De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting
Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/8.6:8.6 Hoofdstuksamenvatting, conclusies en aanbevelingen
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/8.6
8.6 Hoofdstuksamenvatting, conclusies en aanbevelingen
Documentgegevens:
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS392060:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het bestuur van een stichting legt intern verantwoording af aan de raad van toezicht. Vaak is er geen “derde orgaan” waaraan de raad van toezicht op zijn beurt intern verantwoording kan afleggen. De kwaliteit van de externe verantwoording door de raad van toezicht en interne zelfevaluatie zijn om die reden des te meer van belang. In sectorregels zou een afzonderlijk toezichtverslag (dat wil zeggen: afzonderlijk van het bestuursverslag) voorgeschreven moeten worden. In het toezichtverslag verantwoordt de raad van toezicht zich over (procedurele aspecten van) het toezicht op het bestuursbeleid, maar ook over zijn zelfstandige bevoegdheden, zijn eigen samenstelling en (de wijze van evaluatie van) zijn functioneren.
Slechts stichtingen met een middelgrote of grote onderneming hoeven op grond van Boek 2 BW hun jaarrekening en bestuursverslag te publiceren. Sectorregels, sectorcodes en/of overheidsvoorwaarden verplichten ook stichtingen met een kleine onderneming, die beschikken over geld van het publiek (fondsenwervende instellingen), overheidsgeld (bepaalde zorginstellingen) of stichtingen die belastingvoordelen genieten (ANBI’s), om hun jaarstukken openbaar te maken via de website van de stichting of van een brancheorganisatie. Een stichting die hiertoe niet verplicht is, maar te maken heeft met een onbepaalde groep begunstigden en/of externe belanghebbenden, zou vrijwillig publiek verantwoording kunnen afleggen en het bestuursverslag en toezichtverslag openbaar kunnen maken via de eigen website van de stichting.
Voor alle stichtingen zou algemeen bepaald moeten worden dat de raad van toezicht, indien deze is ingesteld, ten minste eenmaal per jaar een zelfevaluatie uitvoert en daarvoor een procedure opstelt. In sectorregels kan voorgeschreven worden dat de raad van toezicht, in sommige omstandigheden en/of bij sommige soorten stichtingen, zijn zelfevaluatie periodiek door een buitenstaander laat begeleiden. Ook andere soorten stichtingen zouden in bepaalde gevallen kunnen overwegen om een buitenstaander bij hun zelfevaluatie te betrekken.
Een rechtspersoon doet met het verlenen van decharge afstand van het recht om zich op bestuurders en/of commissarissen of leden van de raad van toezicht te verhalen, hetgeen neer komt op het beschikken over een vermogensrecht van de rechtspersoon. De wet biedt geen duidelijkheid of en wie leden van de raad van toezicht kan dechargeren.
Beargumenteerd kan worden dat decharge aan (bestuurders en) leden van de raad van toezicht namens de stichting kan worden verleend door het orgaan waaraan (financieel) verantwoording verschuldigd is.
Mijns inziens zijn de mogelijkheden voor de raad van toezicht om aan eigen leden decharge te verlenen beperkt. Het over en weer verlenen van interne (jaarlijkse) decharge op basis van jaarstukken is onzuiver, aangezien de raad van toezicht zelf voor die jaarstukken medeverantwoordelijk is. Hooguit kan de raad van toezicht namens de stichting aan een gewezen lid van de raad van toezicht finale kwijting verlenen op basis van financiële gegevens. Het zou nuttig zijn als de wetgever zich, bijvoorbeeld in het kader van het Wetsvoorstel btrp, over dechargemogelijkheden bij stichtingen uitlaat.
Voor semipublieke instellingen geldt dat zij in belangrijke mate worden bekostigd of gefinancierd door de overheid. Om die reden kan gezegd worden dat het onredelijk is dat decharge namens de stichting kan worden verleend door een stichtingsorgaan (waarmee afstand van een potentieel vorderingsrecht wordt gedaan) zonder dat de overheid daarin gekend wordt. Ik vraag mij echter af of de overheid bereid en geschikt is om bij dechargebesluiten betrokken te worden.
Bij gebreke aan een orgaan “boven” de raad van toezicht dat bevoegd is om leden van de raad van toezicht te schorsen, zou de wet mijns inziens een regeling dienen te bevatten die inhoudt dat de raad van toezicht bevoegd is zijn eigen leden te schorsen, tenzij de statuten anders bepalen. Dit bevordert het “zelfreinigend vermogen” van de raad van toezicht. De raad van toezicht van de stichting zou, mede om deze praktische reden, uit ten minste drie personen dienen te bestaan.
Mijns inziens is terecht in het Wetsvoorstel btrp voorgesteld om artikel 2:298 BW (schorsing en ontslag via de rechter op een aantal in de wet genoemde gronden, waaronder taakverwaarlozing) niet alleen te laten gelden voor bestuurders van de stichting, maar uit te breiden naar leden van de raad van toezicht. Bovendien is in het Wetsvoorstel terecht bepaald dat de statuten van een stichting met een raad van toezicht in ieder geval een regeling dienen te bevatten voor het geval van belet en ontstentenis van alle leden van de raad van toezicht.
Aanbevelingen aan de wetgever:
[Zie paragraaf 8.3.5 en 7.4.3] Boek 2 BW zou dienen te bepalen dat de raad van toezicht van een stichting, indien deze wordt ingesteld, ten minste eenmaal per jaar een zelfevaluatie uitvoert en daarvoor een procedure opstelt.
[Zie paragraaf 8.5.2] Boek 2 BW zou dienen te bepalen dat de raad van toezicht bevoegd is zijn eigen leden te schorsen, tenzij de statuten anders bepalen. Het orgaan of de instantie dat benoemingsbevoegd is kan de schorsing opheffen.
[Zie paragraaf 8.5.3] Naast het in het Wetsvoorstel btrp voorgestelde artikel 2:11c lid 7 zou artikel 2:299 BW uitgebreid moeten worden naar leden van de raad van toezicht. Deze regeling zou als fall back kunnen fungeren voor het geval dat, ondanks het feit dat de wet (als het Wetsvoorstel btrp wet wordt) voorschrijft dat de statuten een regeling moeten bevatten voor ontstentenis of belet van alle leden van de raad van toezicht, is nagelaten een regeling te treffen.
Aanbevelingen voor sectorale governancecodes:
[Zie paragraaf 8.3.2 en 8.3.3] Sectorale governancecodes zouden moeten bevorderen dat toezichtverslagen meer informatief worden. In plaats van een opsomming en omschrijving zou sprake moeten zijn van een meer inhoudelijke uiteenzetting in het toezichtverslag, in ieder geval over de onderwerpen waarover de raad van toezicht meer dan slechts een goedkeurende bevoegdheid ten opzichte van het bestuursbeleid heeft, zoals (a) (her)benoeming van bestuurders en bestuurdersbeloning en (b) samenstelling van de raad van toezicht en onafhankelijkheid van leden van de raad van toezicht.
[Zie paragraaf 8.3.4] In sectorale governancecodes zou voorgeschreven moeten worden dat de raad van toezicht jaarlijks een afzonderlijk toezichtverslag opstelt waaraan een aantal minimumeisen wordt gesteld. Per sector zouden brancheorganisaties of verenigingen van toezichthouders in die sector voorbeeldverslagen kunnen publiceren waarin onderwerpen worden opgenomen die inhoudelijk behandeld en toegelicht moeten worden.
[Zie paragraaf 8.3.5] In sectorale governancecodes zou duidelijke verslaglegging over de wijze van (zelf)evaluatie door de raad van toezicht in het toezichtverslag verplicht gesteld moeten worden.