernemingskamer het verzoek van Attexo en [A] tot beëindiging van de enquêteprocedure afgewezen en het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten verhoogd tot € 220.000, exclusief btw.
1.4
Bij de beschikking van 24 oktober 2022 heeft de Ondernemingskamer op verzoek van de onderzoeker een getuigenverhoor gelast op de voet van artikel 2:352a BW en mr. A.W.H. Vink benoemd tot raadsheer-commissaris in de zin van artikel 16 lid 5 Rv voor wie dit getuigenverhoor zal plaatsvinden.
2. De gronden van de beslissing
2.1
In afwijking van hetgeen in de beschikking van 24 oktober 2022 in deze zaak is bepaald, zal de Ondernemingskamer mr. M.A.M Vaessen benoemen tot raadsheer-commissaris in de zin van artikel 16 lid 5 Rv, voor wie het getuigenverhoor zoals gelast bij beschikking van 24 oktober 2022 zal plaatsvinden.
3. De beslissing
De Ondernemingskamer:
benoemt tot raadsheer-commissaris in de zin van artikel 16 lid 5 Rv voor wie het getuigenverhoor zoals gelast bij beschikking van 24 oktober 2022 zal plaatsvinden mr. M.A.M. Vaessen.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.W.H. Vink, voorzitter, mr. C.C. Meijer en mr. M.A.M. Vaessen, raadsheren, en prof dr. mr. S. ten Have en prof. dr. A.J.C.C.M. Loonen, raden, in tegenwoordigheid van mr. B.J. Blok, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2022.
Uitspraak 24‑10‑2022
Inhoudsindicatie
OK; Enquête; Toewijzing verzoek ex artikel 2:352a BW
Partij(en)
beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.272.984/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 24 oktober 2022
inzake
1. de vennootschap naar het recht van Estland
ATTEXO OÜ,
gevestigd te Tallinn, Estland,
2. [A],
wonende te [....] ,
VERZOEKERS,
advocaat: mr. G.C. Endedijk, kantoorhoudende te Amsterdam,
t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
TAF ASSET 11 B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER,
thans zonder advocaat, voorheen: mr. L.D. Bruining, kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n
1. de vennootschap naar het recht van Cyprus
AVERLINE HOLDINGS LIMITED,
gevestigd te Larnaca, Cyprus,
BELANGHEBBENDE,
advocaten: mrs. A. Schennink en S.V. Stephenson, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
2 [B] ,
wonende te [....] ,
3. [C],
wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDEN,
advocaten: mrs. S.C.M. van Thiel en C.L. Kruse, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
4 [D] ,
wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE,
niet verschenen,
5 [E] ,
wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE,
advocaat: mr. R de Bree, kantoorhoudende te Den Haag.
Partijen worden in deze beschikking ook als volgt aangeduid:
Attexo OÜ als Attexo;
[A] als [A] ;
TAF Asset 11 B.V. als TAF;
Averline Holdings Limited als Averline;
[E] als [E] .
1. Het verloop van het geding
1.1
Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen in deze zaak van 14 en 17 september 2020, van 3 februari 2021 en van 26 april 2022.
1.2
Bij de beschikkingen van 14 en 17 september 2020 en van 3 februari 2021 heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van TAF over de periode vanaf 1 september 2014, mr. W.J.B. van Nielen (hierna: de onderzoeker) benoemd om het onderzoek te verrichten en het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vastgesteld op € 180.000, exclusief btw. Ook heeft de Ondernemingskamer bij die beschikkingen, bij wijze van onmiddellijke voorzieningen, mr. J.G. Princen (hierna: de OK-bestuurder) benoemd als bestuurder van TAF en mr. R. le Grand (hierna: de OK-beheerder) benoemd als beheerder van aandelen in TAF.
1.3
Bij de beschikking van 26 april 2022 heeft de Ondernemingskamer het verzoek van Attexo en [A] tot beëindiging van de enquêteprocedure afgewezen en het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten verhoogd tot € 220.000, exclusief btw.
1.4
Bij verzoekschrift van 20 september 2022 heeft de onderzoeker de Ondernemingskamer verzocht in deze zaak op de voet van artikel 2:352a BW [F] (hierna: [F] als getuige te horen. De onderzoeker heeft daarbij verzocht om het verhoor achter gesloten deuren te laten plaatsvinden, zonder aanwezigheid van partijen en hun advocaten.
1.5
Bij e-mail van 20 september 2022 heeft de secretaris van de Ondernemingskamer partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het verzoek van de onderzoeker. De secretaris heeft daarbij opgemerkt dat de Ondernemingskamer het voorshands aannemelijk acht dat de aard van de zaak zich verzet tegen onverkorte toepassing van de negende afdeling van de tweede Titel van Boek 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) (zie artikel 284 Rv) en dat de Ondernemingskamer om die reden voornemens is het verhoor achter gesloten deuren te laten plaatsvinden, zonder aanwezigheid van partijen en hun advocaten.
1.6
Bij e-mail van 27 september 2022 heeft mr. Endedijk namens Attexo en [A] de Ondernemingskamer bericht dat er geen bezwaar bestaat indien het getuigenverhoor achter gesloten deuren zal plaatsvinden.
1.7
Bij e-mail van eveneens 27 september 2022 heeft mr. Stephenson namens Averline de Ondernemingskamer bericht dat Averline meent dat de aard van de zaak zich niet verzet tegen onverkorte toepassing van artikel 163 Rv en verder, maar dat zij zich niet verzet tegen het verzoek van de onderzoeker [F] achter gesloten deuren te doen horen, onder de voorwaarde dat het haar advocaat wordt toegestaan daarbij aanwezig te zijn.
1.8
Bij e-mail van 28 september 2022 heeft mr. De Bree namens [E] de Ondernemingskamer bericht geen bezwaar te hebben tegen het door de onderzoeker verzochte.
2. De gronden van de beslissing
2.1
De onderzoeker heeft ter toelichting van zijn onder 1.4 vermelde verzoek – samengevat – het volgende naar voren gebracht. De onderzoeker heeft [F] op 9 september 2022 geïnterviewd. Tijdens het interview heeft [F] de vragen van de onderzoeker niet willen beantwoorden, omdat hij mogelijk gebonden is aan een overeenkomst waaruit volgt dat het hem niet zonder meer vrijstaat vragen van de onderzoeker te beantwoorden. De onderzoeker heeft van deze overeenkomst geen kennisgenomen. Wel acht [F] zich gehouden om in rechte onder ede vragen te beantwoorden. [F] is niet persoonlijk betrokken geweest bij de transacties in 2014 die aanleiding hebben gegeven tot het onderzoek. Wel heeft hij nadien in opdracht van Attexo uitgebreid onderzoek gedaan naar deze transacties en heeft hij in dat verband meermalen overleg gevoerd met de toenmalige bestuurders B van TAF. [F] beschikt in dat verband waarschijnlijk over informatie die de onderzoeker van belang acht voor het onderzoek. Vanwege het vertrouwelijke karakter van het onderzoek verzoekt de onderzoeker om het verhoor besloten te behandelen. Door de vraagstelling en antwoorden zou bij openbare behandeling informatie over het onderzoek met derden kunnen worden gedeeld. Dat acht de onderzoeker niet wenselijk en dat strookt niet met het vertrouwelijke karakter van het onderzoek (artikel 2:351 lid 3 BW). De onderzoeker vreest voorts dat bij een openbaar verhoor [F] bij het afleggen van een verklaring zal worden beïnvloed door aanwezigen en dat [F] zich in dat geval niet vrij zal achten vrijuit te verklaren.
2.2
Averline heeft daartegenover gesteld dat de aard van de zaak zich niet verzet tegen onverkorte toepassing van artikel 163 Rv en verder. Uit de memorie van toelichting bij artikel 284 Rv volgt dat daarvan sprake kan zijn in geval van spoedeisendheid of van een verzoekschriftprocedure zonder verweerders of belanghebbenden. Deze omstandigheden doen zich niet voor. Op grond van artikel 121 Grondwet en artikel 166 lid 3 Rv dient het getuigenverhoor openbaar plaats te vinden. De rechter kan hiervan slechts op grond van gewichtige redenen afwijken. Daarvan is geen sprake. Averline verzet zich daarom tegen het horen van [F] zonder aanwezigheid van haar advocaat. De stelling dat [F] mogelijk gebonden is aan een overeenkomst waaruit volgt dat het hem niet zonder meer vrijstaat vragen van de onderzoeker te beantwoorden kan evenmin als grondslag dienen voor het achter gesloten deuren horen van [F] . De onderzoeker heeft van die overeenkomst geen kennisgenomen zodat hij deze stelling niet heeft kunnen controleren. Bovendien leidt het horen van [F] achter gesloten deuren tot praktische complicaties. De verklaring van [F] dient (voor zover relevant) onderdeel uit te maken van het onderzoeksverslag. Gelet op de vermeende vertrouwelijkheid van hetgeen [F] mogelijk zal verklaren, is het de vraag in hoeverre zijn getuigenverklaring verifieerbaar wordt opgenomen in het onderzoeksverslag en in hoeverre Averline als belanghebbende in staat zal worden gesteld om van de inhoud van het onderzoeksverslag kennis te nemen. Averline verzet zich niet tegen het verzoek van de onderzoeker [F] achter gesloten deuren te horen als haar advocaat daarbij aanwezig kan zijn.
2.3
De Ondernemingskamer acht het verzoek van de onderzoeker om op de voet van artikel 2:352a BW [F] te doen horen toewijsbaar, mede omdat daartegen bij partijen geen bezwaar bestaat. De Ondernemingskamer acht het verzoek om het verhoor achter gesloten deuren te houden, buiten aanwezigheid van partijen en hun advocaten, eveneens toewijsbaar. Daartoe wordt het volgende overwogen.
2.4
De regeling van artikel 2:352a BW is per 1 januari 1994 in de wet opgenomen. Aanleiding was – zo staat in de memorie van toelichting (Tweede Kamer, vergaderjaar 1991-1992, 22 400, nr. 3, p. 7) – dat de enquêteprocedure met de beslissing in de eerste fase formeel wordt beëindigd, waardoor de onderzoeker geen beroep meer zou kunnen doen op overeenkomstige toepassing van de regels van bewijsrecht in Rv. Om deze leemte te ondervangen is artikel 2:352a BW opgenomen, dat het mogelijk maakt dat onderzoekers in een enquêteprocedure in het belang van het onderzoek getuigen doen horen door de Ondernemingskamer. Daarbij is in de memorie van toelichting (p. 17) opgemerkt dat indien de Ondernemingskamer zulks gewenst acht zij de getuigen onder ede (belofte) kan horen, met analogische toepassing van artikel 203 Rv, waarin destijds de gang van zaken bij het verhoor van getuigen ter zitting was geregeld (thans artikel 177 Rv). Hieruit volgt dat de bevoegdheid van de onderzoeker om op de voet van artikel 2:352a BW getuigen te doen horen specifiek is gegeven in het belang van het onderzoek in de enquêteprocedure en dat de gewone regels van bewijsrecht daarop niet zonder meer van toepassing zijn.
2.5
Uitgangspunt van de wettelijke regeling van het enquêterecht is dat het onderzoek vertrouwelijk is. Zo is het de onderzoeker verboden om hetgeen uit zijn onderzoek blijkt verder bekend te maken dan zijn opdracht meebrengt (2:351 lid 3 BW), is het een ieder verboden om mededelingen te doen uit delen van een conceptverslag die aan hen zijn voorgelegd (2:351 lid 4 BW) en is het anderen dan de rechtspersoon verboden uit het verslag mededelingen aan derden te doen (2:353 lid 3 BW). In verband met de vertrouwelijkheid van het onderzoek geldt ook dat de onderzoeker partijen en betrokkenen in beginsel buiten aanwezigheid van de (overige) partijen en belanghebbenden hoort (vgl. art 5.2. van de Leidraad voor onderzoekers in enquêteprocedures van 9 juli 2019). Verder is van belang dat het bepaalde in artikel 6 EVRM niet rechtstreeks van toepassing is op het onderzoek in de enquêteprocedure omdat het verhoor op grond van artikel 2:352a BW geen betrekking heeft op het vaststellen van burgerlijke rechten en verplichtingen in de zin van die bepaling. Het op verzoek van de onderzoeker te houden getuigenverhoor vindt niet plaats in het kader van de beslechting van een (vermogensrechtelijk) geschil tussen partijen dat voorwerp is van een aanhangige of mogelijk aanhangig te maken procedure, maar dient ertoe om de onderzoeker door het horen van getuigen in staat te stellen ten aanzien van de omstandigheden die het onderzoek betreffen opheldering te verkrijgen (vgl. Hoge Raad, 6 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX8295 met betrekking tot een faillissementsverhoor, waarvoor in artikel 66 lid 2 Fw met zoveel woorden is bepaald dat ook daarvoor uitsluitend artikel 177 Rv geldt).
2.6
De Ondernemingskamer is tegen deze achtergrond van oordeel dat de aard van het op de voet van artikel 2:352a BW in het belang van het onderzoek verzochte getuigenverhoor, bezien in samenhang met het belang van de vertrouwelijkheid van dat onderzoek, zich in dit geval er tegen verzet dat de gewone regels met betrekking tot het horen van getuigen hier op de voet van artikel 284 Rv van overeenkomstige toepassing zijn en dat sprake is van gewichtige redenen die rechtvaardigen dat het getuigenverhoor in dit geval niet zal plaatsvinden op een openbare zitting als bedoeld in artikel 166 lid 3 Rv. De onderzoeker heeft voldoende toegelicht dat en waarom het goede verloop van het onderzoek in dit geval vereist dat het verhoor buiten aanwezigheid van partijen en belanghebbenden zal plaatsvinden. De Ondernemingskamer zal daarom bepalen dat het getuigenverhoor achter gesloten deuren en buiten aanwezigheid van partijen en belanghebbenden zal plaatsvinden. De onderzoeker is ingevolge artikel 2:352a BW bevoegd bij het getuigenverhoor aanwezig te zijn en aan de getuige vragen te stellen. De getuige zal zich desgewenst kunnen laten bijstaan door een advocaat.
2.7
Het getuigenverhoor zal plaatsvinden ten overstaan van de door de Ondernemingskamer op de voet van artikel 16 lid 5 Rv uit haar midden aan te wijzen raadsheer-commissaris in het Paleis van Justitie te Amsterdam.
2.8
Voor een kostenveroordeling ziet de Ondernemingskamer geen aanleiding.
3. De beslissing
De Ondernemingskamer:
gelast een getuigenverhoor op de voet van artikel 2:352a BW;
benoemt tot raadsheer-commissaris in de zin van artikel 16 lid 5 Rv voor wie dit getuigenverhoor zal plaatsvinden mr. A.W.H. Vink;
bepaalt dat dit getuigenverhoor achter gesloten deuren zal plaatsvinden, buiten aanwezigheid van partijen, belanghebbenden en hun advocaten;
bepaalt dat dit getuigenverhoor zal worden gehouden in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam, op een na schriftelijke opgave van de verhinderdata voor de maanden november en december 2022 van de onderzoeker en de getuige nader te bepalen dag en uur, welke opgave uiterlijk zeven dagen na heden dient te worden gedaan.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.W.H. Vink, voorzitter, mr. C.C. Meijer en mr. A.J. Wolfs, raadsheren, en prof dr. mr. S. ten Have en prof. dr. A.J.C.C.M. Loonen, raden, in tegenwoordigheid van mr. B.J. Blok, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2022.
Uitspraak 26‑04‑2022
Inhoudsindicatie
OK; Enquête; afwijzing verzoek tot beëindiging procedure, toewijzing verzoek verhoging onderzoeksbudget
Partij(en)
beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.272.984/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 26 april 2022
inzake
1. de vennootschap naar het recht van Estland
ATTEXO OÜ,
gevestigd te Tallinn, Estland,
2. [A],
wonende te [....] ,
VERZOEKERS,
advocaat: mr. G.C. Endedijk, kantoorhoudende te Amsterdam,
t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
TAF ASSET 11 B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER,
thans zonder advocaat, voorheen: mr. L.D. Bruining, kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n
1. de vennootschap naar het recht van Cyprus
AVERLINE HOLDINGS LIMITED,
gevestigd te Larnaca, Cyprus,
BELANGHEBBENDE,
advocaten: mrs. A. Schennink en S.V. Stephenson, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
2 [B] ,
wonende te [....] ,
3. [C],
wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDEN,
advocaten: mrs. S.C.M. van Thiel en C.L. Kruse, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
4 [D] ,
wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE,
niet verschenen,
5 [E] ,
wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE,
advocaat: mr. R de Bree, kantoorhoudende te Den Haag.
Partijen worden in deze beschikking ook als volgt aangeduid:
Attexo OÜ als Attexo;
[A] als [A] ;
[A] en
Attexo samen als Attexo c.s.;
TAF Asset 11 B.V. als TAF;
Averline Holdings Limited als Averline;
[B] en [C]
samen als [B cs] ;
- [E] als [E] .
1. Het verloop van het geding
1.1
Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen in deze zaak van 14 en 17 september 2020 en van 3 februari 2021.
1.2
Bij die beschikkingen heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van TAF over de periode vanaf 1 september 2014, mr. W.J.B. van Nielen (hierna: de onderzoeker) benoemd om het onderzoek te verrichten en het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vastgesteld op € 180.000, exclusief btw. Ook heeft de Ondernemingskamer bij die beschikkingen, bij wijze van onmiddellijke voorzieningen, mr. J.G. Princen (hierna: de OK-bestuurder) benoemd als bestuurder van TAF en mr. R. le Grand (hierna: de OK-beheerder) benoemd als beheerder van aandelen in TAF.
1.3
Bij e-mail van 29 december 2021 heeft de onderzoeker de Ondernemingskamer verzocht op de voet van artikel 2:350 lid 3 BW het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten te verhogen tot € 220.000, exclusief btw.
1.4
Bij e-mail van 3 januari 2022 heeft de secretaris van de Ondernemingskamer partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het in 1.3 genoemde verzoek van de onderzoeker tot verhoging van het onderzoeksbudget.
1.5
Bij e-mail van 12 januari 2022 heeft mr. Endedijk namens Attexo c.s. de Ondernemingskamer verzocht de procedure zo spoedig mogelijk te beëindigen.
1.6
Bij e-mail van 13 januari 2022 heeft de secretaris van de Ondernemingskamer partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het in 1.5 genoemde verzoek van Attexo c.s. tot beëindiging van de procedure.
1.7
Bij e-mail van 17 januari 2022 heeft de OK-bestuurder de Ondernemingskamer bericht dat de procedure niet zonder meer kan worden beëindigd op het enkele verzoek van Attexo c.s.
1.8
Bij e-mail van 19 januari 2022 heeft de OK-beheerder de Ondernemingskamer bericht dat het onwenselijk is dat de procedure conform het verzoek van Attexo c.s. wordt beëindigd.
1.9
Bij e-mails van eveneens 19 januari 2022 hebben mr. Schennink namens Averline en mr. Kruse namens [B cs] de Ondernemingskamer bericht in te stemmen met beëindiging van de procedure.
1.10
Bij e-mail van 20 januari 2022 heeft mr. V.R.M. Appelman namens Ingrida Mikenaite, voormalig bestuurder van TAF, de Ondernemingskamer bericht geen bezwaren te hebben tegen beëindiging van de procedure.
1.11
Bij e-mail van 20 januari 2022 heeft mr. De Bree namens [E] , die eerder niet in de procedure is verschenen, de Ondernemingskamer bericht dat indien een verzoek tot beëindiging wordt ingediend, hij daarover geïnformeerd wenst te worden.
1.12
Bij e-mail van 21 januari 2022 heeft de secretaris van de Ondernemingskamer mr. De Bree bericht dat mr. Endedijk namens Attexo c.s. een verzoek tot beëindiging heeft ingediend en mr. De Bree in de gelegenheid gesteld op dat verzoek te reageren.
1.13
Bij e-mail van 28 januari 2022 heeft mr. De Bree namens [E] de Ondernemingskamer verzocht het verzoek van mr. Endedijk namens Attexo c.s. tot beëindiging van de procedure af te wijzen.
1.14
Bij e-mail van 28 maart 2022 heeft mr. De Bree namens [E] de Ondernemingskamer bericht dat [E] bereid is verdere financiering te verstrekken voor het onderzoek, maar dat het verzoek van de onderzoeker tot verhoging van het onderzoeksbudget een nadere toelichting behoeft.
1.15
De verzoeken zijn behandeld op de zitting van de Ondernemingskamer van 14 april 2022. De advocaten, de onderzoeker, de OK-bestuurder en de OK-beheerder hebben toen de standpunten van de verschillende partijen toegelicht, wat mr. Van Thiel betreft aan de hand van overgelegde aantekeningen.
2. De gronden van de beslissing
Het verzoek van Attexo c.s. tot beëindiging van de procedure
2.1
Attexo c.s. hebben aan hun verzoek ten grondslag gelegd dat zij met een derde partij tot een minnelijke regeling zijn gekomen, waarbij de door hen gehouden aandelen in TAF zullen worden overgedragen. Bij die stand van zaken hebben zij geen belang meer bij voortzetting van de op hun verzoek gestarte enquêteprocedure. Averline heeft het verzoek van Attexo c.s. ondersteund. De voormalig bestuurders van TAF, [B cs] , hebben betoogd dat het onderzoek wordt misbruikt als pressiemiddel in een groter geschil tussen de families Numavičius en Marcinkevičius dat zich geheel in het buitenland afspeelt en dat de doelen van het enquêterecht met voortzetting van het onderzoek niet meer worden gediend: herstel van gezonde verhoudingen is niet meer aan de orde, openheid van zaken is al verkregen met het door Attexo c.s. zelf uitgevoerde onderzoek, voortzetting van het onderzoek gaat geen verdere gegevens opleveren en zonder onderzoek is vaststelling van verantwoordelijkheid voor wanbeleid niet mogelijk. De OK-bestuurder en de OK-beheerder menen op hun beurt dat het belang van TAF en haar schuldeisers meebrengt dat orde op zaken moet worden gesteld en dat daarom het onderzoek moet worden afgerond en de getroffen onmiddellijke voorzieningen in stand moeten blijven. [E] heeft aangevoerd dat hij 13,85 % van de aandelen in TAF houdt, dat met hem geen minnelijke regeling is getroffen en dat de in de beschikking van 14 september 2020 genoemde gronden voor het gelasten van een onderzoek ook nu nog gelden. Kort gezegd is er nog steeds zo’n 26 miljoen euro op oneigenlijke wijze aan TAF onttrokken.
2.2
Bij de beoordeling van een beëindigingsverzoek als het onderhavige komt voornamelijk betekenis toe aan de belangen van de oorspronkelijke verzoeker(s) en aan het belang van de betrokken rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij de organisatie van TAF zijn betrokken (Hoge Raad, 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO3356, KPNQwest). De Ondernemingskamer stelt vast dat de in de beschikking van 14 september 2020 genoemde gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van TAF ook nu nog onverkort gelden en dat het belang van TAF nog steeds noopt tot het treffen van de in die beschikking genoemde onmiddellijke voorzieningen. Verder geldt dat voltooiing van het onderzoek, mede ter bescherming van de minderheidsaandeelhouder, (verdere) openheid van zaken zal kunnen bieden over het beleid en de gang van zaken van TAF in de onderzoeksperiode en dat op basis daarvan mogelijk kan worden vastgesteld wie verantwoordelijk is of zijn voor eventueel gebleken wanbeleid. Bij die stand van zaken moeten de belangen van TAF en [E] , als haar 13,8% aandeelhouder, bij voortzetting (en voltooiing) van het onderzoek en de instandhouding van de onmiddellijke voorzieningen zwaarder wegen dan de belangen van Attexo c.s. en Averline en [B cs] bij beëindiging daarvan. Het verzoek tot beëindiging van de enquêteprocedure zal daarom worden afgewezen.
Het verzoek van de onderzoeker tot verhoging van het onderzoeksbudget
2.3
De Ondernemingskamer stelt vast dat de onderzoeker zijn verzoek om het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten te verhogen tot € 220.000, exclusief btw, voldoende heeft toegelicht en onderbouwd. [E] heeft zijn aanvankelijke bezwaren ter zitting niet gehandhaafd en heeft bij monde van zijn advocaat aangeboden het voor de voltooiing van het onderzoek benodigde bedrag aan TAF voor te schieten. De overige partijen hebben geen concrete inhoudelijke bezwaren tegen de verhoging van het onderzoeksbudget aangevoerd. Nu het verzoek van de onderzoeker de Ondernemingskamer ook overigens niet onredelijk voorkomt zal het worden toegewezen.
Benoeming raadsheer-commissaris
2.4
Bij de beschikking van 14 september 2020 is mr. G.C. Makkink benoemd tot raadsheer-commissaris als bedoeld in artikel 2:350 lid 4 BW. Mr. G.C. Makkink is niet langer raadsheer bij de Ondernemingskamer, zodat de Ondernemingskamer een opvolgend raadsheer-commissaris zal benoemen.
3. De beslissing
De Ondernemingskamer:
wijst het verzoek van Attexo OÜ en [A] tot beëindiging van de enquêteprocedure af;
verhoogt het bedrag dat het bij beschikking van 14 september 2020 bevolen onderzoek ten hoogste mag kosten tot € 220.000, exclusief btw;
benoemt mr. A.W.H. Vink tot raadsheer-commissaris, zoals bedoeld in artikel 2:350 lid 4 BW;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.W.H. Vink, voorzitter, mr. C.C. Meijer en mr. D. Kingma, raadsheren, en prof dr. mr. S. ten Have en prof. dr. A.J.C.C.M. Loonen, raden, in tegenwoordigheid van mr. B.J. Blok, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2022.
Uitspraak 03‑02‑2021
Dit document is (nog) niet beschikbaar gesteld door de rechtsprekende instantie.
Uitspraak 17‑09‑2020
Inhoudsindicatie
Ondernemingskamer; enquête; aanwijzing onderzoeker, bestuurder en beheerder van aandelen
Partij(en)
beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.272.984/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 17 september 2020
inzake
1. de vennootschap naar het recht van Estland
ATTEXO OÜ,
gevestigd te Tallinn, Estland,
2. [A],
wonende te [....] ,
VERZOEKERS,
advocaat: mr. G.C. Endedijk, kantoorhoudende te Amsterdam,
t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
TAF ASSET 11 B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER,
advocaat: mr. L.D. Bruining, kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n
1. de vennootschap naar het recht van Cyprus
AVERLINE HOLDINGS LIMITED,
gevestigd te Larnaca, Cyprus,
advocaten: mrs. A. Schennink en S.V. Stephenson, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
2 [B] ,
wonende te [....] ,
3. [C],
wonende te [....] ,
advocaten: mrs. S.C.M. van Thiel en C.L. Kruse, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
4 [D] ,
wonende [....] ,
niet verschenen,
BELANGHEBBENDEN.
1. Het verloop van het geding
1.1
Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikking in deze zaak van 14 september 2020.
1.2
Bij die beschikking heeft de Ondernemingskamer – voor zover thans van belang – een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van TAF Asset 11 B.V. over de periode vanaf 1 september 2014, een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon benoemd teneinde het onderzoek te verrichten en de vaststelling van het bedrag dat het onderzoek mag kosten aangehouden. Tevens heeft zij bij die beschikking, bij wijze van onmiddellijke voorzieningen en vooralsnog voor de duur van het geding een nader door de Ondernemingskamer aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon benoemd tot zelfstandig vertegenwoordigingsbevoegd bestuurder van TAF Asset 11 B.V. alsmede de door Averline Holdings Limited gehouden aandelen in TAF Asset 11 B.V. ten titel van beheer overgedragen aan een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon.
2. De gronden van de beslissing
De Ondernemingskamer zal thans de hierna te vermelden personen aanwijzen als onderzoeker, bestuurder respectievelijk beheerder van aandelen, een en ander zoals bedoeld in de beschikking in deze zaak van 14 september 2020.
3. De beslissing
De Ondernemingskamer:
wijst aan als onderzoeker zoals bedoeld in de beschikking van 14 september 2020 in deze zaak: mr. W.J.B. van Nielen te Utrecht;
wijst aan als bestuurder zoals bedoeld in de beschikking van 14 september 2020 in deze zaak: mr. J.G. Princen te Rotterdam;
wijst aan als beheerder van aandelen zoals bedoeld in de beschikking van 14 september 2020 in deze zaak: mr. R. le Grand te Rotterdam;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.C. Makkink, voorzitter, mr. A.J. Wolfs en mr. A.W.H. Vink, raadsheren, en prof. dr. mr. F. van der Wel RA en drs. J.S.T. Tiemstra RA, raden, in tegenwoordigheid van mr. S.M. Govers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2020.
Uitspraak 14‑09‑2020
Dit document is (nog) niet beschikbaar gesteld door de rechtsprekende instantie.